ECLI:NL:RBDHA:2026:12172

ECLI:NL:RBDHA:2026:12172

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer C/09/679669 / FA RK 25-816
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

toewijzen verzoek eenhoofdig gezag, raadsonderzoek en vaststelling kinderalimentatie

Uitspraak

Gezag

Beschikking op het op 5 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A. van Bendegem te Zoetermeer .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L. da Silva te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- het bericht van 10 maart 2026, met bijlagen, van de moeder;

- het bericht van 13 maart 2026, met bijlage, van de moeder;

- het bericht van 16 maart 2026, met bijlage, van de moeder.

Op 20 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

- Zij zijn de ouders van de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

- [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

- Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt:

- het gezamenlijk gezag te wijzigen in die zin dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] ;

- te bepalen dat de vader aan de moeder zal voldoen een bedrag van € 294,- per maand aan kinderalimentatie, wat toekomstige termijnen betreft telkens bij vooruitbetaling te voldoen, zulks uiterlijk op de eerste van iedere maand, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig:

- een zorg- c.q. omgangsregeling te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;

- de beslissing omtrent het eenhoofdig gezag aan te houden totdat de Raad voor de Kinderbescherming nader onderzoek heeft gedaan naar de vraag of het eenhoofdig gezag in het belang van [minderjarige] is en hoe de zorgregeling zou dienen te worden vormgegeven,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag

De moeder verzoekt te worden belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Ter onderbouwing voert zij – samengevat – aan dat de vader sinds het uiteengaan van partijen nauwelijks invulling heeft gegeven aan zijn vaderrol. Hoewel partijen na het uiteengaan een zorgregeling overeen waren gekomen, is deze na een incident in maart 2024 – waarbij de vader [minderjarige] alleen thuis had gelaten – stopgezet. Hierna is meermaals geprobeerd het contact tussen de vader en [minderjarige] onder begeleiding te herstellen. De vader kwam echter niet bij de omgangsmomenten opdagen en liet bovendien niks van zich horen. Hoewel de moeder meerdere pogingen heeft gedaan om in contact te komen met de vader, is dit haar niet gelukt. Volgens de moeder hebben partijen dan ook geen contact met elkaar. De moeder stelt zich op het standpunt dat deze situatie niet langer houdbaar is. [minderjarige] heeft namelijk meerdere gezondheidsproblemen, waardoor zij regelmatig voor behandelingen naar het ziekenhuis moet. Voor de behandelingen is de toestemming van de vader nodig. De vader weigert deze echter te geven. Voor de moeder is het dan ook om deze reden noodzakelijk dat zij voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] wordt belast, zodat zij niet langer de toestemming van de vader nodig heeft.

De vader kan zich niet vinden in hetgeen de moeder stelt. Hij geeft aan dat hij graag met de moeder en [minderjarige] in contact komt. Volgens de vader dient het verzoek ten aanzien van het gezag dan ook te worden aangehouden totdat duidelijk is of en hoe de man weer een rol in het leven van [minderjarige] kan spelen.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, nu dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is echter wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die de kinderen aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen.

De vader is op dit moment al langere tijd niet betrokken bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] en hij heeft dan ook geen zicht op wat haar behoefte is en welke beslissingen in het belang van [minderjarige] zijn. Verder is het vanwege de gezondheidsproblemen van [minderjarige] van belang dat er snel beslissingen voor medische behandelingen kunnen worden genomen. Dit is voor de moeder moeilijk gebleken, nu de vader voor haar onbereikbaar is. De rechtbank ziet dan ook op dit moment onvoldoende basis voor gezamenlijk gezag en heeft niet de verwachting dat hier op afzienbare tijd verbetering in komt. Gelet hierop, ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat eenhoofdig gezag anderszins in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal het verzoek van de moeder dan ook toewijzen en bepalen dat de moeder voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast zal zijn.

Omdat de rechtbank het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] zal toewijzen, wordt in het vervolg van de beschikking gesproken over de omgangsregeling.

Omgangsregeling

De vader verzoekt een zorgregeling vast te stellen. Hij vindt het namelijk verschrikkelijk dat hij geen contact met [minderjarige] meer heeft en zou graag willen dat het contact tussen hem en [minderjarige] wordt hersteld. Volgens de vader dient de Raad onderzoek te doen naar de mogelijkheden om het contact tussen hem en [minderjarige] te herstellen.

De moeder vreest dat de wens van de vader slechts loze woorden zijn. De vader is immers onbereikbaar voor de moeder en heeft in het verleden ook niet de kans aangegrepen om het contact tussen hem en [minderjarige] te herstellen. De moeder is bang dat [minderjarige] opnieuw teleurgesteld zal worden als de vader opnieuw niet komt opdagen en onbereikbaar is. Indien de rechtbank toch van oordeel is dat de zorgregeling dient te worden hervat, verzoekt de moeder een raadsonderzoek te gelasten.

Gelet op de huidige stand van zaken, waarbij er al geruime tijd geen omgang tussen de vader en [minderjarige] heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht om een goede (eind)beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de omgangsregeling. De rechtbank acht een onderzoek door de Raad hieromtrent noodzakelijk. Zij zal de Raad daarom verzoeken om een onderzoek te verrichten dat zich onder meer dient te richten op de volgende vragen:

- is omgang met de vader in het belang van [minderjarige] , en zo ja, welke regeling?

