RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35074
(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),
en
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij het besluit van 7 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres, de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen [tolk] .
Eiseres heeft op 16 december 2025 de ter zitting naar voren gebrachte informatie en bronnen aan het digitale dossier toegevoegd.
Verweerder heeft hier op 18 december 2025 schriftelijk een standpunt over ingenomen.
Eiseres heeft hier op 19 december 2025 schriftelijk op gereageerd
De rechtbank heeft onderzoek op 22 januari 2026 gesloten.
Overwegingen
Het asielrelaas
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder lijkt te doen aan ‘cherry-picking’ door het Griekse asieldossier van eiseres willekeurig te gebruiken bij de beoordeling van haar Nederlandse asielaanvraag. Verweerder stelt dat uit de Procedurerichtlijn volgt dat de Dublinverordening niet van toepassing is vanwege de minderjarigheid van eiseres in de relevante periode, maar werpt aan haar wel de verklaringen tegen die zij ten tijde van haar minderjarigheid heeft afgelegd. Daarbij laat verweerder het na om te noemen waaruit volgt dat de verklaringen van eiseres, ondanks dat de Dublinverordening niet van toepassing is, wel aan haar mogen worden tegengeworpen. Eiseres vraagt zich af of het arrest Ghezelbash, waaruit volgt dat de belangen van het kind een extra waarborg zijn voor de toepasselijkheid en doeltreffendheid van de procedurele waarborgen van minderjarigen in het asielrecht, ook met terugwerkende kracht geldt na het bereiken van de meerderjarigheid. Verweerder heeft ten onrechte de verklaringen van eiseres tegengeworpen zonder te onderzoeken of de verklaringen met voldoende kinderrechten-waarborgen zijn afgelegd en dient deze daarom met terugwerkende kracht opnieuw te wegen. De enkele mededeling dat de verklaringen in Griekenland aanvullend zijn gebruikt is gezien de hoeveelheid tegenwerpingen niet in overeenstemming met de realiteit. Verweerder heeft, bij het tegenwerpen van een gebrek aan overgelegde documenten van eiseres, ten onrechte in het voornemen niet gemotiveerd waarom er vanuit wordt gegaan dat zij documenten zou kunnen en moeten bezitten. Aan eiseres is ten onrechte geen asielvergunning verleend conform het alleenstaande vrouwenbeleid, want niet is gebleken dat haar familie in Somalië feitelijk beschikbare, naaste en effectieve bescherming aan eiseres zouden kunnen en willen bieden. Omdat eiseres als alleenstaande vrouw als onzuiver of sociaal kwetsbaar kan worden gezien, kan de druk voor herbesnijdenis ook voor haar als oudere vrouw toenemen. De nationale rechter is gehouden aan de toetsing van het beginsel van refoulement gedurende alle fasen van de asielprocedure. In de procedure van eiseres is er geruime tijd verstreken tussen haar asielaanvraag in Nederland en in Griekenland. Eiseres betwist of de geschetste omstandigheden nog in overeenstemming zijn met de situatie hangende de opbouw van dit dossier. Ter zitting beroept eiseres zich op de veiligheidssituatie in Mogadishu. Zij stelt dat zij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege willekeurig geweld. Ook betwist eiseres of de WBV 2025/16 nog accuraat is en of ten aanzien van Mogadishu nog steeds kan worden uitgegaan van een relatief laag niveau van willekeurig geweld.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Griekse statushouders
4. In het informatiebericht 2025/20 wordt bepaald dat voor Griekse statushouders geldt dat de verleende internationale bescherming niet hoeft te worden overgenomen bij een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag in een andere lidstaat. Verweerder dient in dat geval zelf de asielelementen inhoudelijk en volledig te beoordelen, met een onderzoek naar de actuele stand van zaken. Hierbij dient verweerder ten volle de beslissing van de andere lidstaat om internationale bescherming te verlenen bij de beoordeling te betrekken. Dit geldt ook voor de elementen die hieraan ten grondslag zijn gelegd. Hiervoor dient verweerder de informatie op te vragen bij de Griekse autoriteiten. Ten behoeve van een inhoudelijke beoordeling kan het visum of het asieldossier worden opgevraagd bij een andere lidstaat, waarvoor toestemming van de vreemdeling vereist is.
