RECHTBANK DEN HAAG
Beroep tegen een crisismaatregel
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/699317 / FA RK 26-1325
Datum beschikking: 24 maart 2026
Beschikking naar aanleiding van het op 10 februari 2026 ingediend beroep ex artikel 7:6 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) tegen een crisismaatregel, ten aanzien van:
[verzoekster] ,
hierna te noemen: verzoekster,
geboren op [geboortedatum] 1973, [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in [zorginstelling] te [plaats] ,
advocaat: mr. R.M.G. Sussenbach te Amsterdam.
Procesverloop
Bij verzoekschrift heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de door de burgemeester van de [gemeente] op 9 februari 2026 jegens haar opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een beslissing van de burgemeester houdende het opleggen van de crisismaatregel;
- een verslag van het verhoor van verzoekster op 13 februari 2026;
- het aanvullende beroepschrift van 11 maart 2026;
- het verweerschrift van de [gemeente] van 17 maart 2026;
- de brief van de klinisch psychiater, [naam] , van 20 maart 2026;
- de belnotitie van de [gemeente] van 23 maart 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft aanvankelijk plaatsgevonden op 19 maart 2026. Beide partijen hebben het woord gevoerd. Op deze datum is de behandeling van het verzoek aangehouden om verzoekster en de gemeente in de gelegenheid te stellen om aanvullende stukken aan te leveren.
Van de zitting van 19 maart 2026 is een proces-verbaal opgemaakt.
De mondelinge behandeling van het verzoek is voortgezet op 24 maart 2026. Daarbij zijn opnieuw gehoord:
- verzoekster, bijgestaan door haar advocaat.
Ook van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Verzoek
Verzoekster heeft – kort en zakelijk - naar voren gebracht dat zij tijdens het horen door de burgemeester heeft willen aangeven dat er niet goed voor haar gezorgd werd. Ook is niet voldaan aan haar verzoek haar advocaat te spreken.
De advocaat heeft gepleit voor gegrondverklaring van het verzoek. Als zijn cliënte wordt opgenomen wil zij haar advocaat spreken. Mede gelet op eerdere uitspraken van de rechtbank had verzoekster de kans moeten krijgen om in de periode voorafgaand aan de afgifte van de crisismaatregel met haar advocaat te spreken. Tijdens het horen had de gemeente meer rekening moeten houden met de verzoeken van verzoekster. Verzoekster wil graag inzicht hebben in de juridische stukken en met haar advocaat spreken wanneer zij wordt opgenomen. Daarbij betwist de advocaat dat verzoekster ten tijde van het horen door de hoorambtenaar niet in staat zou zijn geweest om met haar advocaat te kunnen spreken.
Verweer
De burgemeester heeft op goede gronden de crisismaatregel afgegeven. In de medische verklaring was naast onderbouwing van een vermoedelijke stoornis en diagnose onder meer het onmiddellijk dreigend nadeel onderbouwd. Hiermee is aan de vereisten van artikel 7:1 Wvggz voldaan. De burgemeester mag vertrouwen op het deskundig oordeel van de onafhankelijk psychiater in de medische verklaring. Ook is door de burgemeester aan de wettelijke hoorplicht voldaan. Verzoekster heeft haar mening over het voornemen om haar een crisismaatregel op te leggen kunnen geven. Tijdens het horen heeft verzoekster laten weten ‘ook al haar advocaten te willen’, zoals kennelijk zo exact mogelijk is weergegeven in het hoorverslag. Navraag bij een medewerker van de zorginstelling wees uit dat verzoekster in de EBK (extra beveiligde kamer) werd verpleegd, op dat moment ging de zorg voor. De crisismaatregel was direct noodzakelijk voor het verlenen van de benodigde zorg, waartegen verzoekster zich verzette. Dat weegt dan zwaarder dat het direct contact opnemen met een advocaat, dat kan op een ander moment ook plaatsvinden.
Beoordeling
Beroep tegen crisismaatregel
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er op 9 februari 2026 sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, en een ernstig vermoeden dat dit nadeel werd veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis van verzoeker. Eveneens is gebleken dat het ernstig nadeel enkel door een crisismaatregel kon worden weggenomen, en dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kon worden afgewacht.
De rechtbank stelt vast dat de [gemeente] bij het afgeven van de crisismaatregel de wettelijke bepalingen in acht heeft genomen en de burgemeester aan de hoorplicht heeft voldaan.
