RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.24118
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.D. Boulal. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1996.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betoogt dat de minister een lichter middel dan de maatregel van bewaring had moeten opleggen. Eiser is nooit eerder illegaal in Nederland geweest en als het niet anders kan is hij bereid naar Duitsland te vertrekken. Bewaring dient een ultimum remedium te zijn en dat is hier niet het geval volgens eiser.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Eiser zegt al sinds 2024 in Nederland te zijn, maar hij heeft zich nooit gemeld bij de autoriteiten. In het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Duitsland, maar dat hij voornemens is naar Spanje te vertrekken. Eiser beschikt echter niet over een reisdocument en hij heeft niet aangetoond rechtmatig verblijf te hebben in Spanje. Daarnaast heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats en beschikt hij niet over voldoende middelen van bestaan. Eiser betwist ook niet dat bovengenoemde gronden van de maatregel kunnen worden tegengeworpen. Daaruit volgt al dat het significante risico bestaat dat hij zich (weer) aan het toezicht zal onttrekken. Gelet op die omstandigheden heeft de minister kunnen overwegen dat er geen andere mogelijkheid is dan de inbewaringstelling om eisers vertrek naar Duitsland te bewerkstelligen en heeft hij kunnen afzien van het opleggen van een lichter middel. Dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij wel degelijk bereid is naar Duitsland te vertrekken leidt, gelet op het voorgaande, niet tot een ander oordeel.
4. De rechtbank ziet ambtshalve ook geen aanleiding om het opleggen of voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten, Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.