ECLI:NL:RBDHA:2026:11626

ECLI:NL:RBDHA:2026:11626

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer NL26.6549 en NL25.43079
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Eiser komt uit Noordoost Syrië, uit de stad Qamishli, in de provincie Al-Hasakah. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers rekrutering door de SDF ongeloofwaardig is. De rechtbank komt echter tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn[1] in Syrië van toepassing is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. Nu verweerder heeft nagelaten de humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is sprake van een motiveringsgebrek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.6549 (beroep), NL25.43079 (beroep niet tijdig)

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire),

en

(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers rekrutering door de SDF ongeloofwaardig is. De rechtbank komt echter tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn in Syrië van toepassing is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. Nu verweerder heeft nagelaten de humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is sprake van een motiveringsgebrek. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 29 februari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Op 7 juli 2025 heeft eiser verweerder een ingebrekestelling gestuurd, omdat verweerder nog geen besluit had genomen op de aanvraag. Op 7 september 2025 heeft eiser beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.

Verweerder heeft met het bestreden besluit van 29 januari 2026 de asielaanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond en tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Op 8 april 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep met zaaknummer NL26.6549

Ontvankelijkheid van het beroep

3. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser is het niet eens met het inhoudelijke besluit op zijn asielaanvraag omdat niet aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen (NL25.43079) heeft dus van rechtswege betrekking op het bestreden besluit. Dat maakt dat het beroep met zaaknummer NL26.6549 ten overvloede is ingediend. De rechtbank verklaart dit beroep daarom niet-ontvankelijk omdat eiser met dit beroep niet meer of anders kan bereiken dan met het beroep met zaaknummer NL25.43079. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De gronden van beroep gericht tegen het bestreden besluit die zijn ingediend in zaaknummer NL26.6549 acht de rechtbank als te zijn ingediend in zaaknummer NL25.43079.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep met zaaknummer NL25.43079

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

4. Omdat verweerder alsnog een besluit heeft genomen op de asielaanvraag, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.

Het beroep tegen het bestreden besluit

Het asielrelaas

5. Eiser is geboren op [datum] 2003, heeft de Syrische nationaliteit en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Eiser komt uit Noordoost Syrië, uit de stad Qamishli, in de provincie Al-Hasakah. Eiser heeft in juni 2021 voor het eerst Syrië verlaten. Hij is toen naar Erbil in Irak gegaan. In september 2023 is eiser noodgedwongen teruggekeerd naar Syrië. Eind 2023 is eiser definitief vertrokken uit Syrië en is hij naar Turkije gegaan. Hij heeft Syrië toen op illegale wijze verlaten. Begin 2024 is eiser de Europese Unie binnengekomen.

Eiser is uit Syrië vertrokken omdat hij de militaire dienstplicht van de Koerdische strijdkrachten, de SDF (Syrische Democratische Strijdkrachten), wilde ontwijken. Hij stelt een opsporingsbericht via een advocaat te hebben ontvangen waaruit zou blijken dat hij wordt gezocht door de algemeen commando van de SDF. Verder heeft eiser verklaard over de algemene slechte omstandigheden in Syrië en dat hij vreest voor de nieuwe regering in Syrië. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser te worden opgeroepen voor de militaire dienstplicht en dat hij zich bij hen moet aansluiten. Hij vreest te worden gedood of anderen te moeten doden.

Het bestreden besluit

6. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw en heeft daarbij de volgende asielmotieven als relevant aangemerkt:

1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;2. De rekrutering door de SDF.

Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers rekrutering door de SDF is door verweerder om de volgende, hier kort samengevatte, redenen niet geloofwaardig geacht.

Eiser heeft volgens verweerder het tweede asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser wat betreft dit asielmotief niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b en c van de Vw. Eiser heeft namelijk volgens verweerder onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring. Ook vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel volgens verweerder, omdat zijn verklaringen omtrent het verkrijgen van het document vaag en tegenstrijdig zijn, zijn verklaringen over het bewaren van het gesprek vaag zijn, hij is teruggekeerd naar Syrië in 2023 en zijn verklaringen hieromtrent tegenstrijdig zijn.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen verblijfsvergunning asiel krijgt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat uit zijn verklaringen niet blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Syrië komt is op zichzelf niet genoeg om als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdragte worden aangemerkt.

Verweerder heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt. In Syrië is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en uit eisers verklaringen is niet gebleken dat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.

Verweerder wijst de asielaanvraag daarom af als ongegrond. Verweerder heeft tegen eiser ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten.

Heeft verweerder de rekrutering door SDF niet geloofwaardig kunnen vinden?

7. Eiser stelt dat verweerder zijn oproep voor de militaire dienst niet, althans onvoldoende, heeft meegewogen in zijn beoordeling. Eiser heeft een kopie van zijn oproep voor de militaire dienst overgelegd. Eiser stelt dat het document wel leesbaar is en dat zijn gemachtigde heeft bevestigd dat de door haar ingeschakelde tolk de datum op het document zonder moeite heeft kunnen lezen. Eiser wijst op het arrest L.H. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 juni 2021. Het Hof heeft in dit arrest overwogen dat elk stuk dat ter staving van een asielaanvraag is overgelegd moet worden beschouwd als een element van dat verzoek, en dat daar dus rekening mee dient te worden gehouden. Eiser stelt dat verweerder zijn kopie van de oproep voor de SDF daarom ten onrechte niet heeft meegewogen. Ook heeft eiser in de correcties en aanvullingen voldoende uitgelegd dat hij zich gedurende het nader gehoor in de jaartallen heeft vergist. Eiser kan de advocaat die het document aan hem heeft toegestuurd, niet meer bereiken en eiser heeft de Whatsapp-gesprekken met deze advocaat niet meer tot zijn beschikking. Eiser ziet niet in waarom het al dan niet bewaren van het gesprek met die advocaat afbreuk zou doen aan de inhoud van het door hem overgelegde document.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de rekrutering door de SDF niet geloofwaardig is. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder de kopie van de oproep van de SDF niet buiten beschouwing gelaten, maar zich daarover op het standpunt gesteld dat er weinig waarde aan gehecht kan worden. Verweerder stelt onder meer dat de kopie niet goed leesbaar is en eiser vaag en tegenstrijdig over de oproep heeft verklaard. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat de oproep van 22 april 2025 is. Eiser heeft eerst verklaard dat hij eenmalig in contact is geweest met zijn Syrische advocaat in februari 2024 en dat deze advocaat kort daarna de oproepbrief van de SDF aan hem heeft verstuurd. Eiser heeft verklaard dat hij het pdf-bestand heeft bewaard, maar het Whatsapp-gesprek niet, uit angst. Vervolgens corrigeert eiser zich en verklaart hij dat hij zijn advocaat in februari 2025 heeft gesproken en dat de advocaat hem drie of vier maanden later de kopie van de oproepbrief heeft verstuurd. Wanneer verweerder eiser confronteert met het feit dat hij wisselend heeft verklaard, geeft eiser aan dat hij een slechte concentratie heeft en niet goed is met data. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover wordt gevolgd dat eiser zich zou hebben vergist in het moment waarop hij contact heeft gehad met zijn advocaat, eiser nog steeds niet duidelijk heeft gemaakt hoe hij in februari 2024 of februari 2025 een oproep kan hebben ontvangen die van daarna dateert, namelijk april 2025. Eiser heeft dit ook ter zitting niet kunnen ophelderen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Omdat verweerder de kopie van de oproepbrief wel heeft betrokken in het besluit, is van strijd met het arrest L.H. is volgens de rechtbank ook geen sprake. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat van eiser mocht worden verwacht dat hij vaker contact had gelegd met zijn advocaat om de onduidelijkheid over de oproep op te helderen, nu dit een belangrijk onderdeel van zijn asielrelaas is. Ook ter zitting is niet verduidelijkt waarom dit niet mogelijk was.

Ook volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat eisers verklaringen over het bewaren van de Whatsapp-gesprekken met zijn advocaat vaag zijn. Eiser heeft namelijk enerzijds verklaard dat hij het gesprek heeft verwijderd uit angst. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers verklaring, dat hij de pdf wel heeft bewaard maar het gesprek met de advocaat heeft verwijderd, vaag is. Eisers stelling in de zienswijze dat gesprekken in Whatsapp na een bepaalde periode automatisch worden verwijderd, heeft verweerder terecht tegenstrijdig gevonden met zijn eerdere verklaring dat hij de gesprekken uit angst heeft verwijderd.

Tenslotte heeft verweerder tegengeworpen dat eiser in 2023 naar Syrië is teruggekeerd en zijn verklaringen daarover tegenstrijdig zijn. Nu eiser hiertegen geen gronden heeft aangevoerd, heeft verweerder zich ook op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien dat eiser bij terugkeer in 2023 geen problemen kreeg met de SDF. Ook dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn vrees voor rekrutering door de SDF.

De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade?

8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van de laagste gradatie van willekeurig geweld in Syrië en dat daarbij ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet zijn betrokken. Eiser verwijst in dat verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025 en stelt dat die uitspraak ook op hem van toepassing is. Eiser verwijst ook naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 11 december 2025 waarin prejudiciële vragen zijn gesteld. Daarnaast verwijst eiser naar het Algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025 en een rapport van de Deense immigratiedienst van september 2025. Daaruit volgt dat in Syrië nog steeds een situatie is van aanhoudend, wijdverbreid en willekeurig geweld door diverse, vaak niet-geïdentificeerde actoren. Daarbij komt dat verweerder heeft miskend dat de veiligheidssituatie in Qamishli, Al-Hasakah provincie, in januari 2026 wezenlijk is verslechterd en als instabiel en volatiel moet worden aangemerkt. Eiser verwijst in dit kader naar een nieuwsbericht van Reuters, een nieuwsbericht van The Guardian en een bericht van Associated Press. Ook stelt eiser dat uit recente landeninformatie blijkt dat in Noordoost-Syrië sprake is van een complexe en veranderlijke machtsstructuur, waarbij meerdere gewapende actoren tegelijk opereren. Eiser verwijst naar het rapport van EUAA van december 2025waarin is geconcludeerd dat een stabiele machtsstructuur in Syrië ontbreekt, dat voortdurend sprake is van buitenlandse militaire inmenging en dat sprake is van onderrapportage vanuit Syrië over de situatie.

Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat in geheel Syrië, dus ook in Qamishli en de regio Al-Hasakah waar eiser vandaan komt, sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat daarbij alle relevante informatie is betrokken. Ter onderbouwing van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het Algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025, de Beslisnota van de Minister over het landenbeleid Syrië, de brief van de Minister aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië en de bijlage 15c en Global Protection Cluster updates. Voorts verwijst verweerder naar diverse uitspraken waarin rechtbanken tot een ander oordeel komen met betrekking tot de 15c-situatie in Syrië dan deze rechtbank en zittingsplaats. Ook verwijst verweerder naar een artikel van Euronews van 30 januari 2026 waaruit volgt dat er in Syrië in januari 2026 hevige confrontaties hebben plaatsgevonden die inmiddels met een staakt het vuren ten einde zijn gekomen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van grootschalige of een toename aan veiligheidsincidenten, gevechten of geweldsuitbarstingen in Al-Hasakah, waarbij veel burgers slachtoffer werden van willekeurig geweld. Verweerder wijst hierbij op cijfers van ACLED. Het geringe aantal ernstige veiligheidsincidenten, vormt een indicatie voor het aannemen van de laagste gradatie van willekeurig geweld in Al-Hasakah. Wat betreft de humanitaire situatie in Syrië stelt verweerder zich op het standpunt dat deze niet of nauwelijks te wijten is aan een (actor die partij is bij een) lopend gewapend conflict. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats niet op eiser van toepassing is, nu die uitspraak over de situatie in Homs gaat.

De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2025 niet volgt dat die uitspraak alleen van toepassing is op Syrische asielzoekers uit Homs. In enkele overwegingen in de uitspraak gaat de rechtbank specifiek in op de veiligheidssituatie in Homs, maar de rechtbank betrekt ook bronnen die zien op de algemene veiligheidssituatie in Syrië. De rechtbank komt in die uitspraak tot de conclusie dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is, dat de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025 daarvoor een te korte periode beslaat en uit meerdere andere bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie fragiel, slecht en onduidelijk is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitspraak van 11 december 2025 ook van toepassing is op de zaak van eiser.

Ter onderbouwing van het bestreden besluit heeft verweerder thans onder meer verwezen naar de Kamerbrief van 10 juni 2025, het Algemeen ambtsbericht Syrië en Global Protection Cluster updates. Verweerder verwijst ook naar het EUAA-rapport, waarin wordt geconcludeerd dat in Al-Hasakah sprake is van een lage gradatie van willekeurig geweld. De rechtbank vindt deze verwijzingen echter onvoldoende om af te wijken van de uitspraak van 11 december 2025. De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 december 2025 ook landeninformatie betrokken die ziet op de humanitaire situatie in Syrië. Eiser heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat verweerder in het bestreden besluit de humanitaire situatie in Syrië ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 11 december 2025 heeft overwogen, zijn ook de humanitaire omstandigheden relevant welke direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Daarbij komt dat uit het EUAA-rapport blijkt dat de humanitaire situatie in Al-Hasakah niet minder ernstig is dan andere delen van Syrië. Uit het rapport blijkt dat Al-Hasakah onder meer kampt met beperkte toegang tot basisvoorzieningen, zoals water, en dat er veel (niet-) ontplofte oorlogsresten aanwezig zijn. Verweerder heeft dit rapport onvoldoende betrokken in zijn beoordeling. Ook is verweerder onvoldoende ingegaan op de recente landeninformatie waar eiser naar verwijst en waaruit blijkt dat in Al-Hasakah sprake is van transitie van macht tussen de SDF en Syrische regeringstroepen met aanhoudende veiligheidsincidenten tot gevolg. Met de verwijzing in het verweerschrift naar het staakt het vuren van eind januari 2026, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de situatie in die regio inmiddels is genormaliseerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek.

Nu verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten de humanitaire situatie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is reeds sprake van een motiveringsgebrek en dient het besluit te worden vernietigd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep met zaaknummer NL26.6549 is niet-ontvankelijk. Het beroep met zaaknummer NL25.43079, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is niet-ontvankelijk. Het beroep met zaaknummer NL25.43079 voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit, is gegrond. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd en daarmee in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die kunnen worden vergoed.

Beslissing

Over het beroep met zaaknummer NL25.43079

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 29 januari 2026;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Over het beroep met zaaknummer NL26.6549

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand