ECLI:NL:RBDHA:2026:11929

ECLI:NL:RBDHA:2026:11929

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 15-05-2026
Zaaknummer 25/19647
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vw 2000. Oekraïne. Asiel. Buiten behandeling. Terugkeerbesluit. Non refoulement. De minister betoogt dat geen terugkeerbesluit is opgelegd. Dit is ook niet bedoeld. De rechtbank volgt dit niet. Uit de combinatie van het voornemen en het bestreden besluit kan niet anders dan worden afgeleid dat een terugkeerbesluit is opgelegd. De rechtbank vult in het kader van de ongelijkheidscompensatie ambtshalve de feiten aan. De rechtbank oordeelt dat de minister het terugkeerbesluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 25/19647

V-nummer: [nummer]

en

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

1. Deze uitspraak gaat over de buitenbehandeling stelling van de asielaanvraag van eiseres en het besluit dat zij terug naar Oekraïne moet. Eiseres is het niet eens met dit besluit.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk. Dit betekent dat eiseres niet terug hoeft naar Oekraïne.

Procesverloop

2. De minister heeft met het besluit van 11 september 2025 (bestreden besluit) de asielaanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep eerst op zitting van 26 maart 2026 behandeld. De rechtbank heeft echter het onderzoek ter zitting geschorst, omdat er geen tolk was.

De rechtbank heeft vervolgens het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar partner [naam] en S. Staniszewska als tolk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit

3. De minister heeft met het besluit van 6 november 2024 bepaald dat eiseres niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt. Ook is hierin het volgende vermeld. Met de inschrijving bij de gemeente is nog geen sprake van een volledige asielaanvraag. Als eiseres meent dat zij bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging of een onmenselijke behandeling, kan zij bij het aanmeldcentrum een asielprocedure doorlopen. De minister verwacht dat eiseres zich binnen twee weken meldt.

De minister heeft op 30 mei 2025 een voornemen genomen. Hierin heeft de minister het voornemen kenbaar gemaakt dat de asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Eiseres heeft zich namelijk niet binnen twee weken in het aanmeldcentrum gemeld. Ook heeft de minister het voornemen kenbaar gemaakt een terugkeerbesluit te nemen.

Vervolgens heeft de minister op 11 september 2025 het bestreden besluit genomen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank heeft tijdens de zitting het volgende vastgesteld. Eiseres wil een werkvergunning. Ze heeft daarom geen bezwaren tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag. De minister heeft volgens eiseres bepaald dat zij terug moet naar Oekraïne. Dat kan en wil ze niet. De rechtbank leidt hieruit af dat het beroep niet is gericht tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag, maar uitsluitend tegen het terugkeerbesluit.

Heeft de minister een terugkeerbesluit opgelegd?

De minister betoogt tijdens de zitting dat niet is bedoeld om met het bestreden besluit een terugkeerbesluit op te leggen. De minister heeft wel een terugkeerbesluit opgelegd met het besluit van 8 oktober 2025. In dat besluit is de aanvraag van eiseres voor een gecombineerde vergunning verblijf en arbeid afgewezen. En, in dat besluit is volgens de minister ook een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiseres is het niet eens met dit betoog. Zij zegt tijdens de zitting dat zij een brief heeft ontvangen waaruit volgt dat ze terug moet naar Oekraïne. Ze heeft het bestreden besluit zo ook op gevat.

De rechtbank volgt het betoog van de minister niet. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

In het voornemen van 30 mei 2025 staat het volgende:

“U zult moeten vertrekken uit Nederland

Zoals hiervoor is vermeld, hebt u al een besluit ontvangen waarin staat dat u geen recht hebt op tijdelijke bescherming.

Als ik besluit om uw asielaanvraag buiten behandeling te stellen dan geldt dat besluit ook als terugkeerbesluit. (…)

4.3.2. In het bestreden besluit staat dat de minister de asielaanvraag van eiseres buiten behandeling stelt. Verder staat hierin het volgende:

“Motivering van de beslissing

In het voornemen heeft de IND al uitgelegd waarom uw asielaanvraag buiten behandeling wordt gesteld. De overwegingen uit het voornemen maken deel uit van deze beschikking. (…)

