ECLI:NL:RBDHA:2026:11639

ECLI:NL:RBDHA:2026:11639

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer NL26.10196, NL26.10197, NL26.10201 en NL26.10202
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Eisers komen uit Egypte. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de opvolgende asielaanvragen van eisers. Zij zijn het hier niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen. Daarnaast beoordeelt de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvragen in stand kan blijven. Eisers hebben wel nieuwe, maar geen relevante informatie aan hun opvolgende aanvragen ten grondslag gelegd. Verweerder heeft bij zijn beoordeling niet de systematiek van artikel 30a van de Vw miskend. Ook had verweerder eiser 2 niet hoeven horen. Tot slot heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eisers geen reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser 1] , eiser 1

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.10196 (beroep), NL26.10197 (voorlopige voorziening), NL26.10201 (beroep) en NL26.10202 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

v-nummer: [nummer 1] , en

[eiseres] , eiseres

v-nummer: [nummer 2] ,

mede namens haar minderjarige kind,

[minderjarig kind] ,

v-nummer: [nummer 3] , en

[eiser 2] , eiser 2

v-nummer: [nummer 4] ,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. N. Birrou),

en

(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen. Daarnaast beoordeelt de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvragen in stand kan blijven. Eisers hebben wel nieuwe, maar geen relevante informatie aan hun opvolgende aanvragen ten grondslag gelegd. Verweerder heeft bij zijn beoordeling niet de systematiek van artikel 30a van de Vw miskend. Ook had verweerder eiser 2 niet hoeven horen. Tot slot heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eisers geen reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 29 december 2025 opvolgende aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hun eerdere asielaanvragen zijn afgewezen door verweerder.

Verweerder heeft de opvolgende aanvragen van eisers met de bestreden besluiten van 23 februari 2026 in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de eerder opgelegde terugkeerbesluiten en bepaald dat eisers Nederland onmiddellijk moeten verlaten. Daarbij heeft verweerder bepaald dat aan eisers een inreisverbod van twee jaren wordt opgelegd. Het inreisverbod geldt niet voor het minderjarige kind [minderjarig kind] .

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Zij hebben daarnaast verzocht om het treffen van voorlopige voorzieningen.

Op 2 maart 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats een ordemaatregel voor eisers getroffen, om uitzetting van eisers te voorkomen.

De rechtbank heeft de beroepen op 17 maart 2026 samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser 1 en eiser 2, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres (moeder) en zoon [minderjarig kind] waren niet aanwezig. De gemachtigde van eisers heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank en voorzieningenrechter

Feiten en omstandigheden.

3. Eisers komen uit Egypte. Het betreft een gezin van een vader, moeder, zoon [minderjarig kind] en zoon [eiser 2] . Vader (eiser 1) is geboren op [datum 1] 1981. Moeder (eiseres) is geboren op [datum 2] 1985. Haar aanvraag is mede namens haar minderjarige zoon [minderjarig kind] . Hij is geboren op [datum 3] 2011. Zoon [eiser 2] is meerderjarig en is geboren op [datum 4] 2007. Zij hebben allen de Egyptische nationaliteit.

4. Eisers hebben al eerder asielaanvragen ingediend, op 10 september 2022. Verweerder heeft die asielaanvragen op 19 maart 2024 ongegrond verklaard omdat het asielrelaas van eisers niet geloofwaardig is geacht. Eisers zijn volgens verweerder daarom geen vluchtelingen in de zin van het Vluchtelingenverdrag en hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer. Hier zijn eisers tegen in beroep gegaan. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard op 18 november 2025. Eisers zijn hiertegen in hoger beroep gegaan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Het hoger beroep van eisers is op 17 december 2025 ongegrond verklaard. De eerdere besluiten van verweerder staan hiermee in rechte vast.

Op 29 december 2025, vlak voor de uitzetting van eisers naar Egypte, hebben eisers opnieuw asiel aangevraagd. Daarom is hun vlucht geannuleerd. Aan de opvolgende asielaanvragen hebben eisers ten grondslag gelegd dat zij problemen hebben met een islamitische groepering. Nu de schijn is gewekt dat eiseres is bekeerd tot de islam, is zij bang om terug te keren naar Egypte. Zij vreest dat zij daardoor problemen kan ondervinden en niet meer met haar man en gezin mag samenleven. Eiser 1 is veroordeeld en vreest dat hij de gevangenis in moet. Eisers hebben drie nieuwe documenten ten grondslag gelegd aan hun opvolgende aanvraag. De overgelegde documenten onderbouwen volgens eisers de in de eerste procedure aan bod gekomen problemen. Het overgelegde vonnis en de aangifte zien op de strafrechtelijke vervolging van eiser 1 en tonen aan dat hij is veroordeeld voor een gevangenisstraf van zeven jaren. Aan deze veroordeling zou ten grondslag liggen dat eiseres is bekeerd tot de islam en daarom wil scheiden van eiser 1 en dat eiser 1 haar om deze reden heeft ontvoerd. Ook hebben eisers een verklaring overgelegd waaruit zou moeten blijken dat eiseres is bekeerd tot de islam. Hiermee zou dit officieel geregistreerd zijn.

De bestreden besluiten

5. In de bestreden besluiten van 23 februari 2026 heeft verweerder de aanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard onder verwijzing naar de in rechte vaststaande besluiten van 19 maart 2024. Hiermee heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de elementen die eisers hebben overgelegd nieuw zijn, maar niet relevant voor de beoordeling van de opvolgende asielaanvragen.

Verweerder verwijst naar de eerder opgelegde terugkeerbesluiten en vermeldt dat deze nog geldig zijn, wat betekent dat eisers Nederland onmiddellijk moeten verlaten. Ook wordt aan eisers, met uitzondering van minderjarige zoon [minderjarig kind] , een inreisverbod van twee jaren opgelegd.

Voorts heeft verweerder de belangen van minderjarige zoon [minderjarig kind] meegewogen. Hierbij trekt verweerder de conclusie dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van [minderjarig kind] .

Heeft verweerder artikel 30a van de Vreemdelingenwet correct toegepast?

6. Eisers stellen dat verweerder artikel 30a van de Vw onjuist heeft toegepast. Verweerder heeft de aanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van relevante nieuwe elementen of bevindingen. Daarbij is overwogen dat de overgelegde documenten voortbouwen op het in de eerdere asielprocedure ongeloofwaardig geachte relaas en dat de documenten volgens Bureau Documenten waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Met deze motivering wordt de systematiek van artikel 30a van de Vw miskend. De maatstaf is niet of het nieuwe element reeds overtuigend of volledig geloofwaardig is, maar of het op voorhand iedere relevantie mist. De relevantiedrempel bij opvolgende aanvragen is laag, aldus eisers. Eisers stellen dat slechts indien evident vaststaat dat het aangevoerde onder geen enkele omstandigheid kan bijdragen aan een andere uitkomst, niet-ontvankelijkverklaring kan volgen. De vraag of het element uiteindelijk overtuigend is, behoort tot de inhoudelijke asielbeoordeling en niet tot de ontvankelijkheidsvraag. Bovendien stellen eisers dat Bureau Documenten geen definitief oordeel heeft gegeven over de valsheid van de stukken. De bevindingen van Bureau Documenten had verweerder daarom niet zonder nadere inhoudelijke beoordeling mogen gebruiken om te concluderen dat het element op voorhand irrelevant is, aldus eisers. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het beroep kennelijk ongegrond is.

