Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/103384-25
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. O.J. Much naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 12 juli 2024 te Krimpen aan de Lek, gemeente Krimpenerwaard, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en/of vervaardigen van MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- ( een) tabletteermachine(s)
- ( een) mengmachine(s)
- ( een) vacumeermachine(s)
- stempels voor (XTC/MDMA-)tabletten
- kleurstof(fen)
- weegschalen
- een zeef
- procaïne en
- sealbags
voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat voornoemd(e) goed(eren) en/of voorwerp(en) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feiten(en);
2
hij op of omstreeks 12 juli 2024 te Krimpen aan de Lek, gemeente Krimpenerwaard opzettelijk aanwezig heeft gehad 288,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage (bijlage I) opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op 12 juli 2024 in een bedrijfspand aan de [adres 2] in Krimpen aan den Lek een hoeveelheid MDMA en voorwerpen ten behoeve van de productie van MDMA dan wel XTC pillen zijn aangetroffen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 12 juli 2024 in en om dit pand is geweest.
Aanwezig hebben van verdovende middelen en voorwerpen ten behoeve van de productie van MDMA/XTC
Voor de bewezenverklaring van 'aanwezig hebben' van de ten laste gelegde verdovende middelen is nodig dat de verdachte feitelijke macht over deze middelen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet de verdachte wetenschap hebben gehad van de aanwezigheid van de verdovende middelen of op z’n minst bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de middelen zich in zijn machtssfeer bevonden. Het voorgaande geldt evenzeer voor het voorhanden hebben van de ten laste gelegde voorwerpen ten behoeve van de productie van XTC/MDMA.
Door de verdediging is betoogd dat de verdachte niet wist, noch bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de loods de tenlastegelegde MDMA en voorwerpen aanwezig waren.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte toegang had tot het bedrijfspand. Hij heeft daar in elk geval (op enig moment) een motor en een Playstation aanwezig gehad. Het staat vast dat de verdachte op 12 juli 2024 het pand ook daadwerkelijk uit eigen beweging heeft betreden en daar even heeft verbleven. Hieruit leidt de rechtbank af dat hij toen ook feitelijk heeft kunnen beschikken over de daar aanwezige goederen. Van contra-indicaties die op het tegendeel wijzen, is niet gebleken.
Dat de verdachte ook wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van MDMA en voorwerpen bestemd voor de productie of voorbereiding van de handel daarvan, leidt de rechtbank onder meer af uit de gedragingen van de verdachte ter plaatse. In de eerste plaats is de verdachte op 12 juli 2024 meerdere keren aanwezig geweest bij het pand. Daarnaast heeft hij een bestelbus gehuurd die vervolgens door iemand anders naar het pand is gereden. Verder staat vast dat de verdachte, samen met andere aanwezigen, is weggevlucht nadat de politie langsreed. Nadien heeft de verdachte iemand anders ( [naam] ) het adres van het pand gegeven en hem gevraagd om ongezien een foto te nemen van de stand van zaken bij het pand.
De rechtbank is van oordeel dat – gelet op voorgaande feiten en omstandigheden – van de verdachte een redelijke verklaring mag worden verlangd voor zijn gedragingen en aanwezigheid ter plaatse. Nu de verdachte die redelijke verklaring niet heeft gegeven, komt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van MDMA en voorwerpen die bedoeld zijn voor de productie, dan wel handel in XTC/MDMA.
Medeplegen van de voorbereidingshandelingen
De rechtbank stelt vast dat de verdachte in contact heeft gestaan met medeverdachte [medeverdachte] , die de huurder was van het pand en eerder die dag was aangehouden. Bij die aanhouding is drugs aangetroffen in eenzelfde soort koffer als de koffers die in het bedrijfspand lagen. De rechtbank acht tevens van belang dat [medeverdachte] de eigenaar is van het bedrijf [bedrijf] en uit de Whatsappgesprekken op de telefoon van de verdachte is gebleken dat de verdachte in het bezit was van het tenaamstellingsverslag van een voertuig dat op naam stond van dit bedrijf. Bovendien blijkt uit de camerabeelden van het bedrijventerrein aan de [adres 2] op 12 juli 2024 om 14.50 uur het betreffende voertuig op naam van dit bedrijf bij de loods is geweest en er verschillende goederen werden in- of uitgeladen.
Zoals hierboven reeds is vastgesteld, blijkt uit ook het dossier en zijn eigen verklaring dat de verdachte op 12 juli met anderen bij het pand was en dat hij vervolgens ook met anderen hard is weggereden nadat een politiewagen langsreed.
Op grond van het voorgaande en mede gelet op het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte over zijn aanwezigheid en die van andere personen bij het pand, oordeelt de rechtbank dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen voorwerpen voorhanden heeft gehad ten behoeve van de productie van (en handel in) XTC/MDMA.
Nu de omvang van de rol van de verdachte niet precies kan worden vastgesteld, zal de rechtbank in zijn voordeel uitgaan van een geringe rol. Uit het dossier is van het tegendeel namelijk niet gebleken.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 12 juli 2024 te Krimpen aan de Lek, gemeente Krimpenerwaard, tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en vervaardigen van MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen,
- tabletteermachines
- mengmachines
- vacumeermachine
- stempels voor (XTC/MDMA-)tabletten
- kleurstoffen
- weegschalen
- een zeef
- procaïne en
- sealbags
hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededaders wisten dat voornoemde goederen en voorwerpen bestemd waren tot het plegen van die feiten;
2
hij op 12 juli 2024 te Krimpen aan de Lek, gemeente Krimpenerwaard opzettelijk aanwezig heeft gehad 288,4 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een geldboete van € 5.000,-.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de straf gematigd moet worden en een voorwaardelijk strafdeel passend is.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid MDMA en voorbereidingshandelingen gericht op het bereiden, bewerken, verwerken en vervaardigen van MDMA. Hij heeft samen met anderen in een bedrijfspand professionele machines, grondstoffen en andere goederen die gebruikt worden bij de productie van verdovende middelen, voorhanden gehad.
De verdachte heeft zich daarmee begeven op het terrein van de productie van synthetische drugs. De productie van synthetische drugs gaat gepaard met vele vormen van ernstige criminaliteit en dit heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van synthetische drugs schadelijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid en tot ernstige verslavingsproblematiek kan leiden met alle gevolgen van dien. Ook gaat de productie van synthetische drugs gepaard met de illegale lozing van drugsafval, hetgeen grote schade aan het milieu toebrengt en tot hoge kosten leidt bij de sanering daarvan. Drugscriminaliteit leidt tot ondermijning, waarbij de grens tussen de onderwereld en de bovenwereld vervaagt doordat grote hoeveelheden crimineel geld via witwassen en legale bedrijven de maatschappij in worden gepompt. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze kwalijke gevolgen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het plegen van het onderhavige strafbare feit niet eerder was veroordeeld.
De op te leggen straf
De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank uitgaat van een kleinere rol van de verdachte bij het plegen van de feiten.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
7. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot de op de beslaglijst genoemde voorwerpen geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 3 (drie) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.X. Cozijn, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2026.