[eiseres],
geboren op [geboortedag] 2001, van Indiase nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres
(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S. van der Steen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van het verzoek van eiseres tot wijziging van het verblijfsdoel van een zoekjaar naar verblijf bij haar partner, de heer [referent] (referent).
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 23 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 december 2024 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, referent, de ouders van referent en de gemachtigden van partijen.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
2. Eiseres is met ingang van 1 september 2019 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het doel ‘Studie’ tot 30 november 2023. Met ingang van 8 december 2022 is eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. Deze verblijfsvergunning is verleend met een geldigheidsduur tot
8 december 2023.
Op 26 september 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor het wijzigen van het doel van de verblijfsvergunning naar het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar partner, tevens referent.
Besluitvorming
3. Met het primaire besluit heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat eiseres en referent niet aan het middelenvereiste voldoen. Op papier had referent sinds 1 oktober 2023 een arbeidsovereenkomst bij het bedrijf van zijn moeder ‘[bedrijf]’ voor 40 uur in de week als administratief medewerker. De minister heeft echter geconstateerd dat sprake is van een gefingeerd dienstverband. De minister heeft dit gebaseerd op verschillende tegenstrijdigheden, inconsistenties en ongerijmdheden in de stukken, verklaringen en onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie.
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar afgewezen als kennelijk ongegrond en om die reden van het horen afgezien. Tijdens de bezwaarfase is de bron van inkomsten van referent gewijzigd. De arbeidsovereenkomst bij het bedrijf van zijn moeder is komen te vervallen. De financiële zekerheid wordt nu geregeld via een schenkingsovereenkomst tussen referent en zijn ouders. Volgens de minister kan de schenking echter niet als zelfstandige middelen van bestaan worden gezien, nu niet gesteld noch gebleken is dat referent over de schenking de vereiste belasting afdraagt. Ook is niet aangetoond dat referent met zijn inkomen eiseres en zichzelf duurzaam kan onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op de sociale bijstand. Referent ontvangt ook nog studiefinanciering en dit is een vorm van sociale bijstand. Dat referent na zijn studie hoge kansen heeft op een stabiel inkomen, betreft volgens de minister een onzekere toekomstige gebeurtenis waardoor dit niet wordt betrokken bij de besluitvorming.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank constateert allereerst dat de minister in het verweerschrift naar voren heeft gebracht dat in het bestreden besluit ten onrechte geen belangenafweging in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn is gemaakt. De minister verzoekt de rechtbank echter om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of het gebrek te passeren, omdat de minister de belangenafweging alsnog in het verweerschrift heeft verricht en deze volgens de minister in het nadeel van eiseres en referent uitvalt.
De rechtbank overweegt dat het beroep om die reden gegrond is, nu het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank zal hieronder beoordelen of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.
Is er sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar?
6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden en zij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022. Eiseres is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld het gebrek omtrent het aantonen van de belastingaangifte inzake de schenking te herstellen. Er is daarover geen enkel contact geweest en de minister heeft er geen nadere vragen over gesteld. Daarbij wijst eiseres erop dat zij en referent zonder rechtsbijstand bezwaar hebben gemaakt waardoor zij niet precies wisten wat zij aan documenten moesten indienen.
De minister stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht niet is geschonden. Het lag op de weg van eiseres om een volledige aanvraag in te dienen en de benodigde stukken te overleggen. Eiseres heeft in bezwaar niet toegelicht waarom de gevraagde belasting- en betalingsgegevens ontbraken, noch aangegeven of deze alsnog konden worden verstrekt. Ook is niet eerder om een hoorzitting verzocht of het belang daarvan onderbouwd. Gelet hierop vindt de minister dat er terecht van het horen is afgezien.
De rechtbank overweegt dat het vaste rechtspraak is dat horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan, ook gelet op de verschillende functies van de hoorzitting, zoals het in onderling overleg komen tot een oplossing en het geven van nadere informatie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten onrechte afgezien van een hoorzitting. De bezwaarprocedure betreft een volledige heroverweging van het primaire besluit, waarbij in dit geval in de bezwaarfase nieuwe informatie is ingebracht. In bezwaar is aangevoerd dat de financiële zekerheid voortaan wordt gewaarborgd door een maandelijkse schenking van € 2.134,- door de ouders van referent. Daarbij is tevens vermeld dat eiseres en referent huurvrij wonen in een appartement van de ouders van referent waardoor zij dit bedrag vrij kunnen besteden aan levensonderhoud. Naar het oordeel van de rechtbank was een hoorzitting de aangewezen plek geweest om eiseres in de gelegenheid te stellen de overeenkomst nader toe te lichten en te onderbouwen. Voor de minister was er dan de gelegenheid geweest om eiseres hiernaar te vragen en aan te geven welke informatie voor de minister nog miste. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat op de zitting is gebleken dat bij de minister nog onduidelijkheden bestonden over de schenkingsovereenkomst als zelfstandig middel van bestaan en of dit bijvoorbeeld onder inkomsten of onder het eigen vermogen valt. Er werd door de minister toegelicht dat een schenkingsovereenkomst in dit soort procedures niet vaak voorkomt. Ook acht de rechtbank relevant dat eiseres geen gemachtigde had in bezwaar en het bezwaarschrift door referent is ingediend. Gelet op de samenhang van deze omstandigheden kon op voorhand niet worden gezegd dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan in het primaire besluit. De beroepsgrond slaagt. Al hierom bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Met het oog op finale geschillenbeslechting zal de rechtbank hierna ook in gaat of de vraag of eiseres aan het middelenvereiste voldoet.
