RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33689
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. In beroep voert hij een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser meerdere motieven ten grondslag gelegd. Eén van die motieven is dat hij is bedreigd tijdens zijn werk in een café en als gevolg daarvan is achtervolgd en mishandeld. Verweerder vindt het geloofwaardig dat eiser is bedreigd, maar vindt de achtervolging en mishandeling ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op dit standpunt heeft kunnen stellen en kan de motivering van verweerder volgen. Ten aanzien van de asielmotieven die geloofwaardig zijn bevonden, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat deze niet zwaarwegend genoeg zijn. Bij terugkeer naar Libië loopt eiser geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. In Libië is sprake van de laagste gradatie van willekeurig geweld en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele omstandigheden een reëel risico loopt. Voor het oordeel dat sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming die het gevolg zou zijn van communicatieproblemen met de tolk of dat eiser behoort tot een risicoprofiel ziet de rechtbank ook geen aanleiding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 14 oktober 2022 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 augustus 2024 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft daarbij bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten.
Eiser heeft op 28 augustus 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat betrekt de rechtbank bij haar beoordeling?
3. Eiser heeft de Libische nationaliteit en is geboren op [datum] 1995. Aan zijn asielaanvraag legt hij het volgende ten grondslag. In 2014 is hij tijdens een strandbezoek met vrienden door een groep mensen meegenomen, opgesloten en mishandeld omdat zij op basis van zijn achternaam dachten dat hij uit Zaouia komt. In 2019 is hij door de Radaa-militie vijf dagen vastgehouden vanwege het vieren van nieuwjaar. Ook vreest hij voor de militie Ghnawa Al-Kikki. In 2022 is eiser terwijl hij aan het werk was in een café met een revolver bedreigd door [naam] , wegens het niet serveren van koffie in het café waar hij werkzaam was. [naam] is de rechterhand van die militie. Na dit incident is eiser ook achtervolgd en mishandeld. Eiser vreest bij terugkeer naar Libië voor de milities en om weer te worden vastgehouden of gedood.
Wat staat er in het bestreden besluit?
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Verweerder vindt de eerste drie asielmotieven geloofwaardig. Het laatste asielmotief vindt verweerder deels geloofwaardig. Verweerder vindt het geloofwaardig dat eiser in 2022 door [naam] , een lid van de militie Ghnawa Al-Kikki, is bedreigd met de dood wegens het niet serveren van koffie in het café waar hij werkzaam was. Dat eiser na en als gevolg van dit incident is achtervolgd en beschoten door twee auto’s en vervolgens is mishandeld door een groep mannen vindt verweerder niet geloofwaardig.
Verweerder vindt de geloofwaardig bevonden asielmotieven niet zwaarwegend genoeg. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Libië geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Libië komt, is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Bovendien behoort hij niet tot één van de risicogroepen, zoals aangemerkt in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Verweerder stelt zich ook op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Libië geen reëel risico op ernstige schade loopt. Volgens verweerder is in Tripoli, waar eiser vandaan komt, sprake van een relatief lage mate van willekeurig geweld. Aan de hand van eisers verklaringen is ook niet gebleken dat hij vanwege zijn individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij betrekt verweerder ook dat eiser na de incidenten in 2014 en 2019 geen problemen van de zijde van de destijds betrokken milities heeft ondervonden en zich aan deze milities heeft kunnen onttrekken. Daarmee is de vrees bij terugkeer naar Libië niet aannemelijk en is tevens niet aannemelijk dat dergelijke problemen zich nog zullen voordoen in de toekomst. Ook heeft eiser niet aannemelijk weten te maken dat de incidenten in 2014 en 2019 gerelateerd zijn aan de bedreiging in het café in 2022. Hoewel het betreurenswaardig is dat eiser net de verkeerde persoon is tegengekomen, heeft hij niet aannemelijk weten te maken dat deze persoon het persoonlijk op hem voorzien had. Daarom vindt verweerder het niet aannemelijk dat eiser in dat kader nog iets te vrezen heeft.
Verweerder wijst de asielaanvraag daarom af als ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw en draagt eiser daarbij op Nederland binnen vier weken te verlaten.
Heeft de communicatie met de tolk geresulteerd in onzorgvuldige besluitvorming?
