[eiser], eiser en verzoeker, hierna eiser
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en ook aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorziening te treffen die ertoe strekt niet te worden uitgezet tot op zijn beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.L. Manouzi als tolk in de Egyptisch-Arabische taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om overname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 10 oktober 2025 aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert aan, onder verwijzing naar het AIDA-rapport van augustus 2025, dat er niet langer meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Kroatië. Volgens dat rapport zijn de problemen in de opvangvoorzieningen niet verbeterd en daardoor is sprake van structurele problemen.
De rechtbank overweegt dat de minister er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uit mag gaan dat Kroatië haar verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. De rechtbank stelt vast dat uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat ten aanzien van Kroatië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is de Afdeling onder meer ingegaan op de onderwerpen (toegang tot de) asielprocedure, pushbacks en opvangvoorzieningen.
De rechtbank is van oordeel dat het door eiser aangehaalde rapport van AIDA van augustus 2025 geen wezenlijk andere beeld schetst over de situatie van Dublinterugkeerders en de opvangvoorzieningen in Kroatië dan uit het eerdere AIDA-rapport daarover al bekend was. Het eerdere AIDA-rapport is door de Afdeling in haar voornoemde uitspraken bij de beoordeling is betrokken. Verder heeft Kroatië met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Mocht eiser na overdracht aan Kroatië van mening zijn dat Kroatië haar verplichtingen - ten aanzien van onder meer de asielprocedure en de opvang - niet nakomt, dan ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
6. Eiser voert verder aan dat hij slachtoffer is geworden van een pushback. Dit is een schending van zijn recht op het indienen van een verzoek om internationale bescherming. Eiser heeft daarnaast verklaard dat hij in Kroatië door de autoriteiten is vernederd. Eiser kampt met angstgevoelens en heeft medische stukken overgelegd. De minister dient dat te betrekken bij de beoordeling in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat deze omstandigheden geen aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken.
De rechtbank overweegt dat als een lidstaat niet verplicht is een asielaanvraag in behandeling te nemen, die lidstaat op grond van artikel 17 van de Dublinverordening een asielaanvraag onverplicht in behandeling kan nemen. In het beleid van de minister staat dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt, onder meer in de situatie dat bijzondere individuele omstandigheden maken dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de behandeling van eisers asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Voor zover de omstandigheden die zijn aangevoerd, zien op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, verwijst de rechtbank naar overwegingen 5.1 en 5.2. Met betrekking tot de medische omstandigheden heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende aanleiding geven om eiser niet over te dragen aan Kroatië of dat Nederland het meest geschikte land is om een eventuele behandeling te ondergaan. Omdat daar geen aanwijzingen voor zijn, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze omstandigheden op zichzelf niet zijn aan te merken als bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de minister de asielaanvraag van eiser aan zich had moeten trekken. Tijdens de overdracht aan Kroatië kunnen er, gelet op artikel 32 van de Dublinverordening, ook medische gegevens worden gedeeld ten behoeve van de medische zorg indien eiser dat nodig acht. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag in stand blijft en dat Kroatië verantwoordelijk is voor die aanvraag. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
Beslissing
De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.61813:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.61814:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen oordeel op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.