Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/1735
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 26 oktober 2024 aan Axus Nederland N.V. een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 januari 2025 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2025. Namens eiseres is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1], [naam 2] en [naam 3].
Gemachtigde heeft de rechtbank ter zitting verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad over, kort gezegd, het verhalen van kosten bij de naheffing van parkeerbelasting. De rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen, omdat zij een langere behandeltijd van het beroep, mede gelet op het belang dat de wederpartij heeft bij een voortgang van de procedure, niet wenselijk acht.
Overwegingen
Ontvankelijkheid beroep
1. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk heeft geparkeerd, ook deze laatste recht heeft om bezwaar en beroep in te dienen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiseres feitelijk heeft geparkeerd, is eiseres ontvankelijk in beroep.
Feiten
2. Op 21 november 2023 heeft de raad van de gemeente Leiden een voorstel behandeld ter zake van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelasting 2024. In dit voorstel is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“De naheffingsaanslag parkeren wordt niet maximaal verhoogd. Voorgesteld wordt de verhoging te beperken tot maximaal € 70,00. Dit in verband met de toegenomen kostendekkendheid van de handhaving rond parkeren.”
Het voorstel is aangenomen.
3. Tot de stukken van het geding behoort de volgende kostenraming van de gemeente Leiden van bij naheffingsaanslagen parkeerbelasting in rekening te brengen kosten:
Behalve de overheadkosten zijn alle bovengenoemde kostenposten in de raming uitgesplitst in specifieke kostenposten. Het aantal naheffingsaanslagen is voor het jaar 2024 geraamd op 30.000, hetgeen betekent dat geraamde kosten per naheffingsaanslag € 102,26 bedragen. In de bovenmarge van de raming is de datum 22 juli 2024 vermeld.
4. Op 26 oktober 2024 om 22:03 uur stond de auto met kenteken [kenteken] (de auto) op een parkeerplek aan het [straatnaam] te Leiden (de parkeerlocatie). De parkeerlocatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden aangewezen als een plaats waar mag worden geparkeerd met een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting. De parkeerlocatie is gelegen binnen parkeerzone A.
5. Tijdens een controle op het eerdergenoemde moment is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan en dat de auto zonder geldige parkeervergunning geparkeerd stond. Naar aanleiding daarvan is aan Axus Nederland N.V. de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 98,00, bestaande uit € 28,00 aan parkeerbelasting en € 70,00 aan kosten van de naheffing.
Geschil
6. In geschil is de hoogte van de nageheven parkeerbelasting en of ter zake van het opleggen van de naheffingsaanslag kosten in rekening mochten worden gebracht. Indien de rechtbank over dit laatste bevestigend oordeelt, is in geschil of de kosten te hoog zijn vastgesteld.
7. Eiseres stelt dat ten onrechte € 28,00 parkeerbelasting is nageheven omdat volgens de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen gemeente Leiden 2024 in parkeerzone A een tarief van € 4,00 geldt. Daarnaast stelt eiseres dat geen kosten in rekening hadden mogen worden gebracht omdat het bedrag van € 70,00 aan kosten arbitrair is gekozen. Volgens eiseres zijn de in rekening gebrachte kosten niet gebaseerd op een vooraf opgestelde raming. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat wél kosten in rekening mochten worden gebracht, stelt eiseres dat de kosten te hoog zijn vastgesteld. Ten aanzien van de overgelegde raming stelt eiseres meer specifiek:
8. Verweerder stelt dat terecht € 28,00 parkeerbelasting is nageheven, dat bij de naheffing kosten in rekening mochten worden gebracht en dat deze kosten niet te hoog zijn vastgesteld.
Beoordeling van het geschil
9. In artikel 7 van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen gemeente Leiden 2004 (de Verordening parkeerbelastingen 2024) is bepaald dat de aanwijzing van de plaats waar alsmede het tijdstip en de wijze waarop tegen de betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd geschied door het college van burgemeester en wethouders (het college) bij openbaar te maken besluit. In de Tarieven- en kostentabel behorende bij de Verordening parkeerbelastingen 2024 is bepaald dat het tarief voor het parkeren op een vergunninghoudersplaats € 28,00 bedraagt. Voor parkeerzone A. geldt, voor zover hier van belang, voor in het Aanwijzingsbesluit parkeerrestrictiegebied (het aanwijzingsbesluit) aangewezen plaatsen een tarief van € 4,00 per 60 minuten.
10. Het college heeft in het aanwijzingsbesluit alle parkeerapparatuurplaatsen en vergunninghoudersplaatsen zoals weergegeven op de bij het aanwijzingsbesluit behorende kaart aangewezen als plaatsen waar parkeren slechts is toegestaan tegen betaling van parkeerbelasting. Op deze kaart is met kleur aangegeven op welke plaatsen binnen parkeerzone A het bovengenoemde tarief van € 4,00 per 60 minuten geldt. De rechtbank stelt vast dat het [straatnaam] niet is aangewezen als plaats waar tegen dit tarief kon worden geparkeerd. Derhalve heeft verweerder terecht € 28,00 parkeerbelasting nageheven.
11. Ter zitting is door eiseres gesteld dat het tarief waartegen op het [straatnaam] kan worden geparkeerd niet openbaar is gemaakt. De rechtbank kan deze stelling niet volgen. Zowel de Verordening parkeerbelastingen 2024 als het aanwijzingsbesluit zijn in het Gemeenteblad gepubliceerd.
12. Op basis van artikel 234, vijfde en zesde lid, van de Gemeentewet, worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag. Op basis van artikel 234, zesde lid, wordt het bedrag van de in rekening gebrachte kosten in de belastingverordening bepaald. In onderdeel IV van de Tarieven- en kostentabel behorende bij de Verordening parkeerbelastingen 2024 zijn deze kosten vastgesteld op € 70. Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit) konden de kosten in 2024 maximaal € 76,70 bedragen.
13. Volgens artikel 2, eerste lid, van het Besluit kunnen de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag ten hoogste bestaan uit een aantal voorgeschreven componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Artikel 2, tweede lid, van het Besluit bepaalt dat de raad, op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.
14. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat als een belanghebbende overschrijding van de verhaalbare-kostenlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar kan worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze heffingsambtenaar naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is.
15. Verweerder heeft gesteld dat de kostenraming voor het jaar 2024 is opgesteld voorafgaand aan het vaststellen van het tarief door de gemeenteraad. Daarbij heeft verweerder toegelicht dat de in de bovenmarge van de kostenraming vermelde datum ziet op een automatisch datumveld en dat de vermelde datum betrekking heeft op het moment waarop van de raming een pdf-bestand is gemaakt.
16. De rechtbank ziet, gelet op de overgelegde raming en de toelichting van verweerder, geen reden om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat de kostenraming is opgemaakt alvorens het tarief door de gemeenteraad is vastgesteld. Echter, ook indien dit niet het geval zou zijn geweest en de kostenraming achteraf zou zijn opgemaakt, betekent dat niet dat bij de naheffing geen kosten in rekening mochten worden gebracht. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juni 2002 over artikel 2, tweede lid, van het Besluit het volgende overwogen:
“Die bepaling eist, anders dan het Hof daarin heeft gelezen, niet dat de gemeenteraad voor elk kalenderjaar daarna een nieuw kostenbesluit neemt op basis van nieuwe ramingen. Wel vloeit uit het Besluit voort dat het in enig jaar geldende kostenbedrag niet mag overtreffen het bedrag dat zou zijn berekend op basis van ramingen voor het desbetreffende jaar. Indien de gemeenteraad heeft nagelaten voor een bepaald jaar het kostenbedrag vast te stellen op basis van ramingen voor dat jaar, en de belastingplichtige zich beroept op zodanig nalaten, rust op de gemeente de bewijslast dat aan die eis is voldaan.”
Dat hierover naar aanleiding van een annotatie bij een eerder arrest mogelijk anders gedacht zou kunnen worden, doet aan het voorgaande niet af.
17. Gerechtshof Den Haag heeft in meerdere uitspraken van 9 januari 2025 het volgende overwogen over kostenramingen:
“5.5.2. De voorwaarde voor de toerekenbaarheid van kosten was in de oorspronkelijke tekst van artikel 2, lid 1, van het Besluit verwoord als “rechtstreeks voortvloeien uit” (de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen). Dat is per 1 juli 2019 gewijzigd in “samenhangen met”. Deze tekstuele wijziging brengt mee dat de maatstaf voor de toerekenbaarheid van de kosten is verruimd. Kosten hoeven blijkens de toelichting op deze wijziging niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelasting te worden gemaakt om toerekenbaar te zijn. Het Besluit is op dit punt geformuleerd conform de modelbepalingen voor het verhalen van kosten.[voetnoot: Stb. 2019, 46, p. 8.] De ruime formulering van ‘samenhangen met’ brengt mee, dat kosten die meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting kunnen worden toegerekend.[voetnoot: Vgl. Gerechtshof Amsterdam 21 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1370, r.o. 4.2.2 en 4.2.3 en Conclusie A-G Pauwels 25 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1116, punt 8.17.] Deze uitleg is in overeenstemming met de jurisprudentie over de opbrengstnorm in artikel 229b van de Gemeentewet.[voetnoot: Hoge Raad 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016 en ECLI:NL:HR:2019:1020.] Deze uitleg brengt bovendien mee, dat ingeval de kosten voor tenminste 10% samenhangen, ze volledig mogen worden toegerekend. [Hoge Raad 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, en Hoge Raad 31 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2710.] Slechts de kosten die geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen, alsmede de kosten die reeds op andere wijze worden verhaald, mogen niet worden toegerekend. Anders dan belanghebbende heeft bepleit, geeft de formulering “voor zover” in artikel 2, lid 1 van het Besluit geen aanleiding om de mogelijkheid van kostenverhaal beperkter uit te leggen. Dat zou indruisen tegen de kennelijk door de besluitgever beoogde zekerstelling van de ruime mogelijkheid tot kostenverhaal door de wijziging van het Besluit per 1 juli 2019.”
18. Bij de beoordeling van de onderhavige geschilpunten staat voorop dat de fiscale
parkeerhandhaving in de gemeente Leiden bestaat uit een samenhangend en onlosmakelijk verbonden geheel van systemen, apparaten, processen, werknemers (zoals juristen en handhavers), hardware en software. De systemen voor de parkeercontrole met scanauto’s worden rechtstreeks ‘gevoed’ vanuit parkeerautomaten, parkeerapps en vergunningensystemen. Het hele systeem is erop ingericht dat naheffing van niet-betalers zo efficiënt mogelijk kan plaatsvinden.
19. Gelet op de voornoemde uitgangspunten en de toelichting van verweerder voldoet de kostenraming van de gemeente Leiden aan de gestelde eisen. Naar het oordeel van de rechtbank houden de door eiseres betwiste kostenposten meer dan slechts zijdelings verband met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, zodat ze volledig mogen worden toegerekend. Verweerder heeft de volgende toelichting gegeven op de door eiseres opgeworpen twijfels. De door eiseres genoemde kosten van applicatie PAL21 vormen gemiddelde jaarkosten waarbij 90,2% van deze kosten zijn toe te rekenen aan de naheffing van parkeerbelasting. Onder “Parkeermanagement straat” vallen met name kosten van digitalisering van parkeerautomaten en overige ICT-kosten, waaronder kosten voor softwareonderhoud en licentiekosten voor het systeem van parkeervergunningen. De post afschrijvingslasten (€ 3.724) en rentelasten (€ 26) “Mo-tech steekwerende vesten (uniform BOA’s)” ziet op de uitrusting van parkeercontroleurs die in toenemende mate met agressie te maken krijgen. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat de gemeente Leiden weliswaar met scanauto’s werkt, maar dat achter de scanauto’s handhavers fietsen die nogmaals controleren of een parkeerder de verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald. Deze post dient anders dan eiseres stelt niet verplicht als overheadkosten te worden opgenomen. De posten voor medewerkers (“senior medewerker” en “beleidsmedewerker”) en het opleidingsbudget zijn eveneens afdoende toegelicht. Deze medewerkers voeren taken uit die zien op het vormgeven en uitvoeren van het parkeerbeleid van de gemeente. De opleidingskosten zien op certificaten die handhavers dienen te behalen om hun taken ‘op straat’ uit te voeren. Hetgeen eiseres hier tegenin heeft gebracht, is onvoldoende om anders te oordelen.
20. Ten aanzien van het meerekenen van de kostenpost “inhuur parkeercontroleurs G4S (fiscalisten)” bij het bepalen van de overheadkosten heeft verweerder verklaard dat de gemeente Leiden evenveel overheadkosten voor de ingehuurde parkeercontroleurs maakt als voor de eigen werknemers, aangezien de ingehuurde parkeercontroleurs gebruikmaken van onder meer dezelfde Leidse panden, vervoermiddelen en computers als werknemers. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk. De feitelijk situatie wijkt in die zin af van die waar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2024 op ziet.
21. Naar het oordeel van de rechtbank is het bedrag van de kosten van de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld. Daarbij komt dat de gemeente Leiden de kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting aanzienlijk lager heeft vastgesteld (€ 70) dan uit de kostenraming 2024 volgt (€ 102,26). Dit maakt dat gelet op het geraamde aantal naheffingsaanslagen van 30.000 pas bij een ten onrechte geraamd bedrag van meer dan € 967.800 het beroep zou kunnen slagen ((€ 102,26 - € 70) x 30.000).
22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).