RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19653
V-nummer: [nummer],
geboren op [geboortedatum],
van Somalische nationaliteit,
(gemachtigde: mr. H.A. Jeuring),
en
(gemachtigde: mr. D. Post).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Aanhoudingsverzoek
3. Door de gemachtigde van eiser is ter zitting om aanhouding van de behandeling verzocht, omdat eiser niet ter zitting is verschenen. De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen, omdat eiser op juiste wijze is uitgenodigd, zijn gemachtigde op zitting heeft aangegeven dat hij eiser tijdig heeft laten weten hoe laat hij op de rechtbank moest verschijnen en eiser zonder bericht aan zijn gemachtigde of de rechtbank niet is verschenen.
Internationale bescherming
4. De minister heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, in samenhang met artikel 3.106a van het Vb, omdat eiser internationale bescherming heeft in Duitsland. Uit Eurodac blijkt dat aan eiser internationale bescherming is toegekend op 24 januari 2020. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat aan eiser in Duitsland internationale bescherming is verleend en dat deze bescherming niet is beëindigd of ingetrokken.
Band met Spanje
5. Uitgangspunt is dat de minister een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaart op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, als de vreemdeling een zodanige band heeft met het andere land dat het voor hem redelijk is om naar dat land te gaan. Dat staat in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet, sprake is van een zodanige band met die lidstaat dat het voor hem redelijk is naar dat land te gaan. De minister moet van dit uitgangspunt afwijken als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. Artikel 3.106a, derde lid, van het Vb 2000 bepaalt dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken moeten worden, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf.
De rechtbank overweegt dat de minister er, mede gelet op de onder 4 genoemde feiten, van uit heeft mogen gaan dat eiser een zodanige band met Duitsland heeft dat het voor hem redelijk is om terug te keren. Voor zover eiser stelt dat hij niet terug kan keren vanwege zijn psychische gesteldheid en het ontbreken van goede zorg en huisvesting in Duitsland, overweegt de rechtbank dat eiser deze stellingen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Eiser heeft ter zitting gewezen op een briefje van de medische dienst in Ter Apel, waarop zou staan dat hij dagelijks zijn medicatie verkrijgt. Dit briefje bevat echter geen datum van afgifte en geen naam van degene door wie het is afgegeven, waardoor hieraan niet de bewijswaarde toekomt die eiser wenst. Voor zover eiser daarnaast heeft gewezen op een calamiteitenmelding uit het COa-dossier, overweegt de rechtbank dat deze melding de eigen verklaringen van eiser bevat en dat dit geen medisch oordeel betreft. Eiser heeft derhalve geen bijzondere feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, die zouden maken dat de minister van het uitgangspunt dat het redelijk is dat eiser naar Duitsland terugkeert had moeten afwijken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat de lidstaten van de EU hun internationale verplichtingen uit hoofde van bijvoorbeeld het Vluchtelingenverdrag en de Opvangrichtlijn naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waarnaar de vreemdeling zal terugkeren zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan deze veronderstelling wordt weerlegd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland jegens hem de internationale verplichtingen niet zal nakomen. Eiser kan zich met zijn gestelde medische klachten en klachten rondom de huisvesting in Duitsland melden bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen.
Begeleide overdracht
7. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat hij, indien er een overdracht tot stand komt, via een medische overdracht moet worden overgedragen aan Duitsland. De rechtbank overweegt hierover dat in deze procedure de vraag op welke wijze eiser wordt overgedragen aan Duitsland niet wordt beoordeeld. Dit betoog faalt derhalve.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden van eiser slagen niet. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.