RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.290
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
(gemachtigde: L.M.F. Verhaegh).
Procesverloop
Bij besluit van 2 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 5 april 2022 asiel aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag op 19 januari 2024 afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft eiser voorlopig uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw gekregen tot uiterlijk 19 juli 2024.
2. Bij besluit van 4 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder ambtshalve besloten om geen toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw en aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe gewezen op het advies van BMA van 23 februari 2024. Uit dit advies blijkt dat eiser psychische klachten heeft en dat hij hiervoor onder medische behandeling staat. Er wordt door BMA binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden geen medische noodsituatie verwacht bij het uitblijven van behandeling van eiser. Verweerder heeft gelet hierop geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 64 van de Vw.
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij voert aan dat het advies van BMA niet concludent is. BMA stelt in het advies van 23 februari 2024 namelijk zowel dat geen medische noodsituatie is te voorzien, als dat bij uitblijven van een behandeling bij eiser een fysieke en emotionele uitputting zal ontstaan. Daarnaast heeft verweerder niet aan zijn vergewisplicht voldaan. Verweerder heeft nagelaten bij BMA na te gaan wat wordt bedoeld met fysieke en emotionele uitputting, en waarom dit niet kan worden gekwalificeerd als ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Eiser verwijst daarbij op het arrest X. Bij een aanvullend beroepschrift van 22 april 2025 heeft eiser een uitdraai van zijn medisch dossier overgelegd. Eiser ondergaat traumabehandeling in de vorm van EMDR. Uit het medisch dossier blijkt volgens eiser dat sprake is van een verhoogd risico op suïcide bij blijvende uitzichtloosheid en dat medische zorg noodzakelijk is.
4. Naar aanleiding van de door eiser op 22 april 2025 overgelegde medische gegevens heeft verweerder BMA verzocht om een aanvullend advies. Op 1 oktober 2025 heeft BMA overwogen dat bij eiser door de tijd heen fluctuerend gedachten aan suïcide zijn (geweest) en dat behandeling heeft geleid tot een beperkte afname van klachten. Hoewel gevoelens over zinloosheid van het bestaan aanwezig blijven en eiser eenmalig tot automutilatie is overgegaan, concludeert BMA dat het alles overziend niet zo is dat eiser bij uitblijven van behandeling binnen drie tot zes maanden zal overlijden of zodanig ontregeld zal geraken dat het zal komen tot gedwongen behandeling en/of opname.
5. In reactie op het aanvullende BMA-advies voert eiser aan dat verweerder nog altijd niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Het is onduidelijk waarom BMA meent dat binnen drie tot zes maanden geen sprake zal zijn van overlijden of gedwongen behandeling en/of opname. Eiser heeft verder een recente uitdraai van zijn medisch dossier overgelegd en een brief van GGZ Pro Persona van 3 april 2026.
6. Verweerder heeft hierop BMA gevraagd of de door eiser nieuw ingebrachte stukken afbreuk doen aan de eerdere BMA-adviezen. Op 10 april 2026 heeft BMA geantwoord dat dit niet het geval is.
Het juridisch kader
7. Uit artikel 64 van de Vw volgt dat uitzetting achterwege blijft zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.
8. Op grond van paragraaf A3/7.1 van de Vc verleent verweerder uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw als de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen of als er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen. Van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM is volgens dit beleid uitsluitend sprake:
- als uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en
- als de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestending verblijf niet beschikbaar is; of
- als in geval de noodzakelijke medische behandeling wel beschikbaar is, gebleken is dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is.
Onder een medische noodsituatie verstaat verweerder de situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.
9. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet verweerder, als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ervan vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij zijn beoordeling van een zodanig advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid.
Het oordeel van de rechtbank
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan zijn vergewisplicht heeft voldaan en zijn besluit op het BMA-advies mocht baseren. Het BMA-advies is namelijk zorgvuldig tot stand gekomen en is inhoudelijk inzichtelijk en concludent. Eiser heeft geen contra-expertise ingediend of concrete aanknopingspunten aangevoerd op basis waarvan gegronde twijfel bestaat over de juistheid en volledigheid van het advies. Alle relevante medische gegevens van eiser zijn betrokken bij het advies. Ook heeft verweerder steeds na ontvangst van nieuwe stukken van eiser opnieuw BMA geraadpleegd. BMA heeft geconcludeerd dat de door eiser nader overgelegde stukken geen reden vormen voor een andere conclusie. Dat in het BMA-advies staat dat bij uitblijven van de behandeling uiteindelijk een beeld van fysieke en emotionele uitputting zal ontstaan, maakt niet dat het advies niet concludent is. Zoals uit het advies namelijk volgt, en door verweerder is bevestigd in het verweerschrift en ter zitting, ziet dit op gevolgen die intreden na afloop van de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het al dan niet ontstaan van deze klachten dan ook buiten het toetsingskader valt en niet meegenomen dient te worden in de beoordeling of sprake zal zijn van een medische noodsituatie voor de toepassing van artikel 64 van de Vw, zodat verweerder hierover geen navraag heeft hoeven doen bij BMA. De verwijzing van eiser naar het arrest X in dit kader slaagt dan ook niet. Ook uit de door eiser overgelegde medische stukken volgt niet dat moet worden getwijfeld aan de inhoud van het BMA-advies. Voor zover eiser heeft gewezen op een door hem gedane suïcidepoging, heeft verweerder terecht overwogen dat geen sprake is van een gedocumenteerde suïcidepoging. Verder zijn de suïcidale gedachten waar eiser op gewezen heeft, betrokken bij het BMA-advies en de aanvullingen daarop. Met inachtneming van hiervan is BMA tot de conclusie gekomen dat als een behandeling uitblijft geen medische noodsituatie zal ontstaan binnen de indicatieve termijn. Uit het aanvullend advies van 1 oktober 2025 blijkt dat daarbij betrokken is dat sprake is van fluctuerende gedachten, een beperkte afname van klachten door behandeling en de positieve invloed van school, sport en zelfmedicatie. Dat de conclusie van BMA niet inzichtelijk is, wordt dan ook niet gevolgd.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 mei 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.