RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5790
(gemachtigde: mr. P.M. van der Roest),
en
(gemachtigde: mr. D. Post).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 20 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Eritrese nationaliteit en behoort tot de Bilen bevolkingsgroep. Eiser heeft verklaard dat hij in 2018 bij een razzia van het Eritrese leger is opgepakt omdat hij zijn militaire dienstplicht moest vervullen en deze had ontdoken. Vervolgens heeft eiser ongeveer twee maanden in de gevangenis gezeten. Daarna heeft eiser tien maanden een militaire training gevolgd in Korumana, waarna hij één dag in militaire dienst heeft gezeten in Senafe. Vanaf Senafe is eiser uit het leger ontsnapt en teruggegaan naar zijn woonplaats in [woonplaats]. Na enkele maanden daar te hebben gewerkt en verbleven heeft eiser op illegale wijze, samen met drie vrienden, het land verlaten. Bij terugkeer vreest eiser te worden opgepakt, omdat hij deserteur is uit het leger en op illegale wijze Eritrea heeft verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft dit namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft daarom verder beoordeeld of dit asielmotief alsnog geloofwaardig is, maar dit is volgens de minister niet het geval. Eiser heeft namelijk onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede reden. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verder kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn geacht, heeft de minister de overige asielmotieven niet meer op geloofwaardigheid getoetst. De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Verzoek om aanhouding
5. Eiser heeft op de zitting verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep, omdat zijn geboorteakte uit Eritrea onderweg zou zijn. Eiser heeft dit verzoek een dag voor de zitting aangekondigd en daarbij een screenshot van een WhatsApp-bericht van DHL overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat de geboorteakte uiterlijk op 17 april 2026 zal worden bezorgd. Volgens eiser kan hij met deze geboorteakte zijn identiteit, nationaliteit en herkomst onderbouwen. Hij voert aan dat de geboorteakte moet worden afgewacht en dat deze eerst door Bureau Documenten moet worden onderzocht.
De rechtbank heeft dit verzoek op de zitting met partijen besproken, waarbij de minister zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het verzoek om aanhouding moet worden afgewezen. De rechtbank heeft de minister in zijn standpunt gevolgd. Allereerst acht de rechtbank van belang dat sprake is van een zeer laat gedaan verzoek om aanhouding. De asielaanvraag dateert van 2023, waarna eiser herhaaldelijk is verzocht om documenten ter onderbouwing van zijn verklaringen over te leggen. Eiser heeft geen verklaring gegeven waarom de geboorteakte pas kort voor de zitting kon worden opgestuurd, zodat de goede procesorde zich tegen een aanhouding verzet. Daarbij heeft de minister terecht opgemerkt dat uit de overgelegde screenshot niet kan worden afgeleid dat het daadwerkelijk om een geboorteakte gaat, nu het te bezorgen stuk niet kenbaar wordt benoemd. Maar ook om een andere reden heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek ter zitting aan te houden. De rechtbank volgt namelijk het standpunt van de minister dat een geboorteakte in beginsel geen identificerend document is en dat deze akte zonder aanvullende documenten niet doorslaggevend kan zijn bij de onderbouwing van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. Immers, ook indien de geboorteakte wordt bezorgd en die geboorteakte na onderzoek echt wordt bevonden, zegt dat nog niet dat het ook eiser is die in die akte wordt genoemd. Tot slot geldt dat de minister terecht stelt dat hij niet alleen heeft tegengeworpen dat onvoldoende documenten zijn overgelegd, maar ook dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Een aanhouding van de zitting in afwachting van een mogelijke geboorteakte zal dit standpunt niet wijzigen.
Mocht de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig achten?
6. Eiser betoogt dat dat de minister ten onrechte stelt dat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn. Hij voert aan dat hij daarover naar waarheid heeft verklaard en bezig is om aan originele documenten te komen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig zijn. Eiser heeft namelijk geen originele documenten overgelegd ter onderbouwing van dit asielmotief en heeft daarvoor geen goede reden gegeven. De verklaring van eiser dat zijn moeder niet alle documenten kan terugvinden of opsturen is daarvoor onvoldoende. Daar komt bij dat de minister, zoals overwogen onder 5.1, ook aan eiser heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiser op grote lijnen niet geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. Gelet op de uitgebreide motivering van de minister zoals die in het besluit is gegeven, waarbij de minister heeft gewezen op meerdere tegenstijdigheden en ongerijmdheden in de verklaringen van eiser, is de enkele stelling van eiser dat hij de waarheid spreekt in dit verband niet voldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister het vierde asielmotief, de vrees voor (herhaalde) dienstplicht, moeten toetsen?
7. Eiser voert aan dat hij vreest voor (herhaalde) dienstplicht in Eritrea. Hij voert aan dat dienstplicht in Eritrea oneindig lang kan duren en dat hij niet wil worden ingezet in gewapende conflicten waarbij hij anderen moet doden. Daarnaast voert eiser aan dat hij getrouwd is en een dochter heeft en graag voor zijn gezin wil zorgen zonder soldaat te moeten zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat, omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn, de overige asielmotieven niet inhoudelijk op hun geloofwaardigheid kunnen worden beoordeeld. Deze asielmotieven hebben namelijk slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.