[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: H.R. Nobel).
Inleiding
1. De minister heeft op 31 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop op 8 mei 2026 gereageerd, waarna de minister op 12 mei 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
De minister heeft op 8 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 13 mei 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 17 april 2026, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Oordeel van de rechtbank
4. Eiser heeft in het beroepschrift aangevoerd dat de maatregel van bewaring niet tijdig is omgezet. Er is immers beslist op de asielaanvraag en omzetting van de maatregel heeft niet plaatsgevonden.
De rechtbank stelt vast dat eisers asielaanvraag met het besluit van 29 april 2026 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Uit dit besluit volgt dat de rechtsgevolgen daarvan gedurende de beroepstermijn worden opgeschort en eiser gedurende die periode rechtmatig verblijf in Nederland heeft. De minister was daarom gedurende de beroepstermijn niet gehouden de grondslag van de maatregel van bewaring te wijzigen. De beroepstermijn eindigde op 6 mei 2026. Vervolgens is de maatregel op 8 mei 2026 opgeheven en is aansluitend een nieuwe maatregel opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel daarmee tijdig is omgezet.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 17 april 2026 op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.