Voldoet eiseres aan het middelenvereiste?
7. Op grond van artikel 16, eerste lid onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling of de referent niet beschikt over voldoende, zelfstandig en duurzame middelen van bestaan. Deze eisen zijn er om te voorkomen dat de vreemdeling een beroep gaat doen op de publieke middelen en sociale bijstand. De minister stelt zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste, omdat het inkomen van referent niet zelfstandig en duurzaam is. Dat het inkomen voldoende is, is niet in geschil. De rechtbank zal zich allereerst uitlaten over de vraag of de middelen van bestaan zelfstandig zijn. Vervolgens zal de rechtbank zich buigen over de vragen of de middelen van bestaan zelfstandig en duurzaam zijn.
(1) Zijn de middelen van bestaan zelfstandig?
Volgens eiseres is de schenkingsovereenkomst notarieel vastgelegd. Het betreft een onherroepelijke schenking, waarbij is vastgelegd dat de verschuldigde schenkbelasting voor rekening van de schenkers komt. De aangifte schenkbelasting is volgens eiseres op 8 januari 2025 ingediend bij de belastingdienst en deze aangifte is in beroep overgelegd. Hieruit volgt de zelfstandigheid van het inkomen. Volgens eiseres blijkt uit de aangifte bovendien dat de verschuldigde belasting daadwerkelijk zal worden voldaan. Daarnaast voert eiseres aan dat het te formalistisch is van de minister om vast te houden aan de toets van de feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit (zogenaamde de ex-tunc toetsing), nu zij niet in bezwaar is gehoord en toen niet is verzocht om aanvullende stukken, zoals de aangifte of bankafschriften.
Volgens de minister zijn de middelen van bestaan niet zelfstandig. Hoewel het ter zitting onduidelijk bleef of de schenking door de minister als inkomen of als eigen vermogen wordt gezien, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat middelen in ieder geval pas als zelfstandig worden aangemerkt als daarover de verplichte premies en belastingen zijn betaald. De belastingaangifte was ten tijde van het bestreden besluit nog niet overgelegd waardoor volgens de minister op dat moment niet was aangetoond dat de belasting daarover was betaald. Bovendien toont de aangifte niet aan dat er al daadwerkelijk belasting is betaald over de schenking.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet beschikt over zelfstandige middelen van bestaan. In beroep heeft eiseres de aangifte schenkbelasting over 2024 overgelegd, gedateerd op 16 februari 2025, alsmede bankafschriften van referent waaruit de maandelijkse ontvangst van de schenking blijkt in de periode augustus 2024 tot en met januari 2025. Deze stukken hebben betrekking op feiten die zich al vóór het nemen van het bestreden besluit hebben voorgedaan. Omdat deze stukken een nadere onderbouwing vormen van de in bezwaar overgelegde schenkingsakte, ziet de rechtbank geen reden deze buiten beschouwing te laten in het kader van de ex-tunc toetsing. De rechtbank kan het standpunt van de minister, dat met de overgelegde aangifte niet is aangetoond dat er daadwerkelijk belasting is betaald over de schenking, niet volgen. Omdat de belastingdienst door de aangifte op de hoogte is van de schenking, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de verschuldigde schenkbelasting ook daadwerkelijk zal worden betaald. De beroepsgrond slaagt.
(2) Zijn de middelen van bestaan duurzaam?
Eiseres voert aan dat de schenking duurzaam is omdat deze een looptijd heeft van vijftien maanden. De schenkingsovereenkomst heeft dus een looptijd van meer dan een jaar, wat als voldoende duurzaam wordt beschouwd. De schenking eindigde per november 2025 omdat de verwachting was dat referent medio 2025 zijn opleiding aan de Universiteit van Amsterdam zou afronden en als leraar in het onderwijs aan de slag zou gaan, waar landelijk een tekort aan is. Vanaf dan zou hij in staat zijn zelfstandig voldoende inkomen te generen. Bovendien heeft de minister volgens eiseres onvoldoende gekeken naar de individuele omstandigheden van eiseres en referent. Eiseres voert aan dat met de schenking en de maandelijkse studietoelage van zijn ouders referent beschikte over stabiele en regelmatige inkomsten die voldoende waren om hemzelf en eiseres te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand. Referent ontvangt sinds het studiejaar 2024/2025 ook geen studiefinanciering meer. Inmiddels is referent afgestudeerd en heeft hij sinds 3 november 2025 een baan als verkoper waaruit hij voldoende en duurzame inkomsten ontvangt. Deze arbeidsovereenkomst loopt tot 2 mei 2027. Daarnaast heeft eiseres op haar beurt de WO Bachelor Economie en Bedrijfseconomie behaald, de cursus Nederlands A1 en A2 met succes afgerond en communiceert zij vloeiend in Engels. Hierdoor zijn ook haar kansen op een baan en inkomen goed.
De minister stelt zich op het standpunt dat de middelen niet duurzaam zijn. Artikel 3.75, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 200 (Vb) kent volgens de minister een strikte termijn, op grond waarvan de middelen uit eigen vermogen pas als duurzaam worden beschouwd als deze voor en na de aanvraag een jaar geldig zijn. De schenkingsovereenkomst is pas in bezwaar overgelegd waardoor hier niet aan wordt voldaan. De aangedragen individuele omstandigheden maken het besluit niet anders. Dat referent medio 2025 zijn opleiding zou afronden, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. Dit is volgens de minister nadien ook bevestigd, nu referent na zijn studie niet in het onderwijs is gaan werken maar als verkoper.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Khachab volgt dat de minister in dit soort zaken een individuele beoordeling moet maken. Het Hof heeft in de zaak Khachab bepaald dat wanneer de bevoegde autoriteit beoordeelt of de gezinshereniger voldoende middelen van bestaan heeft om een gezin te onderhouden, de bevoegde autoriteit moet kijken of de gezinshereniger een jaar lang na de datum van indiening van het verzoek om gezinshereniging nog steeds beschikt over die middelen. Daarbij moet een op de toekomst gerichte beoordeling worden gemaakt. In deze beoordeling mag de bevoegde autoriteit wel meewegen hoe de financiële situatie van de gezinshereniger was in de zes maanden voordat de aanvraag werd ingediend. Uit het arrest Khachab volgt verder dat de minister bij zijn beoordeling of eiseres en referente duurzaam beschikken over middelen van bestaan alle relevante omstandigheden moet betrekken. In de richtsnoeren van 3 april 2014 voor de toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn zijn concrete elementen genoemd die bij die beoordeling een rol kunnen spelen, waaronder de kwalificaties van de gezinshereniger, de stabiliteit van de inkomsten ondanks een tijdelijk dienstverband en de situatie op de arbeidsmarkt.
De rechtbank overweegt dat de schenkingsovereenkomst is ingegaan op 2 augustus 2024 en een looptijd heeft van vijftien maanden, tot 2 november 2025. Het primaire besluit is genomen op 23 mei 2024 en het bestreden besluit op 20 december 2024. Gelet op deze looptijd komt de rechtbank tot het oordeel dat de middelen op grond van artikel 3.75 van het Vb in beginsel niet als voldoende duurzaam kunnen worden aangemerkt. De schenkingsovereenkomst had namelijk niet nog een looptijd van een jaar op het moment van de aanvraag of het bestreden besluit, terwijl dit voor zowel lid 1 als lid 2 een voorwaarde is. De schenkingsovereenkomst was bij de aanvraag nog niet beschikbaar en na het bestreden besluit nog slechts tien maanden geldig. Echter, de rechtbank is, op grond van het Khachbab arrest, van oordeel dat de minister heeft nagelaten deugdelijk te motiveren waarom de door eiseres aangedragen individuele omstandigheden geen reden vormen toch duurzaamheid van het inkomen aan te nemen. Daarbij benadrukt de rechtbank nogmaals dat een hoorzitting bij uitstek de gelegenheid bood om deze omstandigheden nader toe te lichten. Eiseres heeft in beroep diverse omstandigheden naar voren gebracht die zien op de persoonlijke en financiële situatie van haar en referent. Zo hebben de ouders van referent ter zitting toegelicht dat de schenkingsovereenkomst voor vijftien maanden werd vastgesteld vanuit de gedachte dat referent daarna afgestudeerd zou zijn en zijn eigen inkomen kon verdienen. Verder is toegelicht dat referent na zijn afstuderen uit noodzaak tijdelijk werk heeft aanvaard als verkoper in een coffeeshop om te kunnen voldoen aan de inkomenseis voor de aanvraag. Referent is opgeleid voor een baan in het onderwijs, maar de vacatures daarvoor worden vaak pas in de zomer opengesteld voor het volgende onderwijsjaar. De rechtbank overweegt dat de minister een onvoldoende toekomstgerichte beoordeling heeft gemaakt, gelet op de goede arbeidsmarktkansen van eiseres en referent. Onder deze omstandigheden, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de schenkingsovereenkomst, gelet op alle omstandigheden, onvoldoende duurzaam is. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
8. Uit wat hiervoor is overwogen is de hoorplicht geschonden en is het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de voorgaande overwegingen geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen,. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen verdere bespreking.
9. Omdat de rechtbank nu op het beroep heeft beslist, is er geen reden meer om de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van de proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De minister moet ook het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.2371,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.2372,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken,
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.