RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], van Marokkaanse nationaliteit, eiseres
de minister van Buitenlandse zaken, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.5628
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Karami),
en
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 4 januari 2024 tot verlening van een visum kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.
Op 5 februari 2025 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A. Azouiyat en mr. S. Karami, als waarnemers van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Ook was ter zitting aanwezig: [referent], zoon van eiseres, tevens referent.
Overwegingen
Standpunt van eiseres
Achtergrond
1. Eiseres heeft op 4 januari 2024 verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf bij haar zoon [referent] voor de periode van 15 februari 2024 tot en met 14 mei 2024. Het doel van het verblijf is familiebezoek bij haar zoon en zijn gezin.
Besluitvorming
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Ook bestaat er volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van voldoende sociale en economische binding met Marokko.
3. Eiseres voert aan dat het doel van het verblijf duidelijk is. Zij wil haar zoon in Nederland bezoeken. Haar andere kinderen wonen ook in Nederland en haar dochter heeft zij al bijna tien jaar niet gezien, doordat zij niet naar Marokko kan reizen. Het is onduidelijk waarom eiseres haar doel van verblijf onvoldoende zou hebben aangetoond. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van redelijke twijfel aan de tijdige terugkeer van eiseres naar Marokko. Eiseres heeft er zelf voor gekozen om in 1990 terug te keren naar Marokko. Zij was niet gelukkig in Nederland, miste haar familie en cultuur, en heeft afstand gedaan van haar verblijfsvergunning. Verweerder had niet zonder nadere motivering voorbij mogen gaan aan het feit dat eiseres ruim vijftig jaar in Marokko woont en de daarbij behorende sociale binding. Verder kan eiseres in haar levensonderhoud voorzien van het geld van familieleden – zowel vanuit Nederland als Marokko. Tot slot heeft eiseres op de zitting aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden en daarbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 juli 2025.
Procesbelang
4. De rechtbank buigt zich allereerst over de vraag of eiseres nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het verzochte visum is immers aangevraagd voor een periode in 2024 en die periode is inmiddels voorbij. Uit het beroepschrift en de zitting blijkt dat eiseres nog steeds van plan is om haar zoon in Nederland te bezoeken. Naar het oordeel van de rechtbank is het procesbelang daarmee gegeven.
Beoordeling rechtbank
De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder op de zitting heeft bevestigd dat de familieband tussen eiseres en referent, haar biologische zoon, niet meer in geschil is. Dit betekent dat met name in geschil is of sprake is van redelijke twijfel aan de tijdige terugkeer van eiseres naar Marokko.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit. Weliswaar is de beroepsgrond van schending van de hoorplicht pas ter zitting aangevoerd, maar naar het oordeel van de rechtbank is dit niet in strijd met de goede procesorde. Verweerder heeft op de zitting ook inhoudelijk kunnen reageren op de beroepsgrond.
De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan in het primaire besluit. De rechtbank stelt daarbij voorop dat bij de beoordeling van het vestigingsgevaar het gaat om het voorspellen van toekomstig gedrag, namelijk of eiseres het voornemen heeft om op tijd weer terug naar Marokko te gaan. Het horen biedt dan bij uitstek mogelijkheid om de intenties van eiseres nader te onderzoeken. In deze zaak staat op de, op verzoek van verweerder, ingevulde vragenlijst vermeld dat mevrouw in het bezit was van een verblijfsvergunning en dat zij hiervan afstand heeft gedaan. Verweerder heeft op de zitting aangegeven dat dit 35 jaar geleden was en de situatie gewijzigd kan zijn. De rechtbank acht dat bij uitstek een punt om eiseres over te horen.
Verweerder had het bezwaar dan ook niet kennelijk ongegrond mogen verklaren. Verweerder had juist door middel van een hoorzitting nadere duidelijkheid kunnen verkrijgen.
In het kader van de finale geschilbeslechting merkt de rechtbank voorts nog op dat de echtgenoot en volwassen kinderen van eiseres in Nederland wonen, maar eiseres er 35 jaar geleden zelf voor heeft gekozen, niet lang na de geboorte van referent, om terug te keren naar Marokko, terwijl haar gezin in Nederland bleef wonen. Zonder nadere onderbouwing kan verweerder zich dan niet op het standpunt stellen dat de sociale binding met Marokko onvoldoende is aangetoond dan wel zeer gering is gebleken. Eiseres heeft bijna haar hele leven in Marokko gewoond, inmiddels meer dan vijftig jaar. Verweerder dient dat in het nieuwe besluit dan ook te betrekken.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder daarnaast in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Bruggen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Waal, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.