RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18969
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
(gemachtigde: mr. M.F. Aly).
Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk een significant risico uit voort dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Voortraject
2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het binnentreden onrechtmatig heeft plaatsgevonden. De machtiging tot binnentreden is elektronisch ondertekend, maar de handtekening kan niet worden geverifieerd.
3. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de handtekening op de machtiging niet verifieerbaar was in het document dat in de processtukken zat. De rechtbank heeft verweerder de gelegenheid geboden alsnog een verifieerbare machtiging aan het dossier toe te voegen. Verweerder heeft na afloop van de zitting het digitale bestand van de machtiging met een verifieerbare handtekening ingediend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de machtiging op de juiste wijze is ondertekend en rechtsgeldig is. Gelet op hetgeen hieronder is overwogen heeft de rechtbank de reactie van de gemachtigde van eiser op het nadien ingediende stuk van verweerder niet afgewacht.
4. De rechtbank is van oordeel dat de elektronische handtekening op de machtiging van binnentreden niet verifieerbaar is. Het bestand dat later door verweerder is ingediend bevat een andere datum, 10 maart 2026, en andere naam van de ondertekenaar dan vermeld staat op de machtiging tot binnentreden in het procesdossier. Dit wijst erop dat het bestand geen betrekking heeft op de machtiging die ten grondslag is gelegd aan het binnentreden van de woning.
5. Nu deze elektronische handtekening in het dossier niet geverifieerd kan worden, kan niet worden vastgesteld of er sprake is van een geldige handtekening en van een rechtsgeldige machtiging tot binnentreden. Uit artikel 6 van de Algemene Wet op het Binnentreden volgt dat een machtiging tot binnentreden ondertekend moet zijn. Er kan dan ook niet worden nagegaan of hieraan voldaan is. Dit is een gebrek in het voortraject. Volgens vaste jurisprudentie maakt een onrechtmatigheid in het voortraject de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
Belangenafweging
6. Gelet op de aard van de maatregel, de aard van het gebrek en de aan verweerder geboden gelegenheid het gebrek te herstellen, de omstandigheid dat de binnentreding mogelijk onrechtmatig is geweest en er geen zwaarwegende belangen van de zijde van verweerder zijn aangevoerd, staan de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank betrekt bij haar uitspraak tevens dat er op 13 april 2026 een voorlopige voorziening is toegewezen aan eiser op grond van artikel 64 van de Vw en hij niet mag worden uitgezet totdat verweerder een besluit heeft genomen op het bezwaar. Dit betekent dat de inbewaringstelling van de vreemdeling onrechtmatig is.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd, hoeft daarom niet meer te worden besproken.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
9. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 15 april 2026.
10. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 15 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.800,-.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 15 april 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.800,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.