Verweerder verwijst naar Werkinstructie 2023/7 als basis van de niet-ontvankelijkverklaring van een opvolgende asielaanvraag. Daarbij heeft verweerder zich in de eerste fase van de beoordeling op het standpunt gesteld dat eisers nieuwe elementen hebben ingebracht. In de tweede fase van de beoordeling heeft verweerder bevonden dat deze nieuwe elementen niet relevant zijn. Het onderzoek van Bureau Documenten toont dat het proces-verbaal van de politie en het vonnis van de rechtbank qua opmaak en afgifte afwijken van beschikbaar vergelijkingsmateriaal en dat deze allebei waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Ook kloppen de data in de aangifte niet met de dag die daarbij wordt vermeld. Nu het document met betrekking tot de bekering dezelfde namen bevat als de andere twee documenten, werkt de twijfel over de inhoudelijke juistheid van die documenten ten aanzien van dit document door. Tot slot bouwen de documenten voort op een in rechte vaststaand ongeloofwaardig geacht asielrelaas. Verweerder stelt zich op basis van het voorgaande op het standpunt dat hij de opvolgende asielaanvragen niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.

De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van relevante nieuwe elementen of bevindingen.

Zoals de Afdeling in de uitspraak van 10 februari 2026 heeft overwogen, bestaat de beoordeling van opvolgende asielaanvragen die verweerder moet maken uit twee fasen. Fase 1 is het onderzoek of er nieuwe elementen of bevindingen zijn, of door de vreemdeling zijn voorgelegd, in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking komt voor internationale bescherming. Niet ter discussie staat dat hier sprake van is in het geval van eisers. Fase 2 is het onderzoek of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Oftewel: zijn de nieuwe elementen of bevindingen relevant genoeg voor de beoordeling?

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, om te beoordelen of de nieuw ingebrachte informatie relevant is, die informatie dient te onderzoeken. Dit is iets anders dan het inhoudelijk beoordelen van de aanvragen, wat in deze fase nog niet aan de orde is en door verweerder ook niet is gedaan. De rechtbank volgt eisers daarom niet in hun stelling dat verweerder de systematiek van artikel 30a van de Vw heeft miskend door te kijken naar de inhoud van de ingebrachte informatie. Verweerder heeft hierbij de resultaten van het onderzoek van Bureau Documenten mogen betrekken en zich mede gelet op die bevindingen op het standpunt kunnen stellen dat de documenten niet relevant zijn voor de beoordeling van de aanvragen. Ook heeft verweerder daarbij kunnen meewegen dat de documenten voortbouwen op een eerder en in rechte vaststaand ongeloofwaardig bevonden asielrelaas.

De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Had verweerder zoon [eiser 2] moeten horen?

7. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de opvolgende aanvraag van [eiser 2] uitsluitend steunt op een document dat reeds is beoordeeld in de procedure van de vader en geen aanknopingspunten biedt voor een persoonlijk risico. Nu daarmee geen sprake is van relevante nieuwe elementen of bevindingen, heeft verweerder de feiten en belangen voldoende kunnen vaststellen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er onder deze omstandigheden geen aanleiding bestond om zoon [eiser 2] te horen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Heeft verweerder voldoende getoetst aan artikel 3 EVRM?

8. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eisers zo dat verweerder in het licht van het eerdere terugkeerbesluit had moeten toetsen aan het non-refoulementverbod.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het terugkeerbesluit in 2024 aan eisers is opgelegd en in rechte vaststaat. Eisers hebben bij verweerder geen verzoek om opheffing gedaan.

De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van het arrest Ararat in alle fasen van de procedure een actuele beoordeling moet maken van het refoulementrisico. Hoewel verweerder dit niet heeft gedaan onder het kopje dat ziet op het terugkeerbesluit, is de rechtbank van oordeel dat deze beoordeling in de besluitvorming als geheel voldoende is gemaakt. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft verweerder de opvolgende aanvragen van eisers niet-ontvankelijk kunnen verklaren omdat zij geen nieuwe en relevante informatie aan hun aanvragen ten grondslag hebben gelegd. De rechtbank kan volgen dat verweerder hierin geen reëel risico op ernstige schade heeft gezien. Op zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat het afkomstig zijn uit Egypte op zichzelf ook geen ernstig risico met zich brengt. Ook dit kan de rechtbank volgen. Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verweerder naar de op 19 maart 2024 opgelegde terugkeerbesluiten kon verwijzen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen.

10. Gezien deze beslissing op de beroepen, is er geen grond meer voor het treffen van voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daartoe daarom af.

11. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramondt, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaken betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand