RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer [nummer], eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.40410
(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).
Het verloop van de procedure
1. Voor een weergave van het verloop van de procedure tot 13 augustus 2025 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum (ECLI:NL:RBDHA:2025:15446; de tussenuitspraak). Daarbij past de aanvulling/correctie dat het beroep van eiser, ingesteld op 28 december 2023, oorspronkelijk was gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Dit beroep is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het besluit van 17 juni 2024, waarbij verweerder de asielaanvraag van eiser heeft afgewezen (het bestreden besluit).
2. Na de tussenuitspraak heeft verweerder eiser aanvullend gehoord, een aanvullend voornemen uitgebracht en – na ontvangst van de zienswijze van eiser op dat voornemen – op 5 december 2025 een aanvullend besluit genomen (het aanvullende besluit).
3. Eiser heeft zijn zienswijze op het aanvullende besluit gegeven en verschillende stukken overgelegd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 opnieuw op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het oordeel van de rechtbank
De tussenuitspraak
5. In 4.5 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank – na het beoordelen van eisers beroepsgronden – geconcludeerd dat het bestreden besluit, beoordeeld naar de situatie op dat moment, rechtmatig is.
6. Na het bestreden besluit is de algemene situatie in Syrië drastisch gewijzigd door de val van het regime van Assad. Eiser vreest bij terugkeer, kort samengevat, voor de nieuwe machthebbers en voor de algemene veiligheidssituatie in Syrië/Damascus.
7. In 4.9 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de risico’s die eiser bij terugkeer naar Syrië naar gesteld loopt in verband met de vervulling van zijn militaire dienstplicht bij de veiligheidsdienst van Assad en vanwege de werkzaamheden van zijn familieleden onder Assad betrokken moeten worden bij de beoordeling van het beroep. Het ligt in de rede dat verweerder eiser hierover aanvullend hoort en vervolgens een aanvullend besluit neemt, zo overwoog de rechtbank in 4.10 van de tussenuitspraak.
8. In 4.11 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat een aanvullend besluit naar verwachting een aantal maanden op zich zal laten wachten en dat er in die periode het nodige kan gebeuren. Gelet daarop heeft de rechtbank het beroep van eiser op de huidige algemene veiligheidssituatie in Syrië om redenen van proceseconomie niet inhoudelijk beoordeeld in de tussenuitspraak.
De verdere beoordeling
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk
9. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft inmiddels op deze aanvraag beslist, zodat eiser geen belang meer heeft bij een oordeel van de rechtbank over dit onderdeel van zijn beroep.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt voor dit onderdeel van het beroep. De hoogte van deze kosten wordt later in deze uitspraak vastgesteld.
Verweerder acht de verklaringen van eiser de problemen met een criminele bende in 2021 niet ten onrechte ongeloofwaardig
11. Tijdens het aanvullend gehoor op 29 september 2025 heeft eiser een nieuw asielmotief naar voren gebracht, dat erop neerkomt dat hij in Syrië problemen heeft gekregen met een criminele bende. Verweerder acht eisers verklaringen hierover ongeloofwaardig, onder meer omdat eiser hierover niet eerder heeft verklaard.
12. Het gehoor op 29 september 2025 was het tweede aanvullend gehoor in eisers asielprocedure; ook op 29 maart 2024 heeft een aanvullend gehoor plaats gevonden. Ook tijdens het eerste aanvullend gehoor bracht eiser een nieuw asielmotief naar voren, namelijk dat er invallen in zijn huis zouden zijn gedaan. In 4.4 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank hierover onder meer het volgende overwogen:
“ Van iemand die in Nederland asiel aanvraagt, mag in beginsel worden verwacht dat hij alle relevante feiten en omstandigheden tijdens het nader gehoor naar voren brengt, ook omdat verweerder pas na dat gehoor bepaalt of hij aanleiding ziet voor een aanvullend gehoor, wat meestal niet het geval is. Eiser heeft niet uitgelegd waarom dit niet voor hem zou gelden. De verklaring dat eiser erg moe was tijdens de eerdere gehoren hoefde verweerder evenmin te volgen.”
13. Deze overwegingen uit de tussenuitspraak gelden ook voor de nieuwe verklaringen van eiser tijdens het tweede aanvullend gehoor en maken dat verweerder deze nieuwe verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig acht.Het argument van eiser dat hij het nieuwe asielmotief met documenten heeft onderbouwd en nog verder zal onderbouwen, kan niet tot een ander oordeel leiden. De door eiser in het vooruitzicht gestelde nadere documenten zijn niet overgelegd en de wel overgelegde stukken heeft verweerder in 4.1.1 van het aanvullende voornemen gemotiveerd beoordeeld. Eiser heeft deze beoordeling nauwelijks weersproken en niet weerlegd.
Ook eisers argument dat hij dacht dat hij vanwege de algemene situatie in Syrië zou worden toegelaten en daarom niet tot in detail over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard kan hem niet baten. Eiser is niet voor niets nader en aanvullend gehoord en daarbij is hem uitdrukkelijk voorgehouden dat het van belang is dat hij alles naar voren brengt wat volgens hem van belang zou kunnen zijn. Desondanks heeft eiser tijdens het nader gehoor en het eerste aanvullend gehoor niets verklaard over problemen met een criminele bende.
14. De beroepsgronden die verband houden met de gestelde problemen met de criminele bende slagen dus niet.
Verweerder acht de verklaringen van eiser over de problemen van zijn zoon niet ten onrechte ongeloofwaardig
15. Eiser heeft verder verklaard dat zijn zoon is opgepakt omdat hij een korte broek droeg.Verweerder acht ook deze verklaring ongeloofwaardig, kort gezegd omdat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zowel de periode waarin het een en ander zou zijn gebeurd als over wat er precies zou zijn gebeurd, bijvoorbeeld of zijn zoon op één of twee plaatsen zou zijn vastgehouden.
16. Eiser weerspreekt niet dat zijn verklaringen hierover tegenstrijdig zijn. Hij licht toe dat hij de gebeurtenissen in delen van zijn vrouw heeft vernomen, die hem eerst niet alles vertelde omdat zij hem niet ongerust wilde maken. Deze toelichting acht verweerder niet ten onrechte niet afdoende. Deze verklaring maakt in elk geval niet duidelijk waarom eiser over de periode waarin dit zou zijn gebeurd tegenstrijdig heeft verklaard. Dat zijn vrouw eiser later meer heeft verteld is mogelijk, maar voor verweerder niet controleerbaar. Dit moet voor eisers rekening en risico komen, ook gezien zijn tegenstrijdige verklaringen over de periode waarin de problemen met zijn zoon zouden hebben plaatsgevonden.
17. De beroepsgrond die verband houdt met de gestelde problemen van eisers zoon slaagt dus niet.
Verweerder acht de gestelde vrees van eiser in verband met zijn werkzaamheden onder het regime van Assad niet ten onrechte ongegrond
18. In 4.10 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het in de rede ligt dat verweerder eiser aanvullend hoort over zijn gestelde vrees in verband de vervulling van zijn militaire dienstplicht bij de veiligheidsdienst. Dat heeft verweerder blijkens het rapport van het tweede aanvullend gehoor ook gedaan:
“ Vreest u verder nog voor terugkeer naar Syrië omdat u in het verleden uw militaire dienst hebt vervul[d]?
Ik diende in 2000. Ik denk niet dat ik hierdoor problemen zal krijgen. Ik heb bij de politieke veiligheidsdienst gezeten maar ik was een gewone soldaat.”
Vervolgens heeft eiser in de correcties en aanvullingen gesteld dat aan zijn vrouw vragen over de veiligheidsdienst zijn gesteld en in de aanvullende zienswijze heeft eiser gesteld dat hij vreest voor problemen in dit verband.
19. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eiser houden aan de ondubbelzinnige verklaring die hij hierover tijdens het tweede aanvullend gehoor heeft afgelegd: eiser verwacht in dit verband geen problemen. Als zijn vrouw hierover vragen zou hebben gekregen, had het in de rede gelegen dat eiser hiervan tijdens het tweede aanvullend gehoor melding had gemaakt, wat hij echter niet heeft gedaan.
20. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Verweerder acht de gestelde vrees van eiser in verband met de werkzaamheden van familieleden onder het regime van Assad niet ten onrechte ongegrond
21. Eiser heeft verklaard dat zijn achternaam in Syrië bekend is, omdat een neef en een broer van hem actief zijn geweest onder het regime van Assad. Deze familieleden zijn volgens eiser opgepakt en gedetineerd.Verweerder acht op zich geloofwaardig dat deze familieleden in de problemen zijn gekomen, maar niet dat eiser in verband hiermee soortgelijke problemen heeft te verwachten.
22. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser over dit onderwerp tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd tijdens het tweede aanvullend gehoor. Hij verklaarde eerst met stelligheid dat deze familieleden zijn opgepakt door mensen die bij het huidige regime horen, maar later wist hij dat niet zo zeker meer. Ook was eiser eerst stellig over welke vragen aan deze familieleden zouden zijn gesteld, maar ook daarvan kwam hij later terug. Verweerder heeft dit duidelijk toegelicht en eiser heeft hier onvoldoende tegen ingebracht.
23. De verwijzing van eiser naar informatie van Vluchtelingenwerk Nederland kan hem niet baten. Deze beknopte informatie doet niet af aan de tegenstrijdigheden in eisers verklaringen en ziet zoals verweerder terecht heeft opgemerkt op problemen die gezinsleden ondervinden; eiser behoort niet tot het gezin van zijn broer of neef.
24. Ook de hierop betrekking hebbende beroepsgrond kan dus niet slagen.
Het standpunt van eiser dat hij een uitreisverbod heeft overtreden leidt niet tot het daarmee beoogde doel.
25. Eiser stelt te vrezen voor problemen omdat hij een uitreisverbod heeft overtreden. Verweerder heeft in reactie daarop onweersproken naar voren gebracht dat dergelijke verboden bij terugkeer naar Syrië in de regel zonder problemen worden opgeheven en ook verder zonder gevolgen blijven. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is. Zijn beroep op het uitreisverbod slaagt dus niet.
Verweerder heeft eisers beroep op de algemene veiligheidssituatie in Syrië/Damascus onvoldoende zorgvuldig beoordeeld en niet deugdelijk gemotiveerd verworpen
26. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat terugkeer naar Damascus/Syrië voor hem niet verantwoord is vanwege de algemene veiligheidssituatie aldaar. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser onder meer gewezen op de uitspraak van 11 december 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (ECLI:NL:RBDHA:2025:23822). Ter zitting van 13 februari 2026 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat ook deze zittingsplaats een Syrische asielzaak meervoudig heeft behandeld met het oog op de algemene veiligheidssituatie in Syrië, waarbij de eiser in de betreffende zaak afkomstig was uit Homs. De rechtbank heeft partijen meegedeeld dat zij de beslissing in de zaak van eiser mogelijk aanhoudt tot nadat de meervoudige kamer uitspraak heeft gedaan. Dat heeft de rechtbank vervolgens ook gedaan. Bij uitspraak van 23 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:7137) heeft deze rechtbank en zittingsplaats een oordeel gegeven over de algemene veiligheidssituatie in Syrië (en dus niet alleen die in Homs). Vanaf 6.15 van die uitspraak heeft de rechtbank dit oordeel gemotiveerd, met als conclusie in 6.16 dat verweerders beleid in paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, inhoudend dat er in heel Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld, niet is gebaseerd op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering. Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid, in elk geval binnen deze zittingsplaats, zal de rechtbank dit oordeel volgen. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit niet kon volstaan met een verwijzing naar, kort gezegd, het beleid dat hij ten aanzien van Syrië voert. Met verwijzing naar de uitspraak van 23 maart 2026 verklaart de rechtbank het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit en het aanvullende besluit en vernietigt zij deze besluiten wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Het bestreden besluit was weliswaar rechtmatig op het moment dat het werd genomen, maar moet gelet op de ex nunc beoordeling van het beroep delen in het lot van het aanvullende besluit.
De rechtbank heeft ervan afgezien om het onderzoek te heropenen om partijen te laten reageren op de uitspraak van 23 maart 2026. Daarbij is van belang dat de uitspraak van 23 maart 2026 in essentie op hetzelfde neerkomt als de uitspraak van 11 december 2025 van zittingsplaats Haarlem, waarover partijen zich al hebben uitgelaten.
27. In beroep is verweerder nader ingegaan op de algemene veiligheidssituatie in Syrië in het algemeen en Damascus in het bijzonder. Daarmee heeft verweerder het gebrek in de besluitvorming onvoldoende hersteld, omdat hij in beroep niet kenbaar is ingegaan op alle aspecten die volgens de uitspraak van 23 maart 2026 relevant zijn in dit kader. Bovendien heeft eiser ter onderbouwing van zijn beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn tijdens het tweede aanvullend gehoor niet alleen gewezen op de algemene veiligheidssituatie in Damascus. In reactie op een vraag over de algemene veiligheidssituatie heeft hij namelijk ook gewezen op zijn persoonlijke medische situatie (bladzijde 17 rapport tweede aanvullend gehoor), waarover hij eerder tijdens dat gehoor al had verklaard (bladzijde 2 rapport tweede aanvullend gehoor). Verweerder onderkent de medische problemen van eiser en heeft hem in verband daarmee uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000, maar verweerder heeft niet kenbaar beoordeeld of de medische problemen van eiser hem bovengemiddeld kwetsbaar maken in het licht van de algemene veiligheidssituatie in Damascus. Weliswaar heeft eiser hier in de zienswijze op het aanvullende voornemen en in zijn zienswijze op het aanvullende besluit niet expliciet op gewezen, maar tijdens de zitting heeft eiser dat wel gedaan. Ook los daarvan had het op verweerders weg gelegen om in het aanvullende besluit te reageren op wat eiser hierover naar voren heeft gebracht tijdens het tweede aanvullend gehoor.
Conclusie
28. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en gegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit en het aanvullende besluit. De rechtbank vernietigt deze besluiten wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.
29. Uit overweging 27 volgt dat er geen reden is om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. Zelf in de zaak voorzien kan de rechtbank evenmin, omdat het allereerst aan verweerder is om de algemene veiligheidssituatie in (Syrië en) Damascus opnieuw te beoordelen op de in de uitspraak van 23 maart 2026 beschreven wijze en daarbij ook in te gaan op de persoonlijke omstandigheden van eiser, in het bijzonder zijn medische situatie. De rechtbank draagt verweerder daarom op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser.
30. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 10 juli 2025, 0,5 punt voor de reactie van eiser op het aanvullende besluit (zienswijze na bestuurlijke lus) en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 13 februari 2026 (nadere zitting na tussenuitspraak), met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 0,5 voor het indienen van het beroepschrift en wegingsfactor 1 voor de andere proceshandelingen. Voor het indienen van de beroepsgronden tegen het bestreden besluit wordt geen vergoeding toegekend, omdat wat daarin is aangevoerd niet heeft bijgedragen aan de gegrondverklaring van het beroep).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;
- verklaart het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit en het aanvullende besluit;
- vernietigt het bestreden besluit en het aanvullende besluit;
- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.