RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.24113 en NL26.25096
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2026 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Ball-Ponne. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2002.
Over het terugkeerbesluit en inreisverbod
2. Eiser betoogt dat hem een termijn voor vrijwillig vertrek had moeten worden gegeven, omdat hij in afwachting van zijn vertrek bij zijn familie zou kunnen verblijven. Daarbij merkt eiser op dat hij niet eerder illegaal in Nederland is geweest.
In het terugkeerbesluit heeft de minister overwogen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat hem daarom geen termijn voor vrijwillig vertrek wordt verleend. In dat verband heeft de minister, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De rechtbank is van oordeel dat de minister op grond van deze omstandigheden heeft mogen aannemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Bovengenoemde gronden zijn ook niet betwist door eiser. Dat eiser mogelijk bij familie zou kunnen verblijven maakt niet dat hem dat niet kan worden tegengeworpen, eiser heeft immers meerdere keren verklaard niet te willen terugkeren naar Marokko. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders zou zijn als hij bij zijn familie zou kunnen verblijven. De minister was daarom niet verplicht eiser een termijn voor vrijwillig vertrek te bieden. De beroepsgrond slaagt niet.
3. Eiser betoogt verder dat de minister van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien omdat hij familie heeft in Nederland, waaronder zijn zieke moeder. Eisers moeder heeft diabetes en hij zorgt voor haar, maar door het inreisverbod wordt het voor hem moeilijk zo niet onmogelijk om haar en zijn andere familieleden te bezoeken. Verder is in het besluit ten onrechte niet gemotiveerd waarom voor de duur van twee jaar is gekozen, aldus eiser.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. De minister heeft in het besluit kunnen overwegen dat eiser zijn recht op een familie- en gezinsleven op een andere manier kan uitoefenen, bijvoorbeeld door bezoek van zijn familieleden in zijn land van herkomst of enig ander land waar zij elkaar kunnen ontmoeten. Ook heeft de minister kunnen overwegen dat eiser een daartoe strekkende aanvraag kan indienen als hij langdurig verblijf wenst en dat niet valt in te zien waarom de medische zorg voor zijn moeder niet door (legaal in Nederland verblijvende) familieleden of professionele zorgverleners kan worden verleend.
Daarmee heeft de minister voldoende kenbaar gemotiveerd waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden hem geen aanleiding hebben gegeven van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. De minister is er niet toe gehouden in een dergelijk geval nog specifiek te motiveren waarom voor de duur van twee jaar is gekozen.
Over de maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft de minister dezelfde gronden tegengeworpen als die hierboven onder 2.1 zijn genoemd bij het terugkeerbesluit.
5. Eiser betoogt dat de minister een lichter middel dan de maatregel van bewaring had moeten opleggen, omdat hij nooit eerder illegaal in Nederland is geweest. Door hem direct vast te zetten miskent de minister volgens eiser dat vreemdelingenbewaring een ultimum remedium moet zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Eiser zegt dat hij al 2,5 jaar in Nederland is, maar hij heeft zich nooit gemeld bij de autoriteiten. In het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft eiser desgevraagd meerdere keren verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Marokko. Eiser zou wel naar zijn zus in Spanje willen vertrekken, maar hij heeft niet aangetoond dat hij beschikt over een reisdocument en evenmin dat hij rechtmatig verblijf zou hebben in Spanje. Daarnaast heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats en beschikt hij niet over voldoende middelen van bestaan. Eiser betwist ook niet dat bovengenoemde gronden van de maatregel kunnen worden tegengeworpen. Daaruit volgt al dat het risico bestaat dat hij zich (weer) aan het toezicht zal onttrekken. Gelet op die omstandigheden heeft de minister kunnen overwegen dat er geen andere mogelijkheid is dan de inbewaringstelling om eisers vertrek naar Marokko te bewerkstelligen en heeft hij kunnen afzien van het opleggen van een lichter middel.
6. De rechtbank ziet ambtshalve ook geen aanleiding om het opleggen of voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten.
Over de beroepen
7. Zowel het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod als het beroep tegen de maatregel van bewaring tegen is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over de maatregel van bewaring gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.Tegen deze uitspraak voor zover die over het terugkeerbesluit en inreisverbod gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.