Gelet op de combinatie van deze twee mededelingen kan de rechtbank niet tot een ander oordeel komen dan dat er een terugkeerbesluit is opgelegd. Immers, in het voornemen staat dat als de minister besluit de aanvraag buiten behandeling te stellen, dit besluit ook geldt als terugkeerbesluit. Vervolgens besluit de minister de aanvraag buiten behandeling te stellen in het bestreden besluit, zodat dit besluit volgens de mededeling in het voornemen ook als terugkeerbesluit geldt. Bovendien neemt de minister ook nog eens in het bestreden besluit de overwegingen uit het voornemen ongeclausuleerd over. De minister heeft in het bestreden besluit niet vermeld dat op dit punt wordt afgeweken of teruggekomen van het voornemen dan wel dat er geen terugkeerbesluit wordt opgelegd, zoals in het besluit van 6 november 2024. Als het niet de bedoeling was van de minister om een terugkeerbesluit op te leggen, had het gezien de inhoud van het voornemen op de weg van de minister gelegen om dit kenbaar te maken in het besluit.

Moet het terugkeerbesluit worden vernietigd?

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister ten onrechte aan eiseres een terugkeerbesluit heeft opgelegd. De rechtbank legt dat hierna uit.

De rechtbank overweegt dat het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) in het arrest van 17 oktober 2024 (ECLI:EU:C:2024:892; Ararat) heeft overwogen dat de procedurevoorschriften van artikel 13, eerste en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn (Tri) de eerbiediging beogen te waarborgen van het beginsel van non-refoulement dat een absoluut karakter heeft. Het is aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties om, in voorkomend geval, erop toe te zien dat dit beginsel in acht wordt genomen wanneer gegevens uit het dossier, zoals aangevuld of verhelderd tijdens de voor hem gevoerde procedure op tegenspraak, die hun ter kennis zijn gebracht doen vermoeden dat afbreuk aan dat beginsel zou kunnen worden gedaan. Het bestaan van deze verplichting van de nationale rechter om, in voorkomend geval ambtshalve, toe te zien op eerbiediging van het beginsel van non-refoulement, geldt op dezelfde wijze in het kader van een procedure inzake internationale bescherming als in het kader van een procedure die is ingeleid met een aanvraag voor een verblijfsvergunning naar nationaal recht.

Het HvJ EU heeft in het arrest van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647; Adrar) heeft overwogen dat artikel 5 van de Tri de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle stadia van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbieden. De bevoegde nationale autoriteit moet met het beginsel van non-refoulement rekening houden in alle stadia van de procedure, vanaf het moment waarop een terugkeerbesluit wordt vastgesteld tot het moment waarop de uitvoering van dat besluit door de rechter wordt getoetst.

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat bij de beoordeling of zich in het land dan wel, in voorkomend geval, het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (Kri) voordoet, moet worden uitgegaan van het land of gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats heeft gehad. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres voorafgaand aan haar vertrek haar normale woon- en verblijfplaats heeft gehad in de oblast Kherson in Oekraïne. Dit betekent dat de situatie aldaar moet worden beoordeeld.

Omdat eiseres zonder gemachtigde procedeert, heeft de rechtbank in het kader van de ongelijkheidscompensatie ambtshalve de feiten aangevuld. In dit kader wijst de rechtbank op een intern stuk van de IND genaamd ‘SUA Q&A vraag (4. Beantwoord)’. Dit document is geldig van 20 november 2025 tot en met 22 mei 2026 en is laatstelijk gewijzigd op 7 januari 2026. De rechtbank heeft dit stuk tijdens de zitting besproken. Hierin staat het volgende:

Gezien de situatie in de oblasten Kharkiv, Luhansk, Donetsk, Zaporizhzhia, Kherson, Dnipropetrovsk en Sumy geldt dat de situatie daar op dit moment zodanig gevaarlijk is dat op zaken waarin de vreemdeling stelt afkomstig te zijn uit één van deze oblasten niet beslist kan worden tot er landgebonden beleid is.

Gezien de inhoud van dit stuk heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat in de oblast Kherson geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri, dan wel dat terugkeer niet leidt tot schending van het beginsel van non-refoulement. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement. De minister heeft daarom het terugkeerbesluit onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat het betoog van eiseres slaagt.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, voor zover dit het terugkeerbesluit betreft, in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiseres een terugkeerbesluit is opgelegd. Dit betekent dat eiseres niet terug hoeft naar Oekraïne.

Het is niet gebleken dat eiseres proceskosten heeft gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 11 september 2025 voor zover daarbij aan eiseres een terugkeerbesluit is opgelegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van K. Postema, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.M.E. Schulmer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand