Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/310476-25, 09/276750-25, 09/287257-25 (ttz. gev.) en 09/078248-24 (tul)
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.B. Schiphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C. Arslaner naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank ter zitting [aangever 1] (reclasseringsmedewerkster) als deskundige gehoord.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 5 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 1 tot en met 4 en bij dagvaardingen II en III tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 5 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 1 tot en met 4 en bij dagvaardingen II en III tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.
Vrijspraak van feit 5, dagvaarding I
De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 5 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte van dit feit wordt vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 1 tot en met 4 en bij dagvaardingen II en III van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
dagvaarding I
1hij op 10 november 2025 te 's-Gravenhage [aangever 1] meermaals heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen- "If i come, i am coming to kill you",- "Maybe i am gonna come and i am going to kill you", en - "If i come, i am gonna fuck you up";
2hij op 11 november 2025 te ’s-Gravenhage, [aangever 2] meermaals heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en, door die [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen- "If i find you i'm gonna kill you, straight away",- "I'm gonna cut you", en - "If i grab you you will be death Kurwa. Straight away. I break your fucking neckwith my hand.";
3hij op 11 november 2025 te ’s-Gravenhage, [aangever 3] meermaals heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en, door die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen- "Next time i see you i will kill you",- "When i see you outside i will take a knife right away bam, bam, bam" en- "Fuck you all from fivoor, when i see you outside i will kill you";
4hij op 11 november 2025 te 's-Gravenhage, [aangever 4] meermaals heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 4] dreigend de woorden toe te voegen- "You're a fucking bitch kurwa, if i find you then i'm gonna kill you straight away. Kurwa [aangever 4] ", en- "And you fucking bitch kurwa [aangever 4] you will be killed also kurwa. you understand me or not. If i'm gonna cut you when you go outside from a work then you gonna remember. (...) I put a fucking knife to your (..). Fucking bitch kurwa.";
dagvaarding II
hij op 19 oktober 2025 te Rijswijk meerdere winkelgoederen die geheel aan Hoogvliet supermarkt (vestiging [adres 2] ) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
dagvaarding III
hij op 28 oktober 2025 te 's-Gravenhage [aangever 5] heeft mishandeld, door die [aangever 5] met kracht bij haar armen vast te pakken en in haar armen te knijpen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke straf zo beperkt mogelijk dient te blijven, zodat de verdachte de kans krijgt om zo spoedig mogelijk hulpverlening te krijgen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van vier medewerkers van GGZ Reclassering Fivoor door hen spraakberichten toe te sturen waarin hij de bewezen verklaarde bedreigingen uitte. De bedreigingen hebben bij deze reclasseringsmedewerkers gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht, terwijl de reclassering nu juist in het leven is geroepen om mensen zoals de verdachte hulp en begeleiding te bieden. De rechtbank rekent dit de verdachte dan ook aan. Medewerkers van de reclassering dienen te allen tijde hun werk ongehinderd en onder veilige omstandigheden te kunnen doen.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn partner door haar met kracht bij de armen te pakken en hierin te knijpen. Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn partner.