5. Eiser voert aan dat het besluit onzorgvuldig is, omdat zich tijdens het aanvullend gehoor van 24 november 2022 communicatieproblemen met de tolk hebben voorgedaan. Dat deze communicatieproblemen niet expliciet zijn vermeld in het rapport aanvullend gehoor, betekent niet dat deze problemen er niet waren. Nog tijdens het gehoor heeft hij kenbaar gemaakt dat hij het idee had dat de tolk hem niet goed begreep. Gelet op deze signalen had het op de weg van verweerder gelegen om vast te stellen of de vertaling juist verliep. Verweerder heeft dit echter ten onrechte nagelaten. Daarbij komt dat de tolk afkomstig was uit Marokko, terwijl eiser zelf uit Libië komt. Hoewel in beide landen Arabisch de officiële taal is, bestaan er substantiële verschillen in dialecten die kunnen leiden tot miscommunicatie.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Volgend op eisers opmerking over het Libisch dialect tegen de tolk tijdens het aanvullend gehoor, stelt verweerder hem de vraag of hij de tolk goed kan begrijpen en verstaan. Eiser bevestigt dan dat hij de tolk begrijpt. Later in het gehoor bevestigt hij dit desgevraagd opnieuw. Op de afsluitende vraag aan het einde van het gehoor of hij nog op- of aanmerkingen heeft over de werkwijze van de tolk, antwoordt eiser tot slot ontkennend. Gelet op deze verklaringen van eiser, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming die het gevolg zou zijn van communicatieproblemen met de tolk. Daarbij betrekt de rechtbank ook bij haar beoordeling dat eiser nalaat om de gestelde miscommunicaties met concrete voorbeelden te onderbouwen in de correcties en aanvullingen op het aanvullend gehoor, de zienswijze of in beroep. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder het deels geloofwaardig kunnen vinden dat eiser in 2022 is bedreigd en mishandeld wegens het niet serveren van koffie?
6. Eiser voert, kort samengevat, aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het laatste asielmotief slechts deels geloofwaardig is. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat de achtervolging en de mishandeling, die het gevolg zijn van het geloofwaardig bevonden incident in het café, ongeloofwaardig zijn. Ook is sprake van een onzorgvuldige besluitvorming.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde achtervolging en de mishandeling na het incident in het café ongeloofwaardig zijn. Daarbij heeft verweerder de volgende argumenten bij de beoordeling kunnen betrekken:
De mannen in de auto’s
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser tegenstrijdig en ongerijmd heeft verklaard over de mannen in de auto’s die hem hebben achtervolgd. De argumenten die verweerder daarvoor heeft gegeven kan de rechtbank volgen. Verweerder heeft het tegenstrijdig kunnen vinden dat eiser eerst heeft verklaard dat hij door twee auto’s met daarin gemaskerde mannen werd achtervolgd en later heeft verklaard dat hij tijdens deze achtervolging het gezicht van één bijrijder had gezien, de bestuurder gemaskerd was en dat de auto’s die hem achtervolgden geblindeerd waren. Verweerder heeft eiser ook kunnen tegenwerpen dat het ongerijmd is dat deze bijrijder zijn gezicht heeft laten zien als de mannen hun identiteit juist probeerden te verbergen met geblindeerde ramen en maskers.
De relatie van deze groep mannen tot [naam]
Verweerder heeft het ook tegenstrijdig kunnen vinden dat eiser heeft verklaard niet te weten wie de mannen zijn die hem hebben achtervolgd, maar ook heeft verklaard dat zij 100% de mannen van [naam] zijn. Hoewel deze achtervolging een logisch gevolg van het incident in het café zou kunnen zijn, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat dit niet wegneemt dat de verklaringen van eiser hierover tegenstrijdig zijn.
