RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20798
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: [naam 1]).
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft op 22 april 2026 het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen een versie van de machtiging tot binnentreden toe te sturen waarbij de handtekening verifieerbaar is. Verweerder heeft de machtiging tot binnentreden op 23 april 2026 geüpload in het digitale dossier. Eiser heeft hierop, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet gereageerd.
Op 24 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten, nadat verweerder en eiser (al dan niet stilzwijgend) toestemming hadden gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring niet heeft bestreden. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de VW kan daarom de bewaring dragen en op de grondslag van 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw hoeft niet meer te worden ingegaan.
Elektronische handtekening op de machtiging tot binnentreden
3. Eiser betoogt dat de machtiging tot binnentreden een gebrek bevat, omdat niet kan worden geverifieerd of deze op de juiste wijze is ondertekend. Omdat eiser dit niet kan verifiëren kan hij niet controleren of het binnentreden rechtmatig is gebeurd.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is de machtiging tot binnentreden op de juiste wijze ondertekend. Op de zitting voer eiser aan dat de elektronische handtekening onder de machtiging tot binnentreden niet geverifieerd kon worden. Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder de mogelijkheid gegeven om alsnog de originele machtiging tot binnentreden in het digitale dossier te plaatsen. Verweerder heeft op 23 april 2026 de originele machtiging tot binnentreden in het digitale dossier geplaatst. Uit deze machtiging tot binnentreden volgt dat de machtiging geldig is en dat de machtiging op 8 april 2026 digitaal is ondertekend. Dat heeft de rechtbank zelf kunnen verifiëren. Er was dus sprake van een geldige (ondertekende) machtiging tot binnentreden op het moment dat werd binnengetreden. Van een gebrek is dus geen sprake, deze beroepsgrond slaagt niet.
Zorgvuldigheid van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling
5. Eiser betoogt dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring blijkt dat gebruik is gemaakt van een tolk in de Engelse taal, terwijl de moedertaal van eiser Wolof is. Volgens eiser is hier sprake van een gebrek, wat dient te leiden tot de onrechtmatigheid van het besluit en tot toekenning van schadevergoeding.
6. De rechtbank overweegt dat inderdaad volgens het proces-verbaal gebruik is gemaakt van een tolk in de Engelse taal. Dat geen gebruik is gemaakt van een tolk Wolof, betekent echter niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Niet is betwist dat eiser de Engelse taal machtig is en dat hij de tolk heeft begrepen. Zoals terecht door verweerder is opgemerkt heeft eiser bij aanvang van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij de tolk goed verstaat en begrijpt. Uit de antwoorden van eiser is ook niet af te leiden dat eiser de tolk niet goed kon volgen. Ook heeft eiser aan het eind van het gehoor verklaard alles te hebben begrepen. Daarnaast heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 13 mei 2025, waarbij een telefonische tolk Frans aanwezig was, verklaard het gesprek in het Engels te willen voeren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het gebruik van een tolk Engels eiser in zijn belangen heeft geschaad of dat sprake is van een gebrek dat tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit moet leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser betoogt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hiertoe voert hij aan dat hij wist van de afwijzing op zijn asielaanvraag, maar dat hij zich beschikbaar heeft gehouden op het AZC in Delfzijl en niet is vertrokken. Ook ligt er een removal order voor eiser, waardoor een inbewaringstelling niet proportioneel is. Daarnaast voert hij aan dat het niet toepassen van een lichter middel dan de inbewaringstelling onvoldoende is gemotiveerd in de maatregel. In het tekstblok wordt het land Azerbeidzjan genoemd als land van herkomst van eiser, wat er volgens hem op wijst dat de motivering van verweerder gebaseerd is op een standaard tekst. Ten slotte voert eiser aan dat zijn persoonlijke omstandigheden niet zijn meegenomen bij de beoordeling of een lichter middel mogelijk is.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de maatregel voldoende gemotiveerd heeft dat in dit geval geen andere afdoende, maar dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder verwijst daarbij in eerste instantie terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Deze gronden zijn door eiser niet betwist. Daarnaast volgt uit de maatregel onder andere dat eiser al meerdere asielaanvragen heeft ingediend, die niet tot een verblijfsvergunning hebben geleid. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser meermalen heeft verklaard niet mee te werken aan zijn uitzetting naar Senegal bij een volgende afwijzing van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de eenmalige verwijzing naar Azerbeidzjan in de maatregel een kennelijke verschrijving is. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. In de motivering is verder alleen naar Senegal verwezen, het land van herkomst van eiser. Dat verweerder in de maatregel van bewaring een standaard tekstblok heeft gebruikt en dat deze motivering niet zou volstaan, volgt de rechtbank niet. Dat verweerder mogelijk een tekstblok heeft overgenomen uit een andere zaak van een Azerbeidzjaanse vreemdeling, betekent op zichzelf niet dat de inhoud van deze tekst (met vervanging van Azerbeidzjan door Senegal) niet van toepassing zou zijn op eiser. Eiser heeft hierover ook niet concreets aangevoerd. Ook heeft eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd, die zouden moeten leiden tot het opleggen van een lichter middel of die de detentie onevenredig bezwarend maken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.