Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 15 januari 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.E. van der Meijs te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Kocabas-Güler te Zoetermeer.
Procedure
Bij beschikking van 10 maart 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- het verzoek tot opname van het ouderschapsplan afgewezen;
- bepaald dat de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op 17 oktober 2014 te Poznań (Polen);
- [de minderjarige 2] , geboren op 21 juni 2016 te Poznań (Polen);
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;
- bepaald dat de kinderen voorlopig bij de vader zullen zijn:
- op de woensdag uit school tot 19.00 uur;
- op de zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur;
- waarbij de vader de kinderen ophaalt en weer thuisbrengt;
- bepaald dat het zelfstandige verzoek van de moeder ten aanzien van de kinderalimentatie zal worden afgesplitst en verder zal worden behandeld onder zaak- en rekestnummer C/09/680250 en FA RK 25-1108;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten tot 15 september 2025 pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 17 maart 2026 is de behandeling op de zitting van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
Aanvullende feiten
- Bij beschikking van 3 juli 2025 van deze rechtbank is het verzoek van de vader tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Gebleken is dat de ouders momenteel op een wachtlijst staan voor een traject Ouderschap Blijft. Dit traject kan waarschijnlijk over enkele maanden starten. De vader heeft aangegeven dat hij een uitbreiding wil van de voorlopige zorgregeling zoals bepaald in de vorige beschikking. Hij wil ook vakanties met de kinderen kunnen doorbrengen. Daarbij heeft de vader aangevoerd dat de moeder regelmatig een van de kinderen op zondag thuis houdt of een van de kinderen op woensdag na school mee naar huis neemt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is evenwel gebleken dat de zorgregeling de afgelopen periode over het algemeen is nagekomen. De moeder heeft aangegeven dat de ouders niet op een constructieve wijze met elkaar kunnen communiceren, wat voornamelijk tijdens de overdrachtsmomenten leidt tot heftige discussies tussen de ouders in het bijzijn van de kinderen. Ook heeft de moeder gesteld dat de kinderen weerstand vertonen tegen contact met de vader. De rechtbank constateert dat de kinderen moeite hebben met de verwerking van de gebeurtenissen uit het verleden. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het kindgesprek is gebleken dat de weerstand bij de kinderen op dit moment voornamelijk betrekking lijkt te hebben op overnachtingen bij de vader en niet zozeer ziet op de huidige regeling. De rechtbank is echter duidelijk geworden dat de kinderen op korte termijn hulpverlening nodig hebben om het verleden een plek te kunnen geven. Op de zitting is gebleken dat hulpverlening voor de kinderen nog niet is ingezet, omdat het plan was om deze hulpverlening gelijk te laten lopen met het traject Ouderschap Blijft. De rechtbank acht dit begrijpelijk, maar zij is in dit geval van oordeel dat hulpverlening in het belang van de kinderen zo spoedig mogelijk moet worden ingezet, vooral nu gebleken is dat Ouderschap Blijft niet op korte termijn zal starten. Op de zitting is besproken dat mogelijk hulpverlening voor de kinderen kan worden ingezet door schoolmaatschappelijk werk en/of Kwadraad. Dit leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders, de betrokken hulpverlenende instanties en/of de huisarts de nodige inspanningen zullen verrichten om de hulpverlening zo snel mogelijk in gang te zetten. In dit kader merkt de rechtbank op dat beide kinderen – met name [de minderjarige 1] – van mening zijn dat zij geen hulpverlening nodig hebben. De rechtbank is echter van oordeel dat het verleden dermate sporen heeft nagelaten bij de kinderen dat zij geholpen moeten worden met de verwerking daarvan.
In afwachting van het traject Ouderschap Blijft en de in te zetten hulpverlening voor de kinderen ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om de voorlopige zorgregeling te wijzigen. Op de zitting is besproken dat de vader contact kan opnemen met de moeder als hij – in zoverre in afwijking van de voorlopige regeling – een uitje wil ondernemen met de kinderen. De moeder heeft toegezegd dat zij hieraan zal meewerken. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder deze toezegging en de voorlopige zorgregeling zal nakomen. Verder merkt de rechtbank op dat gebleken is dat [de minderjarige 1] op woensdag met vriendinnen afspreekt zodat zij niet naar de vader hoeft te gaan. De rechtbank gaat ervan uit dat [de minderjarige 1] geen afspraken op woensdag meer zal maken en zij conform de regeling op woensdag naar de vader zal gaan. Ook op dit punt verwacht de rechtbank medewerking van de moeder.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling voor negen maanden aanhouden tot 15 januari 2027. De rechtbank verzoekt de advocaten van de ouders om zich voor deze pro formadatum uit te laten over de huidige stand van zaken en de gewenste voortgang van de procedure en wat dat betekent voor de nog voorliggende verzoeken. De rechtbank zal daarna beslissen over het verdere verloop van deze procedure.
Proceskosten
Nu de rechtbank een definitieve beslissing over de zorgregeling zal aanhouden, zal zij ook een beslissing over de proceskosten aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten aan tot 15 januari 2027 pro forma.