Bij opname in de zorginstelling is verzoekster gehoord door een hoorambtenaar van de [gemeente], namelijk op 9 februari 2026.
Voorafgaand aan en ten tijde van de opname op zondag 8 februari 2026 was er sprake van verbale en fysieke dreiging van verzoekster richting de politie en psychiatrisch personeel. Met betrekking tot de persoon en de omstandigheden blijkt het psychiatrische toestandsbeeld, te weten manische ontregeling bij bekende bipolaire-1 stoornis onder meer uit de medische verklaring. Ook het hoorverslag, te weten de vele verzoeken dan wel eisen, en de politie mutaties geven het beeld van een manische ontregeling met onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, niet alleen voor verzoekster zelf, maar ook voor zorgmedewerkers.
Uit de medische verklaring d.d. 9 februari 2026 blijkt uit het psychiatrisch onderzoek onder 2b, 3c en 5d onder meer dat verzoekster tijdens de beoordeling door de onafhankelijk psychiater fors onrustig was en dat het niet mogelijk was voor de psychiater om verzoekster behandelinhoudelijk te spreken.
Verzoekster is kort daarna door de hoorambtenaar gehoord. Het is aannemelijk dat het door de psychiater geschetste beeld tijdens het horen onverminderd aanwezig zal zijn geweest.
Uit de overlegde stukken van de [gemeente] blijkt dat na opname de prioriteit lag bij het verlenen van verplichte zorg en stabiliseren van het toestandsbeeld van verzoekster. Dit is een goed zorgverlener ook verplicht.
Er was tijdens het horen naar de inschatting van het verpleegkundig personeel van de zorginstelling ruimte om in te gaan op het verzoek van verzoekster om haar advocaat te spreken. Het is de inschatting en beslissing van de zorginstelling of er gezien het toestandsbeeld van verzoekster ruimte is om verzoekster met een advocaat te laten bellen. Dit klemt te meer voor een cliënt die in een EBK (extra beveiligde kamer) verpleegd wordt. Vanwege de veiligheid van het verpleegkundig personeel is het in deze omgeving niet toegestaan om in het bezit te zijn van een telefoon, andere communicatiemiddelen of zaken waarmee gegooid kan worden. Het is een prikkelarme omgeving, waarbij prikkels voor verzoekster zoveel als mogelijk is worden vermeden in het kader van de behandeling van de manische ontregeling.
Gezien het toestandsbeeld, zoals in de stukken beschreven ten tijde van de opname en de periode erna is door het psychiatrisch ziekenhuis besloten om aan verzoekster alleen kortdurend een telefoon te verstrekken, specifiek om haar de gelegenheid te bieden zich te laten horen door de gemeente. Het is in voldoende mate aannemelijk dat het verpleegkundig personeel in redelijkheid tot de beslissing is kunnen komen om verzoekster tijdens het horen niet in de gelegenheid te stellen om ook nog met anderen te bellen.
Voor zover verzoekster het met die beslissing niet eens is, merkt de rechtbank op dat deze afweging van prioriteit ook niet de beslissingsbevoegdheid van de burgemeester regardeert. De burgemeester is geen deskundige op het gebied van de psychiatrie.
De burgemeester kon na lezing van het hoorverslag menen dat er geen reden was om vanwege de inhoud van het hoorverslag de beslissing omtrent de verplichte zorg op te schorten tot een later moment. Verzoekster had voldoende gelegenheid gekregen om haar mening over de crisismaatregel te geven, zoals ook blijkt uit het hoorverslag, waarin zij bezwaren, klachten en verzoeken opsomt.
Verzoekster was op dat moment beoordeeld door de zorginstelling als een cliënt die uit oogpunt van hun zorgplicht in de prikkelarme EBK diende te worden verpleegd.
Er was onvoldoende reden voor de burgemeester om aan te nemen dat hij met het nemen van zijn beslissing zou moeten wachten tot het moment dat verzoekster in staat was geweest contact met een advocaat te leggen.
Onzeker was bovendien wanneer verzoekster met een advocaat zou kunnen spreken, fysiek of telefonisch, om dan daarna opnieuw gehoord te worden. Of haar vaste advocaat ook beschikbaar zou zijn voor een gesprek met verzoekster is eveneens onzeker.
Dat de burgemeester zich door de inhoud van de stukken voldoende geïnformeerd achtte om de beslissing tot afgifte van de crisismaatregel te nemen is in het licht van het bovenstaande dan ook niet onbegrijpelijk of onzorgvuldig.
