RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59524
(gemachtigde: mr. F. van Bussel),
en
Procesverloop
1. Verzoeker heeft op 1 september 2025 een voornemen ontvangen, waarin staat dat de minister van plan is om zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (Richtlijn) te beëindigen. Met het bestreden besluit van 27 november 2025 is de minister bij dat besluit gebleven en heeft de minister de tijdelijke bescherming beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Op 13 januari 2026 heeft verzoeker een bericht van de minister ontvangen waarin staat dat hij zich binnen twee weken in Ter Apel dient te melden voor zijn asielaanvraag. Om die reden verzoekt hij om een beslissing te nemen op het verzoek om een voorlopige voorziening. De minister heeft hierna op 21 januari 2026 zijn verweer ingediend.
3. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
6. Eiser heeft het spoedeisend belang van de voorlopige voorziening gemotiveerd. Zo maakt hij gebruik van de gemeentelijke opvang voor Oekraïners en werkt hij fulltime op grond van een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. De minister heeft deze spoedeisendheid niet betwist. In het licht van hetgeen eiser hieromtrent heeft gesteld, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een spoedeisend belang.
Redelijke kans van slagen
7. Naar oordeel van de voorzieningenrechter kan niet op voorhand worden uitgesloten dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal houden. Verzoeker heeft gronden aangevoerd tegen het bestreden besluit. Zo wordt betoogd dat eiser onder de bescherming van de Richtlijn valt omdat hij ten tijde van de gebeurtenissen die hebben geleid tot de bescherming van Oekraïners met mevrouw [naam] was gehuwd en met haar samenwoonde en hij thans nog steeds met haar is gehuwd. Een duurzame relatie is, aldus eiser, niet vereist. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat als wordt gevolgd dat niet langer is voldaan aan de vereisten uit de Richtlijn, de minister de verkeerde beëindigingsgrond heeft toegepast. De aangevoerde beroepsgronden roepen vragen op, die zich niet zonder nader onderzoek laten beantwoorden en lenen zich niet voor afdoening in het kader van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat dit geschil in deze voorlopige voorzieningenprocedure niet voldoende zorgvuldig kan worden beoordeeld. Daarmee is sprake van een zaak die een redelijke kans van slagen heeft.
Belangenafweging
8. Eiser geeft aan dat hij belang heeft bij de toewijzing van de voorlopige voorziening. Verzoeker heeft belang bij het behoud van zijn verblijf in de opvang en bij de mogelijkheid om zijn werkzaamheden te blijven verrichten. Het wegvallen van de opvang en het niet kunnen werken heeft voor verzoeker directe gevolgen. Daartegen staat het belang van de minister bij uitvoering van het bestreden besluit. De minister geeft in zijn briefverweer van 21 januari 2026 aan dat hij zich verzet tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. De minister heeft hierbij zijn belang niet nader, althans niet concreet, onderbouwd. Aangezien het belang van de minister om het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen onduidelijk blijft, valt de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet die betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend, wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- draagt de minister op verzoeker hangende het beroep te behandelen alsof hij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.