De ontsnapping aan deze groep mannen
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook bij de beoordeling kunnen betrekken dat eisers verklaringen over hoe hij is ontsnapt aan de groep mannen niet met elkaar in overeenstemming zijn en de geloofwaardigheid van het verhaal ondermijnen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij een steeg in probeerde te vluchten nadat hij klem werd gereden. Doordat hij daarbij werd geschopt door een van de mannen, viel hij op de grond. Terwijl hij op de grond lag, werd hij geschopt en geslagen door zes mannen. Omstanders uit de buurt die hem kenden riepen dat de mannen hem met rust moesten laten. Door dit geschreeuw raakten de mannen in paniek en lieten ze hem los. Tijdens het aanvullend gehoor heeft eiser verklaard dat hij na zijn val kon opstaan doordat zijn hand in de broekspijp van een van de mannen bleef hangen. Hij probeerde toen te vluchten met alle kracht die hij in zich had. Deze verklaringen heeft verweerder inconsistent kunnen vinden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 januari 2024, heeft verweerder zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat het tegenwerpen van inconsistente verklaringen na afloop van het gehoor niet in strijd is met artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Verweerder heeft daarbij ook bij de beoordeling kunnen betrekken dat eiser heeft nagelaten om in de correcties en aanvullingen of in de zienswijze een verklaring te geven voor de wisselende verklaringen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers argument dat beide verklaringen elkaar niet uitsluiten, geen genoegzame verklaring is voor de inconsistenties in zijn verklaringen. Ook heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat eiser geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij tijdens het nader gehoor en het aanvullend gehoor niet het complete verhaal naar voren heeft gebracht.
De latere bezoeken van deze groep mannen
Verweerder heeft eiser ook tegen kunnen werpen dat hij wisselend heeft verklaard over het aantal keren dat deze groep mannen na afloop van de mishandeling naar hem op zoek is gegaan. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat de groep mannen nog twee keer naar hem op zoek is gegaan. Eén keer zijn zij langsgekomen bij het café waar eiser werkzaam was en één keer stonden zij met twee auto’s in eisers straat. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft eiser opgemerkt dat het niet correct is dat er na de mishandeling vaak twee auto’s voor zijn huis hebben gestaan. Tijdens het aanvullend gehoor heeft eiser vervolgens verklaard dat er nog wat auto’s langs zijn gekomen en naar hem hebben gezocht en dat er meerdere keren naar hem is gevraagd in de buurt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser tegen kunnen werpen dat hij geen verklaring heeft gegeven voor het afleggen van deze wisselende verklaringen.
De gevolgen van de mishandeling
Ten aanzien van de gestelde gevolgen van de mishandeling heeft verweerder zich in de eerste plaats op het standpunt kunnen stellen dat het overgelegde medisch rapport deze niet kunnen ondersteunen. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser geen originele versie van het rapport, dat overigens ook pas ruim twee jaar na het incident is opgesteld, heeft overgelegd. Het rapport kan daarom niet op echtheid worden gecontroleerd. Ook heeft verweerder het opvallend kunnen vinden dat het rapport andere verwondingen benoemt dan de verwondingen waarover eiser heeft verklaard. Volgens eisers verklaring zou het enkel gaan om verwondingen aan zijn been en andere krassen, maar het rapport noemt ook verbrandingen en verwondingen aan zijn rug. Verweerder heeft er daarbij op kunnen wijzen dat eiser enkel in het licht van het incident in 2019 met de Radaa-militie heeft gesproken over laatstgenoemde verwondingen en niet in het licht van het incident in 2022. Dat de overgelegde foto’s volgens verweerder niet tot een andere conclusie moeten leiden ten aanzien van de gestelde gevolgen van de mishandeling, volgt de rechtbank ook. Eiser heeft namelijk geen bewijs overgelegd wanneer deze foto’s zijn gemaakt en zonder een gezicht op deze foto’s kan niet worden afgeleid dat eiser hierop is te zien. Ook voor wat betreft de overgelegde brief van Sanctuary kliniek heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat deze zijn oordeel niet kan wijzigen. Deze brief is namelijk enkel op basis van eigen verklaringen opgesteld en eiser heeft hierop geen toelichting verstrekt.
De videobeelden
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de overgelegde videobeelden eisers asielrelaas niet ondersteunen. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat de eerste video, zoals eiser ook zelf stelt, geen betrekking heeft op hemzelf, maar op zijn broer. Bovendien heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over de gebeurtenis die te zien is op deze video. In de begeleidende brief van 25 augustus 2023 heeft eiser namelijk verklaard dat de video op 17 februari 2023 is gemaakt met de beveiligingscamera van zijn ouders en dat hierop is te zien dat zijn broer wordt ontvoerd door de militie. Dit is een wraakactie, omdat eiser is gevlucht. In beroep heeft eiser vervolgens verklaard dat het om een ander incident gaat waarbij eisers broer is geslagen en zijn auto is afgepakt.
Verweerder heeft ook kunnen betrekken dat de tweede video, waarop de gestelde mishandeling van eiser te zien zou zijn, geen beelden van gezichten bevat en dat daarom niet vastgesteld kan worden dat eiser hierop is te zien. Dat eiser een foto heeft overgelegd waarop hij dezelfde kleding draagt als te zien is in de video, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om de identiteit vast te stellen. Daarnaast heeft verweerder het opvallend kunnen vinden dat de video zou zijn betrokken in eisers aangifte op 26 juli 2022 bij de Libische politie, en hij aan de politie kennelijk de beelden heeft kunnen tonen, terwijl de video volgens eisers verklaringen ten tijde van het nader gehoor (van 25 oktober 2022) nog niet voorhanden was.
Op grond van voormelde argumenten heeft verweerder eiser niet het voordeel van de twijfel hoeven geven voor wat betreft de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over de achtervolging en mishandeling na het incident in het café. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet tot een risicoprofiel behoort?
7. Eiser betwist dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet tot een risicoprofiel behoort. Dat hij niet actief politiek opposant is, maakt niet dat de militieleden hem niet als zodanig beschouwen. Hij heeft immers in het café een weerwoord gegeven aan een lid van de militie.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank volgt verweerder in diens standpunt dat het feit dat eiser eenmalig in conflict is geweest met de Radaa-militie hem nog geen (vermeend) opposant maakt van deze militie. Eiser heeft geenszins onderbouwd waarom hij tot een risicoprofiel zou behoren. Ook ter zitting heeft eiser desgevraagd niet kunnen toelichten tot welk risicoprofiel zoals opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (C) hij stelt te behoren. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld?
8. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij geen risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Er is namelijk nog steeds sprake van een hoge mate van willekeurig geweld in Libië. In dat kader verwijst hij naar het Algemeen Ambtsbericht Libië van februari 2023. Zelfs als sprake zou zijn van een beperkt niveau van willekeurig geweld, loopt hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico op ernstige schade. De verschillende incidenten die hij heeft meegemaakt vormen een patroon van ernstige bedreigingen en geweld en maken het aannemelijk dat hij in de toekomst opnieuw het doelwit kan worden van willekeurig geweld. Verweerder laat na om deze individuele ervaringen in samenhang te beschouwen met de bredere mensenrechtensituatie in Libië. Daarbij wijst eiser op de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met zijn verwijzingen naar het meest recente Algemeen Ambtsbericht Libië van juli 2025 en een tweetal rechtbankuitspraken deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er in Tripoli geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld zo hoog is dat een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. Door eiser is niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de situatie in Tripoli ten onrechte kwalificeert als een zogenoemde 15c-situatie in de laagste gradatie.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van individuele omstandigheden die maken dat eiser bij terugkeer het risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat de omstandigheden die eiser in dit kader aanhaalt er niet toe leiden dat hij meer risico loopt op willekeurig geweld dan anderen. De argumenten die verweerder daarvoor geeft, kan de rechtbank volgen. Zo zit er een lange periode tussen de verschillende incidenten (2014, 2019 respectievelijk 2022) en heeft eiser geen causaal verband kunnen aantonen tussen deze incidenten. Verder heeft eiser verklaard dat hij na 2019 niets meer van de Radaa-militie heeft vernomen, waaruit verweerder heeft kunnen afleiden dat de Radaa-militie geen bijzondere belangstelling meer voor eiser had of naar hem op zoek was. Verweerder heeft het daarom niet aannemelijk kunnen vinden dat dergelijke problemen zich nog een keer in de toekomst zullen voordoen. Dat verweerder zich op het standpunt stelt dat eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 hem niet kan baten, kan de rechtbank ook volgen. Verweerder heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser juist op basis van zijn persoonlijke omstandigheden door zijn enkele aanwezigheid in Libië een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege willekeurig geweld. De beroepsgrond slaagt niet.
Wat is de conclusie?
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser de gevraagde asielvergunning niet krijgt.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.