De verdachte heeft zich tot slot schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dat is een hinderlijk feit, waarvan winkeliers en de maatschappij schade en overlast ondervinden. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van anderen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 2 februari 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek en een gemiddeld recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen en het reclasseringstoezicht in de zaak met parketnummer 09/078248-24 voort te zetten door de proeftijd met een jaar te verlengen. De reclassering ziet voldoende mogelijkheden om binnen het lopende toezicht gedragsverandering en risicobeperking te bewerkstellingen.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is onder meer als uitgangspunt vermeld een geldboete van € 1.000,- voor mishandeling met lichamelijk letsel ten gevolge en geldboete van € 350,- voor bedreiging. De rechtbank is echter van oordeel dat deze uitgangspunten in dit geval geen recht doen aan de ernst van de gepleegde feiten. Zij acht in dit verband namelijk strafverzwarend dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat de mishandeling in huiselijke sfeer heeft plaatsgevonden. Tot slot is bij de strafmaat de veelvoud en de inhoud van de geuite bedreigingen betrokken. Deze waren zeer indringend van aard en bovendien gericht tegen hulpverleners in het kader van de uitoefening van hun werkzaamheden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van vier maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
7. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vorderingen van 12 maart 2026 en 16 maart 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/078248-24 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 3 april 2024 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van vier weken, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene en bijzondere voorwaarden.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vorderingen gewijzigd in de zin dat wordt gevorderd dat de proeftijd wordt verlengd met twee jaar en dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden worden gewijzigd in die zin dat de voorwaarden van klinische opname en begeleid wonen worden toegevoegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het strafblad van de verdachte d.d. 28 april 2026 vermeldt dat de proeftijd van voornoemde opgelegde voorwaardelijke straf liep van 18 april 2024 tot en met 7 oktober 2025. Tevens kan uit dat strafblad worden afgeleid dat een vordering tenuitvoerlegging van voornoemde straf op 7 oktober 2025 geheel is toegewezen. De rechtbank constateert dat deze informatie in de justitiële documentatie van de verdachte niet strookt met het voorliggende dossier, waarin zich een aantekening mondeling vonnis bevindt van dezelfde datum. Uit deze aantekening blijkt namelijk dat de politierechter geen tenuitvoerlegging van de straf heeft gelast, maar een bijzondere voorwaarde heeft gewijzigd en voor het overige de algemene en bijzondere voorwaarden (die zijn opgelegd bij het vonnis van 3 april 2024) heeft gehandhaafd. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat in dit opzicht sprake moet zijn van een kennelijke fout in de justitiële documentatie van de verdachte. Zij zal daarom ten aanzien van de duur van de proeftijd uitgaan van een oudere versie van het strafblad (d.d. 19 november 2025), die zich ook in het dossier bevindt. Daarin staat vermeld dat de proeftijd bij de opgelegde voorwaardelijke straf liep van 18 april 2024 tot en met 18 mei 2026. Daarmee is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de inhoud van dit vonnis.
De rechtbank acht het in het belang van de verdachte en de samenleving dat het lopende toezicht door de reclassering wordt voortgezet en dat de verdachte (indien mogelijk) opnieuw wordt opgenomen in een kliniek ter behandeling van zijn problematiek. De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij hulp nodig heeft en bereid is om daaraan mee te werken. De rechtbank ziet in deze omstandigheden reden om de verdachte opnieuw die kans te geven.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de proeftijd dient te worden verlengd met twee jaar. De proeftijd zal daardoor de in beginsel maximale duur van drie jaar overschrijden. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de gepleegde feiten blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat de gestelde voorwaarden worden gewijzigd, in die zin dat als voorwaarden worden toegevoegd een klinische opname en begeleid wonen. De rechtbank handhaaft de andere in genoemd vonnis opgelegde bijzondere voorwaarden.
Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen belang om de andere vordering van de officier van justitie (d.d.16 maart 2026) toe te wijzen en zal de rechtbank deze afwijzen.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 285, 300, 304 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 tot en met 4 en bij dagvaarding II en III ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
dagvaarding I
ten aanzien van feiten 1, 2, 3 en 4:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
dagvaarding II
diefstal;
dagvaarding III
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf (d.d. 12 maart 2026);
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 3 april 2024, gewezen onder parketnummer 09/078248-24, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, met twee jaar;
wijzigt de bij voornoemd vonnis opgelegde bijzondere voorwaarden in die zin dat als voorwaarden worden toegevoegd dat de veroordeelde:
- zich (indien een plek voor hem beschikbaar is) laat opnemen en zal verblijven in een nader te bepalen forensische klinische instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, waarbij hij zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door de zorgverlener van deze instelling worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. De opname start, indien mogelijk, direct aansluitend aan detentie en duurt zolang de reclassering en/of het behandelteam dit noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd, indien een plek voor hem beschikbaar is, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
geeft (opnieuw) opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
handhaaft de andere in genoemd vonnis (met parketnummer 09/078248-24) opgelegde bijzondere voorwaarden;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf (d.d. 16 maart 2026);
wijst af de vordering van de officier van justitie d.d. 16 maart 2026 tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van politierechter van de rechtbank Den Haag op 3 april 2024, gewezen onder parketnummer 09/078248-24.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2026.