Verder overweegt de rechtbank dat verzoekster al geruime tijd bekend is binnen het verplichte zorgkader, zoals blijkt uit het historisch overzicht. Verzoekster is ook zelf universitair juridisch geschoold, zoals door haarzelf en haar advocaat in de stukken en ter zittingen meermaals naar voren is gebracht. Verzoekster is dan ook goed bekend met de procedure rondom de afgifte van een crisismaatregel. Het is haar bekend dat de gemeente een afschrift van de crisismaatregel verzendt naar haar stamadvocaat. Niet gesteld noch gebleken is dat de gemeente in deze verplichtingen tekort zou zijn geschoten of deze vertraagd heeft op enige wijze. Haar vaste advocaat krijgt een melding via de piketdienst zodat hij weet dat verzoekster is opgenomen middels een crisismaatregel en dient daarop ook zelf contact met haar opnemen. Verzoekster krijgt op deze wijze ook snel inzicht in de stukken en is bekend met de afgifte daarvan aan haar vaste advocaat.
Verzoekster weet dat op zeer korte termijn na afgifte van de crisismaatregel binnen enkele dagen een zitting bij de rechtbank volgt, waarop zij en haar advocaat gehoord worden. Zij kon dus weten dat aan haar verzoeken omtrent de advocaat en de stukken op korte termijn zou worden voldaan.
Verzoekster stelt nog dat de burgemeester alternatieven had moeten onderzoeken, zoals de mogelijkheid van vrijwillige medewerking aan ambulante behandeling door het FACT-team, maar deze vraag is door de onafhankelijk psychiater onder 4b negatief beantwoord, waarbij is vermeld dat verzoekster zich zowel verbaal als fysiek verzette tegen de zorg.
Uit de aanvulling op het beroepschrift van verzoekster d.d. 11 maart 2026 kan verder worden opgemaakt dat verzoekster kennelijk van mening is dat de behandeling door de burgemeester dezelfde zware toets zou moeten zijn als door de rechter.
De volle toetsing door de rechter tijdens een fysieke zitting met rechtsbijstand van de advocaat en aanvulling van stukken is een andere toets dan die door de burgemeester kan worden gemaakt op basis van de schriftelijke medische verklaring en het hoorverslag.
Ook verwijst verzoekster naar eerdere rechterlijke beslissingen, die als bijlage 3 en 4 aan de aanvulling op het beroepschrift zijn gevoegd. Verzoekster stelt daar onder meer dat zij bij het horen onvoldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunt weer te geven, maar in de onderhavige zaak blijkt uit het hoorverslag dat dit niet het geval is geweest. Het hoorverslag geeft veel verweren en verzoeken van verzoekster weer, zoals door haar tijdens het horen geuit. Verzoekster heeft ook niet gesteld noch is gebleken dat zij onvoldoende gelegenheid zou hebben gekregen om haar bezwaren te uiten die zij op dat moment had.
Van een uitdrukkelijk verzoek tot contact met haar vaste advocaat is evenmin sprake, slechts uitte zij dat zij ‘al haar advocaten wil’. Blijkens het hoorverslag heeft verzoekster dit niet nader gespecificeerd of toegelicht. Als deze uitlating diende te worden opgevat als een tijdens of voor het horen op de burgemeester rustende verplichting tot het benaderen van een advocaat is dit een voor de praktijk onwerkbare verplichting. (Welke advocaat bedoelde zij dan? Is deze dan op dat moment oproepbaar om direct na de kliniek af te reizen of telefonisch met verzoekster een soort van zitting met de burgemeester te houden?)
De rechtbank acht uitdrukkelijk een dergelijke verplichting voor de burgemeester niet aan de orde.
Daarbij merkt de rechtbank op dat er op grond van artikel 7:2 lid 3 Wvggz een wettelijke verplichting rust op de burgemeester om binnen 24 uur na het nemen van de crisismaatregel tot bijstand door een advocaat. Van een dergelijke verplichting voor het nemen van de crisismaatregel is geen sprake.
Nu niet is gebleken dat de beslissing van de burgemeester onrechtmatig of onzorgvuldig is genomen, zal het beroep ongegrond worden verklaard.
Verzoek tot schadevergoeding
Als de wet niet in acht is genomen bij het nemen van een crisismaatregel, kan op grond van artikel 10:12 lid 1 Wvggz een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding worden toegekend.
Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van de verzochte schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen de crisismaatregel van 9 februari 2026 ongegrond;
wijst het verzoek tot toekenning van schadevergoeding af.