Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 30 oktober 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker],
verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Engelbertink in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. K.A. van Iwaarden.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, zoals hierna zal blijken, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Verzoeker en de Staat hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt:
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoeker verzoekt de staatloosheid van verzoeker vast te stellen
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Beoordeling
Wettelijk kader
Het verzoek van verzoeker is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op grond van lid 1 van dit artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
Verzoeker en de Staat zijn het erover eens dat de Palestijnse gebieden en Turkije in de beoordeling van de rechtbank betrokken moeten worden. Volgens verzoeker moet ook Griekenland bij de beoordeling van de rechtbank worden betrokken. De Staat heeft echter geen aanknopingspunten dat dit land bij de beoordeling moet worden betrokken
De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie van de Staat en zal bij de beoordeling alleen de Palestijnse gebieden en Turkije betrekken.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse gebieden beschouwd?
Verzoeker stelt van Palestijnse afkomst te zijn. De Staat acht dit aannemelijk, omdat dit overeenkomt met de verklaringen en de (echt bevonden) documenten. Nu de Staat ervan uit gaat dat verzoeker is geboren in Gaza en dit wordt bevestigd door de (echt bevonden) documenten, gaat de Staat er op grond van het Algemeen Ambtsbericht Palestijnse gebieden van 29 april 2022 ook van uit dat verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft. Zoals volgt uit de Werkinstructie 2020/19 Palestijnen wordt Palestina door Nederland niet erkend en wordt de Palestijnse nationaliteit dus ook niet erkend. Verzoeker heeft daarom geen (erkende) nationaliteit, aldus de Staat.
De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie van de Staat.
Wordt verzoeker als onderdaan van Turkije beschouwd?
De verkrijging van de Turkse nationaliteit middels naturalisatie wordt geregeld vanaf artikel 11 en verder van de Turkse nationaliteitswet. Hieruit volgt dat één van de voorwaarden voor naturalisatie is dat een persoon minimaal vijf jaar inwoner is geweest van Turkije. Volgens de verklaringen van verzoeker heeft hij van september 2023 tot februari 2024 in Turkije verbleven en dus niet vijf jaar. De Staat concludeert daarom dat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Turkse nationaliteit heeft verkregen.
De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie van de Staat.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank de staatloosheid van verzoeker vast.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is.