RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer [nummer], eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34475
(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. M. Latul en mr. I.A.G. Lodders).
Het verloop van de procedure
1. Op 31 oktober 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 15 juni 2022.
2. Bij besluit van 20 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
3. Eiser heeft beroepsgronden tegen het bestreden besluit ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M. Latul. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
5. Vervolgens heeft verweerder eiser aanvullend gehoord, een aanvullend voornemen uitgebracht en – na ontvangst van de zienswijze van eiser op dat voornemen – op 3 oktober 2025 een aanvullend besluit genomen op eisers asielaanvraag (het aanvullende besluit).
6. Eiser heeft schriftelijk gereageerd op het aanvullende besluit. Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 opnieuw op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. I.A.G. Lodders. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
De beoordeling van het beroep
Het individuele asielrelaas van eiser doet niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit op het moment dat het werd genomen.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk
8. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft inmiddels op deze aanvraag beslist, zodat eiser geen belang meer heeft bij een oordeel van de rechtbank over dit onderdeel van zijn beroep.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt voor dit onderdeel van het beroep. De hoogte van deze kosten wordt later in deze uitspraak vastgesteld.
Het beroep is mede gericht tegen het bestreden besluit en het aanvullende besluit
11. Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Het beroep van eiser is dus mede gericht tegen het bestreden besluit.
12. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het aanvullende besluit bevat een aanvullende motivering van de afwijzing van eisers asielaanvraag en kan daarmee worden beschouwd als een besluit tot wijziging van het bestreden besluit. Het beroep van eiser is dus ook gericht tegen het aanvullende besluit.
De algemene veiligheidssituatie in Syrië/Latakia ten tijde van het bestreden besluit leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep
13. Het is de taak van de bestuursrechter om de rechtmatigheid van het bestreden besluit te toetsen aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden. Dat is niet anders in een asielzaak waarin de algemene situatie in het land van herkomst sterk is gewijzigd nadat het bestreden besluit is genomen. De rechtbank beoordeelt daarom eerst de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Daarna worden de ontwikkelingen van na het bestreden besluit beoordeeld.
14. Ten tijde van het bestreden besluit kwamen asielzoekers uit Syrië in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op enkele uitzonderingen na. Een van die uitzonderingen was vrijwillige terugkeer naar Syrië. Eiser heeft verklaard dat hij in 2020 vanuit Iran per vliegtuig naar Syrië is teruggekeerd. Eiser heeft niet gesteld dat deze terugkeer niet vrijwillig was of dat hij bij of na zijn terugkeer problemen heeft ondervonden met de toenmalige autoriteiten. Weliswaar heeft eiser aanvankelijk als beroepsgrond aangevoerd dat hij kort voor zijn vlucht uit Syrië in 2022 als reservist is opgeroepen, maar deze beroepsgrond heeft hij ter zitting van 10 juli 2025 ingetrokken. Of verweerder eisers verklaringen over de reservistendienst terecht ongeloofwaardig heeft geacht, hoeft de rechtbank dus niet meer te beoordelen. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiser ten tijde van het bestreden besluit aanspraak kon maken op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vanwege de algemene situatie in Syrië.
15. Eiser heeft verklaard over dat hij in 2018/2019 een keer is mishandeld en dat alevieten spullen van hem afnamen zonder daarvoor te betalen. Verweerder merkt onweersproken op dat deze problemen voor eiser geen reden waren om Syrië te verlaten en dat hij daarna vrijwillig naar Syrië is teruggekeerd vanuit Iran. De beroepsgrond over de reservistendienst heeft eiser ingetrokken, zoals hierboven al is opgemerkt. De conclusie is dat het individuele asielrelaas van eiser niet afdoet aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit ten tijde van het nemen daarvan.
Verweerder acht de gestelde problemen met [naam 3] niet ten onrechte ongeloofwaardig
16. Tijdens beide zittingen en tijdens het aanvullend gehoor heeft eiser naar voren gebracht dat vier gewapende mannen kort voor de zitting van 10 juli 2025 een inval hebben gedaan in zijn huis in Latakia. Hun leider maakte zich bekend als [naam 3] en de mannen waren op zoek naar eiser. De mannen hebben enkele gezinsleden van eiser mishandeld en vernielingen aangericht. Eisers vrouw en kinderen zijn vervolgens naar een familielid gevlucht. Eiser koppelt deze gebeurtenis aan een incident kort voor zijn vlucht uit Syrië in 2022. Twee mannen op de markt kregen ruzie en gingen met elkaar op de vuist. Eiser kwam tussenbeide en werd vervolgens mishandeld door [naam 3], een van de vechtende mannen. Eiser zei toen dat hij aangifte ging doen en die aangifte heeft hij ook gedaan. [naam 3] is kennelijk uit op wraak.
