Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/357278-24 en 23/001163-22 (tul)
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.B. Schiphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.E.S. Heijnen naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 mei 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] een of meermalen in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of lichaam te slaan en/of schoppen.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 23 mei 2024 te 's-Gravenhage, [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] meermalen in het gezicht, tegen het hoofd en lichaam te slaan en schoppen.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een taakstraf van 60 uur.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft de aangeefster, zijn toenmalige vriendin, op straat meerdere keren geslagen, geschopt en aan haar haren getrokken. Nadat de aangeefster, de verdachte en de getuige de woning van aangeefster in zijn gegaan, heeft de verdachte de aangeefster opnieuw over haar hele lichaam geslagen. Toen de aangeefster op de grond viel heeft de verdachte tegen haar hoofd en lichaam geschopt.
De verdachte heeft met deze mishandeling een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster. Volgens de aangeefster was na de mishandeling haar hele gezicht kapot en zij had twee dagen later nog pijn en zichtbaar letsel. Uit de verklaringen van de aangeefster blijkt hoe veel indruk de mishandeling op haar heeft gemaakt en hetzelfde geldt, blijkens zijn verklaringen, voor de getuige. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden.
De directe aanleiding voor deze ernstige mishandeling lijkt te zijn geweest dat de verdachte de aangeefster zag met een andere man. Dat de verdachte zijn emoties kennelijk zo slecht onder controle heeft dat dit heeft geleid tot een hevige geweldsuitbarsting, waarbij hij zich niet heeft laten stoppen door het oog van omstanders en de interventies van de getuige, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Bovendien neemt de verdachte geen verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen, maar doet hij zich vooral voor als slachtoffer. Met betrekking tot de feiten op de tenlastelegging heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen en voor wat betreft de overige omstandigheden plaatst de verdachte de schuld met name buiten zichzelf. Dit alles weegt de rechtbank ten nadele van de verdachte mee bij het bepalen van de op te leggen straf.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 april 2026, waaruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet (recent) voor soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een brief van reclassering Nederland over de verdachte. Daaruit volgt dat het niet mogelijk was een reclasseringsadvies uit te brengen, omdat verdachte had aangegeven niet met reclassering in gesprek te willen en zijn verhaal bij de officier van justitie te willen doen.
De straf
Gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit en de overige omstandigheden, zoals hiervoor zijn weergegeven, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste taakstraf van 120 uur passend en geboden.
7. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 17 november 2024 gevorderd dat de bij parketnummer 23/001163-22 door de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 maart 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van 14 maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de bovengenoemde vordering van de officier van justitie af te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank ziet hierin aanleiding de (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke straf te gelasten. Mede gelet op het tijdsverloop sinds het feit en de omstandigheid dat niet blijkt dat de verdachte in de tussentijd wederom in aanraking is gekomen met politie en justitie, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf op dit moment niet opportuun. Zij zal daarom in plaats daarvan gelasten dat de verdachte een taakstraf voor de duur van 120 uur moet verrichten, te vervangen door 30 dagen hechtenis als hij deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (ZESTIG) DAGEN;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast – in plaats van de overwogen last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 14 maanden opgelegd door gerechtshof Amsterdam op 28 maart 2024, gewezen onder parketnummer 23/001163-22 – de tenuitvoerlegging van een taakstraf voor de duur van 120 (HONDERDTWINTIG) UREN, subsidiair 30 (DERTIG) DAGEN vervangende hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2026.