Gezag en verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang
Beschikking op het op 14 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.M. Zeeman te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam.
Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 10 juni 2025 is bepaald dat de vader maandelijks € 500,- aan alimentatie voor de minderjarige [de minderjarige] aan de moeder dient te voldoen en is iedere beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 17 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Verzoek en verweer
De moeder heeft haar verzoek gewijzigd en aangevuld en verzoekt de rechtbank nu de vader het recht op omgang met [de minderjarige] voor onbepaalde tijd te ontzeggen en de moeder met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten.
De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd ten opzichte van het moment dat het gezamenlijk gezag ontstond.
De vader heeft mondeling verweer gevoerd tegen de gewijzigde verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op het verzoek van de moeder op grond van artikel 7 van de Verordening (EU) nr. 2019/1111 (Brussel II ter) en is Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Wettelijk kader
De rechter kan op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het eerste en derde lid van artikel 251a BW van overeenkomstige toepassing zijn. Dat artikel bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat de moeder op
9 september 2025 aangifte heeft gedaan tegen de vader van onder meer bedreiging, mishandeling en belaging. Onweersproken is gesteld dat de vader in januari 2026 is veroordeeld voor (in ieder geval) belaging, bedreiging en de vernieling van de autoruit van de nieuwe partner van de moeder. De strafrechter heeft de vader hiervoor onder meer een contactverbod opgelegd alsook een locatieverbod ten aanzien van de woning en de werkplek van de moeder, voor de duur van twee jaar. In verband hiermee draagt de vader een enkelband.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat voor het gezamenlijk gezag in het algemeen is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De rechtbank overweegt dat het, gelet op de leeftijd van [de minderjarige] , aannemelijk is dat er in de komende maanden en jaren verschillende gezagsbeslissingen (bijvoorbeeld ten aanzien van school, zwemles en eventuele hulpverlening voor [de minderjarige] ) over hem moeten worden genomen. Het contact- en locatieverbod maakt het in ieder geval voor de komende periode onmogelijk voor de ouders om contact met elkaar te hebben en staat daardoor in de weg aan een gezamenlijke uitoefening van het gezag over [de minderjarige] . Wijziging in de gezagsverhoudingen is gelet hierop in het belang van [de minderjarige] . Ten aanzien van de suggesties van de vader om het contact via familieleden of advocaten te laten verlopen, merkt de rechtbank op dat het contactverbod niet alleen direct, maar ook indirect geldt. Daar komt bij dat de feiten waarvoor de vader is veroordeeld, voor een belangrijk deel zijn begaan tegen de moeder, zodat ook om die reden van de moeder niet kan worden verwacht dat zij met de vader samen het gezag uitoefent over [de minderjarige] . Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen en haar belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
Omgang
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse
rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek over de
omgangsregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Zoals de rechtbank hiervoor al heeft vastgesteld, heeft de strafrechter een contactverbod en een locatieverbod opgelegd aan de vader. Naar het oordeel van de rechtbank staan deze verboden en de gedragingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen, op dit moment ook in de weg aan contact tussen [de minderjarige] en de vader. Daarbij weegt de rechtbank mee dat onweersproken is gesteld dat [de minderjarige] heeft gezien hoe de vader de moeder heeft geslagen bij de kinderopvang en dat de vader de auto van de moeder heeft klemgereden, terwijl [de minderjarige] bij de moeder in de auto zat. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat niet van de moeder kan worden verlangd dat zij omgang tussen [de minderjarige] en de vader faciliteert.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank de vader het recht op omgang met [de minderjarige] zal ontzeggen. De rechtbank verbindt geen termijnen aan de ontzegging. Een ontzegging van het recht op omgang tussen ouder en kind heeft namelijk volgens vaste jurisprudentie een in tijd beperkt karakter. In ieder geval kan na een periode van een jaar een nieuw verzoek tot vaststelling van de omgang worden ingediend (zie HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045).
Daarbij overweegt de rechtbank ten overvloede dat de ouders in de periode voorafgaand aan de aangifte van de moeder en de veroordeling van de vader met elkaar afstemden wanneer [de minderjarige] bij welke ouder was, met inachtneming van hun werkschema’s. Uit dat wat de ouders hierover hebben verteld, maakt de rechtbank op dat er regelmatig contact was tussen [de minderjarige] en de vader en dat dit contact doorgaans goed verliep. De rechtbank acht het in dit licht van belang dat op den duur wordt bezien of en, zo ja, op welke manier het contact tussen [de minderjarige] en de vader kan worden hersteld. Een onbelast en goed contact met beide ouders is immers in het belang van een evenwichtige (identiteits)ontwikkeling van een kind en dus ook van [de minderjarige] . Dit dient in ieder geval na het aflopen van het contactverbod te worden beoordeeld en kan mogelijk al eerder aan bod komen, indien de betrokken hulpverlening (Stichting Arosa en de reclassering) hiertoe mogelijkheden zien.
BeslissingDe rechtbank:
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 1] 2001 in [geboorteplaats 1] te [land] , het eenhoofdig gezag toekomt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats 2] ;
*
ontzegt de vader het recht op omgang met [de minderjarige] ;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het anders of meer verzochte.