Verweerder acht deze verklaringen van eiser om meerdere redenen ongeloofwaardig.
17. Als de rechtbank het goed begrijpt, neemt verweerder op zichzelf wel aan dat het incident op de markt heeft plaatsgevonden en dat eiser daarvan aangifte heeft gedaan. Verweerder ziet echter niet in hoe [naam 3], die volgens eiser direct na het incident is gevlucht, van de aangifte door eiser op de hoogte is geraakt. Dit argument van verweerder volgt de rechtbank niet. Eiser verklaart dat hij tegen [naam 3] heeft gezegd dat hij aangifte ging doen en [naam 3] zou toen hebben gezegd dat hij dat dan maar moest doen. Alleen al hierom is het niet vreemd dat [naam 3] ervan uitgaat dat eiser inderdaad aangifte heeft gedaan. Ook eisers verklaring dat de politie meteen naar de markt is gekomen en naar [naam 3] heeft gezocht en dat [naam 3] dat van anderen kan hebben vernomen, is op zichzelf niet onaannemelijk.Verweerder stelt zich echter niet ten onrechte op het standpunt dat eiser over de verdere gebeurtenissen geen overtuigende verklaringen heeft afgelegd. Zo stelt eiser dat [naam 3] na het incident op de markt is gevlucht naar Idlib en zich heeft aangesloten bij gewapende tegenstanders van het regime van Assad, omdat Idlib het enige gebied in Syrié is waar het toenmalige regime het destijds niet voor het zeggen had. Eiser leidt dit af uit het gegeven dat [naam 3] na het incident op de markt niet meer is gezien. Het is op zich mogelijk dat [naam 3] naar Idlib is gegaan, maar meer dan een vermoeden van eiser is dat niet. Verder acht verweerder niet aannemelijk dat [naam 3] zo lang na het incident nog wraak zou willen nemen op eiser. Eisers verklaring dat dit waarschijnlijk zo lang heeft geduurd omdat [naam 3] problemen met het regime verwachtte als hij eerder wraak zou nemen, is onvoldoende. Op zich valt niet uit te sluiten dat [naam 3] vreesde voor het regime van Assad, maar ook na de val daarvan heeft het nog meer dan een half jaar geduurd voordat de mannen volgens eiser de inval deden.
Verder acht verweerder het niet ten onrechte vreemd dat eiser pas in de aanvullende zienswijze naar voren heeft gebracht wat er op het uniform/de kleding van de mannen stond, terwijl hij hierover in het aanvullend gehoor en de correcties en aanvullingen niets heeft verklaard. Eiser is uitgebreid bevraagd over wat hij kan vertellen over de mannen/de militie, zodat het voor de hand had gelegen dat hij deze informatie tijdens het aanvullend gehoor of anders in ieder geval in de correcties en aanvullingen had gegeven. Verweerder weegt niet ten onrechte in het nadeel van eiser mee dat hij dit niet heeft gedaan.
Verder verschillen partijen van mening over de objectiviteit van de bron van eisers verklaringen en de bewijskracht van de overgelegde foto’s. Op zichzelf is er geen reden om op voorhand geen geloof te hechten aan verklaringen van familieleden of foto’s. Verweerder stelt zich gelet op het voorgaande echter niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen over de inval van de militie ongeloofwaardig zijn en dat de overgelegde foto’s dat niet anders maken. Overigens is op de foto’s wel te zien dat het huis mogelijk is doorzocht, maar niet of in elk geval onvoldoende duidelijk is daarop te zien dat er vernielingen zijn aangericht, zoals eiser stelt. Ook gelet hierop volgt de juistheid van eisers verklaringen niet uit de foto’s.
De conclusie is dat eisers betoog over de inval niet kan leiden tot gegrondverklaring van het beroep.
