ECLI:NL:RBDHA:2026:11932

ECLI:NL:RBDHA:2026:11932

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 15-05-2026
Zaaknummer 26.13265
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Dublin Slovenië

Uitspraak

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1979. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich vooraf afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 5 februari 2026 bij Slovenië een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Slovenië heeft dit verzoek aanvaard op 16 februari 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.

5. De minister heeft met het bestreden besluit de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) omdat Slovenië hiervoor verantwoordelijk is.

Zienswijze herhaald en ingelast

6. Eiseres verzoekt om hetgeen zij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als

herhaald en ingelast te beschouwen en als gronden van beroep te beschouwen. De rechtbank

overweegt dat deze enkele verwijzing, zonder nadere toelichting op welke concrete punten

de reactie van de minister in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn, onvoldoende is om als concrete beroepsgrond te worden aangemerkt waar de rechtbank op

in dient te gaan. Voor zover eiseres in het vervolg van haar beroepsgronden uitlegt op welke

punten de reactie van de minister in de zienswijze onjuist of onvolledig zou zijn geweest, zal

de rechtbank daar in het hiernavolgende op ingaan.

Gedwongen afgifte vingerafdrukken

7. Eiseres voert aan dat haar vingerafdrukken gedwongen zijn afgenomen in Slovenië en dat zij daar geen asielaanvraag heeft ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht uitgaat van de Eurodac-gegevens waaruit blijkt dat eiseres een verzoek om internationale bescherming in Slovenië heeft ingediend. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat ervan uitgegaan mag worden dat deze informatie juist is. De enkele stelling van eiseres dat zij geen asiel heeft aangevraagd of die wens heeft gehad, is onvoldoende om aan de juistheid van de Eurodac-gegevens te twijfelen. De rechtbank stelt voorts vast dat in de Dublinverordening bepalingen zijn opgenomen die de lidstaat verplichten vingerafdrukken af te nemen ten behoeve van de doeltreffende toepassing van de Dublinverordening. De minister wijst verder terecht op de mogelijkheid dat eiseres kan klagen bij de daarvoor geschikte instanties in Slovenië wanneer zij vindt dat haar vingerafdrukken in Slovenië op een onrechtmatige manier zijn afgenomen. Deze beroepsgrond slaagt daarmee niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

8. Eiseres stelt verder dat ten aanzien van Slovenië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij verwijst daarvoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 10 oktober 2025 en naar het AIDA rapport van juli 2025 (update 2024). Hieruit volgt dat sinds 2022 de opvangvoorzieningen niet voldoen aan de Europese normen en dat sprake is van een gebrek aan opvangcapaciteit. Op basis van het rapport is onduidelijk hoe het zit met de opvang van Dublinclaimanten bij aankomst. Tevens verwijst zij naar een recente wijziging in de bepalingen van de ‘International Protection Act’ (IPA) over de nieuwe gronden voor ontslag van de vluchtelingenadviseurs. Deze wijziging vormt een bedreiging voor onafhankelijke en vertrouwelijke rechtsbijstand en het ondermijnt een effectief rechtsmiddel voor asielzoekers. Anders dan de minister stelt is aan de hand van het AIDA-rapport van juli 2025 niet duidelijk of de nieuwe bepalingen inmiddels worden toegepast. Als dat wel zo is dan is sprake van een fundamenteel gebrek aan waarborgen in de asielprocedure, aldus eiseres.

Toetsingskader

De rechtbank overweegt dat de minister in beginsel ten aanzien van Slovenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat Europese lidstaten erop mogen vertrouwen dat andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Dit vermoeden is weerlegbaar. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 8 september 2022, 21 maart 2023 en 9 januari 2026 heeft geoordeeld dat de minister ten aanzien van Slovenië mag uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Het is daarom aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Slovenië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Sloveense autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asielstelsel en de opvangvoorzieningen van Slovenië overleggen en zij kan feiten stellen of verklaringen afleggen over haar ervaringen in Slovenië die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in Slovenië systeemfouten bevatten. Van een schending van de voormelde bepalingen zal, in geval eiseres aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het Sloveense asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.