5. Verweerder heeft conform het informatiebericht 2025/20 gehandeld en de asielmotieven van eiseres zelfstandig beoordeeld gelet op de actuele situatie in Somalië en op basis van de eigen verklaringen van eiseres. Ook heeft verweerder de verklaringen van eiseres in Griekenland kenbaar betrokken bij de beoordeling van haar asielaanvraag in Nederland en zijn deze aanvullend meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder heeft de mogelijkheid om de asielaanvraag van eiseres af te wijzen, ondanks dat de aanvraag in Griekenland in het verleden is ingewilligd, onder de voorwaarde dat hier een volledige inhoudelijke beoordeling aan vooraf is gegaan. Dat is in het geval van eiseres gebeurd. Verder stelt verweerder in het verweerschrift niet ten onrechte dat eiseres geenszins nader heeft toegelicht op welke wijze zij in haar belangen zou zijn geschaad bij het afnemen van het gehoor in Griekenland en waarom haar verklaringen in Griekenland geen grondslag zouden mogen vormen voor het bestreden besluit. Het ligt op de weg van eiseres om omstandigheden aan te dragen waaruit volgt dat zij in haar belangen is geschaad en dat tijdens haar gehoren in Griekenland onvoldoende procedurele waarborgen – waaronder kinderrechtenwaarborgen – in acht zijn genomen. Hiervan is niet gebleken.
Bewijsvoering en bewijsnood
6. Anders dan eiseres stelt, is door verweerder in het bestreden besluit geenszins het gebrek aan overgelegde objectieve documenten aan eiseres tegengeworpen. Verweerder beoordeelt het asielrelaas van een vreemdeling aan de hand van de Werkinstructie 2024/6. Bij een gebrek aan overgelegde objectieve documenten, mag verweerder geloofwaardigheidsbeoordeling verrichten aan de hand van de verklaringen van de vreemdeling. De verklaringen die niet zijn onderbouwd met objectieve documenten worden in dat geval getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. De rechtbank stelt dat dat verweerder in het bestreden besluit voor alle asielmotieven heeft geconstateerd dat eiseres niet in het bezit is van objectieve documenten die haar asielmotieven te staven. Ten aanzien van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres worden de door haar genoemde persoonsgegevens aangehouden en dit asielmotief wordt door verweerder geloofwaardig geacht. De mishandeling door de stiefvader van eiseres wordt eveneens geloofwaardig geacht, omdat wordt overwogen dat de verklaringen van eiseres in dit kader voldoen aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. De uithuwelijking aan de leider van Al-Shabaab wordt niet geloofwaardig geacht. In dit kader werpt verweerder aan eiseres tegen dat haar verklaringen van niet voldoen aan de voorwaarde zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.; de verklaringen van eiseres zijn niet samenhangend en aannemelijk bevonden en in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor haar aanvraag. Beleid voor alleenstaande vrouwen
7. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres haar vrees als alleenstaande vrouw bij terugkeer naar Somalië niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft in dit kader voldoende gemotiveerd waarom eiseres niet als alleenstaande vrouw wordt aangemerkt en dat daarom het beleid conform C7/30.3.2. van de Vc. niet op haar van toepassing is. Zo heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen familie of sociaal netwerk aanwezig is in Somalië waar zij voor opvang en bescherming op kan terugvallen. Eiseres heeft verklaard dat haar moeder en broertjes en zusjes op het platte land wonen en dat een oom in Mogadishu woonachtig is die haar in het verleden bescherming bood. Ook blijkt uit de verklaringen van eiseres dat zij ooms en tantes heeft die woonachtig zijn in Somalië. Tevens is niet gebleken dat eiseres heeft geprobeerd contact op te zoeken met haar ooms en tantes in Somalië, noch zijn er nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zij niet op haar familie in Somalië kan terugvallen.
8. Omdat verweerder heeft kunnen overwegen dat eiseres niet als alleenstaande vrouw wordt aangemerkt, slaagt ook de beroepsgrond niet dat zij als alleenstaande vrouw als onzuiver of sociaal kwetsbaar kan worden gezien, waardoor de druk voor herbesnijdenis voor haar als oudere vrouw kan toenemen. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres de vrees voor herbesnijdenis niet aannemelijk heeft gemaakt. Reëel risico op ernstige schade
9. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft in dit kader kunnen overwegen dat eiseres de vrees voor haar stiefvader en neef en de vrees voor herbesnijdenis niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast is eiseres afkomstig uit Mogadishu, dat onder controle staat van de Somalische overheid. Uit paragraaf C7/30.4.1.1 van de Vc volgt dat er voor iedere terugkeerder naar Somalië een reëel risico op ernstige schade bestaat indien Al-Shabaab het gebied van herkomst controleert of de terugkeerder door gebied moet reizen waar Al-Shabaab de macht heeft. Dat is in de situatie van eiseres – gelet op haar herkomst uit Mogadishu – niet het geval. Daartoe heeft verweerder kunnen meewegen dat eiseres heeft verklaard dat er een legerbasis van de overheid in haar wijk aanwezig is, wat te meer leidt tot de conclusie dat de wijk van eiseres onder controle staat van de Somalische overheid.
10. Eiseres heeft met haar overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat er in Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict dermate hoog is dat een ieder, enkel door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Met het geven van een indicatie dat de situatie in Mogadishu en de invloed van Al-Shabaab onzeker is, wordt de lat van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet gehaald. De rechtbank ziet in de door eiseres aangehaalde informatie onvoldoende reden om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in Somalië wezenlijk anders is dan in het landgebonden beleid van verweerder is vastgelegd. Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij wegens individuele factoren een verhoogd risico loopt op ernstige schade vanwege dit willekeurige geweld. Eiseres wijst in de door haar aangehaalde bronnen onder anderen op het EUAA-rapport van 2 oktober 2025. Hierin staat weliswaar dat er een ‘high level of indiscriminate violence’ is in de regio Mogadishu, maar niet kan worden geconcludeerd dat de enkele aanwezigheid in deze regio voldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. AMV-buitenschuldbeleid
11. Uit het arrest T.Q. van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022 volgt dat verweerder verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Verder volgt uit die afdelingsuitspraak dat, op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, verweerder niet langer is gehouden te onderzoeken of adequate opvang in een land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van verweerder om dat in het concrete geval aan te tonen. Verweerder moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Daarbij kan hij betekenis toekennen aan de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag, de beslistermijn op de asielaanvraag en de duur van het onderzoek. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of en zo ja, op welke wijze aan de vreemdeling een verblijfsrecht volgens het AMV-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen, wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid en of alsnog een terugkeerbesluit moet worden genomen. Dit kan vervolgens door de vreemdeling ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd.
12. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 20 december 2022 een asielaanvraag heeft ingediend en op [geboortedag] 2024 meerderjarig is geworden. Vaststaat dat niet daarvoor al is vastgesteld of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is. De rechtbank stelt eveneens vast dat tijdens de minderjarigheid van eiseres slechts een gehoor bij de Kmar op 20 december 2022, een aanmeldgehoor met en zonder schouw op 23 december en 30 december 2022 en het eerste deel van het nader gehoor op 23 mei 2024 heeft plaatsgevonden. Het tweede deel van dit nader gehoor vond plaats nadat eiseres meerderjarig werd, op 4 september 2024. Ook heeft verweerder op 5 december 2024 het asieldossier van eiseres in Griekenland opgevraagd. Het gehoor bij de Kmar en het aanmeldgehoor AMV had betrekking op (onder meer) een leeftijdsschouw, waarbij een aantal (standaard) vragen zijn gesteld over de gezinsleden van eiseres, maar niet in het kader van adequate opvang. In het nader gehoor zijn enkele vragen gesteld over het contact van eiseres met haar familie in Somalië in het kader van adequate opvang, maar dit was gedurende de meerderjarigheid van eiseres. Er is verder in het dossier geen blijk van ander onderzoek dat verweerder gedurende de minderjarigheid van eiseres heeft ondernomen. Dat het nader gehoor op de eerste dag is gestaakt vanwege een ziekte tolk en omdat vanwege de status van eiseres in Griekenland nader onderzoek nodig was aan de hand van haar Griekse dossier, leidt niet tot een ander oordeel. Niet wordt hieruit immers duidelijk welke handelingen verweerder gedurende de minderjarigheid van eiseres heeft ondernomen in het kader van het onderzoek naar adequate opvang.
13. Verweerder gaat er in het bestreden besluit aan voorbij dat hij het ten aanzien van het onderzoek in de periode voordat eiseres meerderjarig is geworden, niet inzichtelijk heeft gemaakt wat hij heeft gedaan in het kader van het onderzoek naar adequate opvang. Daarbij komt dat verweerder vanaf het moment van het indienen van de asielaanvraag anderhalf jaar de tijd heeft gehad om onderzoek te doen en verweerder, anders dan de algemene vraagstelling tijdens de aanmeldgehoren niets heeft gedaan. In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat het hier gaat om een alleenstaande minderjarige vreemdeling die niet onnodig lang in onzekerheid mag verkeren over haar verblijfsstatus. Daarbij komt dat de algemene stelling van verweerder dat onderzoek door DT&V pas mogelijk is na het besluit op de asielaanvraag niet wordt gevolgd. Alhoewel de aard van de asielprocedure er aan in de weg kan staan dat het onderzoek naar adequate opvang binnen de voor de asielprocedure geldende beslistermijn wordt afgerond, wordt niet ingezien waarom niet in een eerder stadium kon worden geprobeerd om contact te zoeken met de familieleden van eiseres. Verweerder heeft gedurende de minderjarigheid van eiseres dan ook onvoldoende voortvarend aan dat onderzoek gewerkt.
13. Gelet op wat hiervoor onder rechtsoverweging 12 en 13 is overwogen, is het bestreden besluit in strijd met artikelen 3:2 (zorgvuldigheid) en 3:46 van de Awb (motiveringsvereiste). Eiseres krijgt in zoverre gelijk. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder dit zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak moet doen.
15. Eiseres krijgt een vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. deze vergoeding bedraagt € 1868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 26 januari 2026 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.