Verweerder heeft eisers beroep op de huidige algemene veiligheidssituatie in Syrië/Latakia onvoldoende zorgvuldig beoordeeld en niet deugdelijk gemotiveerd verworpen
18. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het aanvullende besluit niet is ingegaan op het betoog van eiser dat terugkeer naar Latakia/Syrië voor hem niet verantwoord is vanwege de huidige algemene veiligheidssituatie aldaar. Dit betoog had eiser voorafgaand aan de zitting van 10 juli 2025 al gevoerd en in de aanvullende zienswijze is hij – zij het summier – nader ingegaan op de algemene veiligheidssituatie. Het had op verweerders weg gelegen om daarop te reageren in het aanvullende besluit, wat hij niet heeft gedaan. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit en het aanvullende besluit en vernietigt zij deze besluiten wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Het bestreden besluit was weliswaar rechtmatig op het moment dat het werd genomen, maar moet gelet op de ex nunc beoordeling van het beroep delen in het lot van het aanvullende besluit.
19. In beroep is verweerder nader ingegaan op de algemene veiligheidssituatie in Syrië in het algemeen en Latakia in het bijzonder. Daarmee heeft verweerder het gebrek in de besluitvorming onvoldoende hersteld. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
20. Ter onderbouwing van zijn beroep op de slechte algemene veiligheidssituatie heeft eiser onder meer gewezen op de uitspraak van 11 december 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (ECLI:NL:RBDHA:2025:23822). Ter zitting van 13 februari 2026 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat ook deze zittingsplaats een Syrische asielzaak meervoudig heeft behandeld met het oog op de algemene veiligheidssituatie in Syrië, waarbij de eiser in de betreffende zaak afkomstig was uit Homs. De rechtbank heeft partijen meegedeeld dat zij de beslissing in de zaak van eiser mogelijk aanhoudt tot nadat de meervoudige kamer uitspraak heeft gedaan. Dat heeft de rechtbank vervolgens ook gedaan. Bij uitspraak van 23 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:7137) heeft deze rechtbank en zittingsplaats een oordeel gegeven over de algemene veiligheidssituatie in Syrië (en dus niet alleen die in Homs). Vanaf 6.15 van die uitspraak heeft de rechtbank dit oordeel gemotiveerd, met als conclusie in 6.16 dat verweerders beleid in paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, inhoudend dat er in heel Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld, niet is gebaseerd op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering. Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid, in elk geval binnen deze zittingsplaats, zal de rechtbank dit oordeel volgen. Verweerders nadere toelichting in beroep maakt weliswaar duidelijk dat de algemene veiligheidssituatie in Latakia in de periode voorafgaand aan de zitting van 13 februari 2026 is verbeterd, maar deze toelichting is onvoldoende om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en het aanvullende besluit in stand blijven. In deze toelichting is verweerder namelijk niet of onvoldoende kenbaar ingegaan op alle omstandigheden die de rechtbank volgens haar uitspraak van 23 maart 2026 van belang acht in het kader van de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie in Syrië.
De rechtbank heeft ervan afgezien om het onderzoek te heropenen om partijen te laten reageren op de uitspraak van 23 maart 2026. Daarbij is van belang dat de uitspraak van 23 maart 2026 in essentie op hetzelfde neerkomt als de uitspraak van 11 december 2025 van zittingsplaats Haarlem, waarover partijen zich al hebben uitgelaten.
Conclusie
21. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en gegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit en het aanvullende besluit. De rechtbank vernietigt deze besluiten wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.
22. Uit overweging 20 volgt dat er geen reden is om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. Zelf in de zaak voorzien kan de rechtbank evenmin, omdat het allereerst aan verweerder is om de algemene veiligheidssituatie in (Syrië en) Latakia opnieuw te beoordelen op de in de uitspraak van 23 maart 2026 beschreven wijze en daarbij ook in te gaan op de persoonlijke omstandigheden van eiser voor zover die in dit kader van belang zijn. De rechtbank draagt verweerder daarom op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser.
23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 10 juli 2025, 0,5 punt voor de reactie van eiser op het aanvullende besluit (zienswijze na bestuurlijke lus) en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 13 februari 2026 (nadere zitting na tussenuitspraak), met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 0,5 voor het indienen van het beroepschrift en wegingsfactor 1 voor de andere proceshandelingen. Voor het indienen van de beroepsgronden tegen het bestreden besluit wordt geen vergoeding toegekend, omdat wat daarin is aangevoerd niet heeft bijgedragen aan de gegrondverklaring van het beroep).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;- verklaart het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit en het aanvullende besluit;- vernietigt het bestreden besluit en het aanvullende besluit;- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.