- is verdere hulpverlening voor de ouders en/of [minderjarige] noodzakelijk, en zo ja, welke?

De rechtbank zal in afwachting van het raadsonderzoek iedere verdere beslissing omtrent de omgangsregeling pro forma aanhouden als na te melden.

Kinderalimentatie

Bij de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.

Ingangsdatum

De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen.

De rechtbank stelt voorop dat terughoudend moet worden omgegaan met het vaststellen van kinderalimentatie met terugwerkende kracht. Omdat de moeder niet om een specifieke ingangsdatum heeft verzocht, acht de rechtbank het redelijk om als ingangsdatum van de datum van deze beschikking te hanteren, te weten 17 april 2026.

Behoefte

Bij het bepalen van de behoefte hanteert de rechtbank de uitgangspunten, als neergelegd in het Rapport Alimentatienormen en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) van de ouders ten tijde van de samenleving worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van beide ouders samen, inclusief eventueel kindgebonden budget. Omdat partijen begin 2020 uit elkaar zijn gegaan, zal de rechtbank voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] rekenen met – voor zover bekend – de inkomensgegevens van partijen van 2020 en de tarieven 2020-I.

- NBI vader

Bij de berekening van het NBI van de vader zal de rechtbank uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 6.777,- zoals blijkt uit de door de vader overgelegde verklaring van zijn geregistreerde inkomen voor het jaar 2020 (productie 1 van het verweerschrift).

Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2020 op € 565,- per maand.

- NBI moeder

De vrouw heeft bij haar verzoekschrift een berekening overgelegd waarin zij, wat haar eigen inkomen betreft, is uitgegaan van een ziektewetuitkering van bruto € 4.390,- in 2020. Dit is door de man niet betwist, zodat de rechtbank bij de berekening van het NBI van de moeder van dit bedrag uit zal gaan.

Rekening houdend met de algemene heffingskorting berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2020 op € 366,- per maand.

- NBGI en behoefte kinderen

Gelet op het voorgaande, bedraagt het NBGI van partijen (565 + 366 =) € 931,- per maand. Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 99,- per maand. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen (2020) en vier kinderbijslagpunten, berekent de rechtbank de behoefte van [minderjarige] in 2020 op € 85,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dit € 109,- per maand.

Draagkracht

De behoefte van de kinderen moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen van het rapport in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].

- draagkracht vader

De rechtbank merkt allereerst op dat aan de zijde van de vader sprake is van een gebrek aan gegevens. Om deze reden zal zij ten aanzien van het inkomen van de vader een beslissing nemen die zij in het belang van [minderjarige] acht.

De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij sinds kort werkzaam is als stratenmaker op zzp-basis. Hij stelt dat hij hiermee € 900,- bruto per week verdient. Gelet op zijn toelichting, acht de rechtbank het niet redelijk/reëel om – zoals door de moeder is betoogd – uit te gaan van een verdiencapaciteit. Om deze reden zal de rechtbank de vader volgen en bij de bepaling van de draagkracht van de vader uitgaan van een bruto weekinkomen van € 900,-. Nu de vader werkzaam is als zzp’er zal de rechtbank het bruto weekinkomen van de vader extrapoleren en uitgaan van een winst uit onderneming van (900 x 52 =) € 46.800,- per jaar.

Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek, de MKB winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 3.299,- per maand.

De draagkracht van de vader bedraagt volgens de formule € 661,- per maand, te weten 70% van [3.299 – (0,3 x 3.299 + 1.365)].

- draagkracht moeder

Bij de bepaling van de draagkracht van de moeder zal de rechtbank uitgaan van een bruto maandinkomen van € 2.121,60,-, zoals blijkt uit haar meest recente salarisstroken van januari 2026 en februari 2026. Verder houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag en een ingehouden pensioenpremie van € 45,59,- per maand.

Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 2.745,- per maand.

De draagkracht van de moeder bedraagt volgens de formule € 389,- per maand, te weten 70% van [2.745 – (0,3 x 2.745 + 1.365)].

Draagkrachtvergelijking/gezamenlijke draagkracht

Gelet op de gezamenlijke draagkracht van partijen (661 + 389 =) € 1.050,- per maand, bedraagt het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige] naar rato van zijn draagkracht (661 / 1.050 x 109 =) € 69,- per maand.

Zorgkorting

Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank ook de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Op dit moment vindt er geen omgang tussen de vader en [minderjarige] plaats. Conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen zal de rechtbank een forfaitaire zorgkorting van 5% hanteren, omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. De zorgkorting bedraagt 5% van de behoefte, zijnde € 5,- per maand.

Conclusie

Na aftrek van de zorgkorting bedraagt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage € 64,- per maand. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen op voormeld bedrag.

Aanhechten berekeningen

De rechtbank zal de alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten.

BeslissingDe rechtbank

*

bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;

*

bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 27 april 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 64,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: 079-3203366 (advocaat moeder) en 06-11205487 (advocaat vader);

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 november 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat de advocaten van partijen zich na ontvangst van het raadsrapport en raadsadvies binnen veertien dagen moeten uitlaten over het raadsrapport en raadsadvies;

bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport, advies en de uitlatingen van partijen, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aan.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.J.A. Olthoff

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand