[naam] , eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser procesbelang?
3. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep.
De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser bij bericht van 31 maart 2026, naar aanleiding van de opmerking in het beroepschrift dat het niet is gelukt contact met eiser te krijgen, verzocht aan te geven of nog contact met eiser wordt onderhouden, of bekend is waar eiser verblijft en of nog procesbelang bestaat. De gemachtigde heeft hierop bij bericht van 7 april 2026 gereageerd. Daarin heeft hij vermeld geen contact met eiser te hebben en niet te weten waar eiser momenteel verblijft. De gemachtigde heeft daarbij opgemerkt dat door de minister geen onderzoek is verricht naar de verblijfplaats van eiser en dat daarom onvoldoende vaststaat dat eiser daadwerkelijk met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken en dat eiser geen procesbelang meer zou hebben.
De rechtbank heeft vervolgens de minister bij bericht van 30 april 2026 verzocht te reageren en aan te geven of bekend is waar eiser verblijft en of eiser MOB staat gemeld. De minister heeft hierop gereageerd en een brief in het dossier geüpload waarin wordt verwezen naar een bijlage met een melding van het COa waaruit blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Daarnaast heeft de minister meegedeeld dat niet is gebleken dat eiser in detentie verblijft of zich inmiddels opnieuw heeft gemeld bij de IND, het COa, de AVIM of de DT&V.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en de informatie van de gemachtigde van eiser en de minister, neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.