Opvangvoorzieningen

Uit het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport (update 2024) van juli 2025 volgt dat Dublinclaimanten geen problemen ondervinden met betrekking tot toegang tot de asielprocedure en dat zij vanaf het moment van terugkeer naar Slovenië als asielzoekers worden beschouwd. Ook blijkt uit voornoemd rapport dat Dublinclaimanten, zodra de asielaanvraag is ingediend, dezelfde rechten hebben als andere asielzoekers en dat zij worden ondergebracht in een asielzoekerscentrum. De rechtbank stelt verder vast dat het AIDA-rapport vermeld dat opvang wordt geboden vanaf het moment dat een asielzoeker (en daarmee naar het oordeel van de rechtbank ook een Dublinclaimant) kenbaar maakt dat hij een asielaanvraag wil indienen. Daarnaast staat in het rapport dat vreemdelingen die een asielwens hebben geuit de opvang niet mogen verlaten totdat zij een asielaanvraag hebben ingediend. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat uit het AIDA-rapport update 2024 niet volgt dat Dublinclaimanten – en daarmee dus ook eiseres- verstoken blijven van opvang. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

Rechtsbijstand

Ten aanzien van hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de rechtsbijstand in Slovenië volgt de rechtbank het betoog van de minister. De minister stelt terecht dat het door eiseres aangevoerde punt uit het meest recente AIDA-rapport van juli 2025 (update 2024), waaronder de vermelde ontslaggronden van de vluchtelingenadviseurs, al is vermeld in de AIDA-rapporten van 2022 (update 2021), van 2023 (update 2022) en van 2024 (update 2023). De rechtbank ziet in het rapport van 2024 (update 2025) geen wezenlijk ander beeld van de situatie ten aanzien van de rechtsbijstand dan eerder is betrokken. De rechtbank is van oordeel dat uit het AIDA rapport update 2024 niet volgt dat de bepaling uit de IPA -over de nieuwe gronden voor ontslag van de vluchtelingenadviseurs- wordt toegepast. Op pagina 43 van het AIDA rapport update 2024 staat juist dat de bepaling niet wordt toegepast. Ook uit de uitspraak van het Constitutioneel Hof van Slovenië, waar zittingsplaats Amsterdam in de eerder genoemde uitspraak naar verwijst, blijkt niet dat deze bepaling wordt toegepast. Er is enkel geoordeeld dat deze bepaling niet in strijd is met de Grondwet naar aanleiding van vragen van de oppositie partij, de uitspraak handelt dus niet over het daadwerkelijk toepassen daarvan. Eiseres heeft ook geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat de bepaling wel wordt toegepast. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat indien deze bepaling wel zou worden toegepast dat niet maakt dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er kan daarover worden geklaagd bij de Sloveense autoriteiten en bij het EHRM, waarbij van belang is dat in Slovenië verschillende NGO’s actief zijn die daarbij kunnen helpen, ook indien er geen vergoeding vanuit de Sloveense autoriteiten zou worden verstrekt voor rechtsbijstand.

Conclusie

De rechtbank is daarmee van oordeel dat de minister ten aanzien van Slovenië uit mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ook in het geval van eiseres.

Artikel 17 van de Dublinverordening

9. Eiseres stelt tot slot dat de minister de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening had dienen te behandelen vanwege haar medische klachten.

Paragraaf C2/5. van de Vc 2000 bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. De minister heeft in de verklaringen van eiseres over haar persoonlijke ervaringen (gedwongen afgifte vingerafdrukken) in Slovenië geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag aan zich te trekken. Daarbij komt dat eiseres heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen terugkeer naar Slovenië. Zij heeft enkel bezwaren genoemd tegen een terugkeer naar Duitsland.

Voor zover eiseres stelt dat haar medisch gesteldheid eraan in de weg staat dat zij wordt overgedragen, geldt verder dat zij niet met documenten heeft onderbouwd dat zij onder medisch-specialistische behandeling staat en dat Nederland het meest aangewezen land is om haar gestelde medische klachten te behandelen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.A.M.M. Delauw, rechter, in aanwezigheid van mr.drs. B.E.C. Bertens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand