Verdeling van zorg- en opvoedingstaken en alimentatie
Beschikking op het op 24 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Vurdelja te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Meijer te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarige [de minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening te geven over het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 3 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten .
Feiten
- De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2011 tot [datum 2] 2019.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
- De moeder heeft de Macedonische nationaliteit en de vader heeft de Nederlandse nationaliteit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2018 is – voor zover voor onderhavig geschil van belang – :
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt de rechtbank – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2018 en het daaraan gehechte ouderschapsplan – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
De vader voert verweer tegen het verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de wijziging van de zorgregeling.
Beoordeling
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
De ouders hebben op zitting verklaard dat zij het eens zijn over de wijziging van de zorgregeling en de rechtbank verzocht de zorgregeling te wijzigen conform het verzoek van de moeder. Omdat de overeengekomen regeling naar het oordeel van de rechtbank in het belang van [de minderjarige 1] is, zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de ouders en [de minderjarige 1] in Nederland wonen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende onderhoudsverplichtingen) bevoegd om te beslissen op het verzoek over de kinderalimentatie.
Daarbij past de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toe.
Ontvankelijkheid
Een overeenkomst over de verdeling van de kosten van een kind kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). De rechtbank is met partijen van oordeel dat de wijziging in de zorgregeling een rechtens relevante wijziging van omstandigheden is, zodat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie.
Ingangsdatum
Uit artikel 1:402 eerste lid BW volgt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Uit vaste jurisprudentie volgt dat terughoudend moet worden omgegaan met het vaststellen van een alimentatieverplichting met terugwerkende kracht.
De rechtbank overweegt dat de vader vanaf de indienging van het verzoekschrift rekening had kunnen houden met een te betalen bijdrage. De vader heeft bovendien op zitting verklaard dat hij – in strijd met de tussen partijen geldende afspraken – in de periode sinds de indiening van het verzoekschrift (vrijwel) niets heeft bijgedragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] . De rechtbank acht het onder deze omstandigheden redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van indiening van dat verzoek, te weten 24 juni 2025.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige 1] moet worden bepaald aan de hand van het jaarinkomen van de vader in 2025, te weten € 38.051,- bruto per jaar.
Partijen zijn het niet eens over de vraag of bij de bepaling van de behoefte van [de minderjarige 1] rekening moet worden gehouden met de schulden waarop de vader aflost. De rechtbank overweegt daarover als volgt. De reden om de behoefte van een kind opnieuw vast te stellen als het inkomen van één van de ouders na de scheiding hoger is dan het gezamenlijke inkomen van de ouders tijdens het huwelijk, is dat die verhoging ook een positieve invloed zou hebben gehad op het bedrag dat voor het kind zou zijn uitgegeven als het gezinsverband zou hebben voortgeduurd.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat er loonbeslag ter hoogte van € 173,- per maand is gelegd op het loon van de vader. Desgevraagd heeft de vader verklaard dat dit beslag al enkele jaren op zijn loon ligt. Dit is door de moeder niet betwist. Als de ouders en [de minderjarige 1] nog in gezinsverband zouden hebben geleefd, zou het gezin dus geen beschikking over dit bedrag hebben gehad en zou dit geen positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat aan [de minderjarige 1] zou zijn uitgegeven. De rechtbank zal daarom bij de berekening van de behoefte van [de minderjarige 1] dit bedrag van € 173,- per maand in mindering brengen op het netto besteedbaar inkomen.
De vader heeft voorts aangevoerd dat hij € 200,- per maand afbetaalt op een schuld aan zijn broer. De rechtbank laat die afbetaling buiten beschouwing in het kader van onderhavige procedure, omdat niet is aangetoond dat de vader daadwerkelijk aflost op deze schuld.
Uitgaande van de hiervoor ogenomen bedragen, becijfert de rechtbank de behoefte van [de minderjarige 1] in 2025 op € 289,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 302,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding partijen dienen bij te dragen in de behoefte van [de minderjarige 1] . De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2025 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% (NBI – (0,3 x NBI + € 1.310).
Draagkracht van de moeder
De vader stelt dat aan de zijde van de moeder rekening moet worden gehouden met verdiencapaciteit en dat voor de hoogte daarvan uitgegaan moet worden van het laatstverdiende loon, dat volgt uit de stukken betreffende haar WW-uitkering.
De moeder stelt dat zij geen verdiencapaciteit heeft omdat zij niet alleen de zorg over [de minderjarige 1] draagt, maar ook de zorg voor de twee nog zeer jonge halfbroertjes van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] . In verband met persoonlijke problematiek kan [de minderjarige 3] niet naar school of naar de kinderopvang en de vader van de jongens is niet of nauwelijks bij hun verzorging en opvoeding betrokken. De moeder wil graag werken, maar dat is op dit moment in verband met de zorg voor haar kinderen niet mogelijk.
De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden onredelijk zou zijn om verdiencapaciteit aan te nemen aan de zijde van de moeder en zal daarom uitgaan van haar werkelijke inkomen.
Uit de jaaropgave over 2025 blijkt dat de moeder in 2025 een bruto inkomen van € 25.940,- heeft ontvangen. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en een kindgebonden budget van € 550,- per maand, becijfert de rechtbank de draagkracht van de moeder in 2025 op € 158,- per maand.
Vast staat dat de moeder vanaf 1 februari 2026 een bijstandsuitkering ontvangt. Conform de geldende aanbevelingen neemt de rechtbank daarom vanaf 1 februari 2026 geen draagkracht aan de zijde van de moeder aan.
Draagkracht van de vader
Voor de draagkracht van de vader sluit de rechtbank aan bij de uitgangspunten zoals hiervoor bij de vaststelling van de behoefte van [de minderjarige 1] uiteengezet.
De rechtbank becijfert de draagkracht van de vader op € 284,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt in 2025 gezamenlijk € 442,- per maand (€ 158 + € 284). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 284 / 442 x 289 = € 186
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 158 / 442 x 289 = € 103
samen € 289
Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] komt tot 1 februari 2026 een gedeelte van € 186,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 103,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Vanaf 1 februari 2026 heeft de moeder geen draagkracht meer. De draagkracht van de vader is onvoldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank komt daarom voor de periode vanaf februari 2026 niet toe aan een draagkrachtvergelijking en de vader zal zijn gehele draagkracht moeten aanwenden om in de behoefte van [de minderjarige 1] te voorzien. Er is sprake van een tekort van € 18,- (€302 -/- € 284) per maand.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 15. De zorgkorting bedraagt dan in 2025 € 43,- per maand (15 % van € 289) en in 2026 € 45 (15 % van € 302).
Tot en met januari 2026 is er voldoende draagkracht, zodat de vader zijn zorgkorting kan verzilveren. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vader te betalen bijdrage bedraagt dan € 143,- per maand (€ 186 -/- € 43).
Omdat er vanaf februari 2026 sprake is van een tekort van € 18,- per maand, kan de vader de zorgkorting niet volledig verzilveren. Het tekort wordt aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 36,- per maand (€ 45-/- € 9).
Het aandeel van de vader in de kosten van [de minderjarige 1] bedraagt dan € 248,- per maand (€ 284 -/- € 36).
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de behoefte van [de minderjarige 1] en de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling en de beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2018 – :
*
stelt vast dat de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn:
waarbij de vader zal zorgdragen voor het halen en brengen;
*
bepaalt de door de vader met ingang van 24 juni 2025 tot en met 31 januari 2026 te betalen alimentatie voor [de minderjarige 1] op € 143,- per maand;
bepaalt de door de vader met ingang van 1 februari 2026 te betalen alimentatie voor [de minderjarige 1] op € 248,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.