RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.15707 en NL26.15709
[eiseres] en [eiser], V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] , eisers
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
Procesverloop
Bij besluiten van 20 maart 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 23 maart 2026 de maatregelen van bewaring opgeheven in verband met een wijziging van rechtsgrond.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eisers hebben op 26 maart 2026 de
gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 27 maart 2026 een verweerschrift
ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 30 maart 2026.
Overwegingen
1. Omdat de bewaringen zijn opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Omzetting van de maatregel
2. Eisers voeren aan dat de maatregelen van bewaring te laat zijn omgezet. Op 20 maart 2026 is op de asielaanvragen van eisers beslist. Vanaf dat moment had de minister 48 uur de tijd om de maatregelen om te zetten. De maatregelen zijn pas omgezet op 23 maart 2026, zodat de bewaring van eisers ten minste een dag onrechtmatig heeft voortgeduurd.
3. De minister erkent in zijn brief van 27 maart 2026 dat de maatregelen uiterlijk op 22 maart 2026 omgezet hadden moeten worden, hetgeen pas op 23 maart 2026 is gebeurd. De minister verzet zich dan ook niet tegen toekenning van schadevergoeding voor één dag wegens de te late omzetting.
4. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het vorenstaande blijkt dat de minister de maatregelen uiterlijk binnen twee dagen na de beslissing op de asielaanvragen van eisers had moeten omzetten, dit was dus uiterlijk op 22 maart 2026. Bij het nalaten hiervan wordt het voortduren van de maatregelen onrechtmatig. Zoals de minister heeft erkend, is deze termijn niet gehaald nu de maatregelen pas op 23 maart 2026 zijn omgezet. Dit bekent dat de bewaring van eisers vanaf 22 maart 2026 onrechtmatig is geworden. De beroepsgrond slaagt.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eisers:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging hebben ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg hebben gegeven;3i. te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eisers:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning hebben ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden onder 3a en 3c en alle lichte gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
7. Eisers stellen dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring, bijvoorbeeld een vrijheidsbeperkende maatregel zoals plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie (vbl). Er bestaan volgens eisers meerdere aanknopingspunten hiervoor. Eiseres kampt met depressiviteit, PTSS, suïcidale gedachten, paniekaanvallen, et cetera. Daardoor zijn eisers van mening dat de inbewaringstelling onevenredig bezwarend voor hen is. Hierbij verwijzen eisers naar de overgelegde medische stukken en het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Verder zijn eisers van mening dat de zeer jonge leeftijd van eiser had moeten leiden tot de oplegging van een lichter middel. De minister heeft in de maatregel onvoldoende rekening gehouden met de belangen van het minderjarige kind. Ook heeft eiseres in een gesprek met de casemanager van het COA kenbaar gemaakt dat zij bereid is om met DT&V in gesprek te gaan over terugkeer. Tot slot voeren eisers aan dat zij gedurende de procedure telkens in het zicht van de autoriteiten zijn gebleven en nooit met onbekende bestemming zijn vertrokken.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kon worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Dat de inbewaringstelling een negatief effect zou hebben op de medische klachten van eiseres acht de rechtbank onvoldoende met medische documenten onderbouwd. Verder is in de bestreden besluiten gewezen op de medische voorzieningen op het detentiecentrum. Deze voorzieningen zijn gelijkwaardig aan die in de vrije maatschappij. Ook is overwogen dat als zorg niet voldoende kan worden gegeven, eisers kunnen worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch ziekenhuis of een gesloten gezondheidsinstelling. Tevens is in de maatregel van eiseres toegelicht dat indien er een gevaar van suïcide dreigt, er in detentie een extra beveiligde zorgafdeling aanwezig is. Dat de inbewaringstelling vanwege de medische situatie van eiseres onevenredig bezwarend zou zijn, volgt de rechtbank dan ook niet. Ten aanzien van eiser, die minderjarig is, heeft de minister in het bestreden besluit een verzwaarde belangenafweging gemaakt. Daarbij is ook gekeken naar de leeftijd van eiser, zijn medische achtergrond en de samenstelling van het gezin. Ook is overwogen dat eisers op 19 maart 2026 een vervangend reisdocument hebben ontvangen van de Filipijnse autoriteiten waarmee zij kunnen terugkeren en dat de bewaring daarom niet onnodig lang hoeft te duren. Dat eiseres in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat zij twee of drie weken geleden tegen de COA-casemanager heeft gezegd dat zij een gesprek wilde met DT&V om te praten over terugkeer leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft in eerdere vertrekgesprekken meermaals en expliciet verklaard niet terug te willen keren naar haar land van herkomst. Verder heeft eiseres in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling hierover wisselend verklaard door enerzijds te verklaren dat zij zal meewerken aan een vrijwillige uitzetting en anderzijds dat het lastig is om mee te werken aan een vrijwillige uitzetting. De minister heeft verder terecht overwogen dat eerdere vertrekgesprekken en een meldplicht niet hebben geleid tot het daadwerkelijke vertrek van eisers en dat eiseres ook niets heeft ondernomen wat kon bijdragen aan de terugkeer van eisers. De beroepsgrond slaagt niet.
Beginsel van non-refoulement
9. Eisers verwijzen naar het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2026 en verzoeken de rechtbank daarbij om de bestreden besluiten ook ambtshalve te toetsen op rechtmatigheid.
10. De rechtbank stelt voorop dat de huidige bewaring is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin eisers in bewaring zijn gesteld ter fine van verwijdering ter uitvoering van een definitief terugkeerbesluit. De beoordeling van de vraag of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de inbewaringstelling van eisers is dan ook niet aan de orde. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
11. De beroepen zijn gegrond, omdat de maatregelen vanaf 22 maart 2026 (tot de opheffing daarvan op 23 maart 2026) onrechtmatig hebben voortgeduurd. Dit leidt echter niet tot het opheffen van de maatregelen of het in vrijheid stellen van eisers, omdat deze maatregelen al zijn opgeheven en aan eisers aansluitend nieuwe maatregelen zijn opgelegd. De nieuwe maatregelen liggen hier niet ter beoordeling voor. De rechtbank kent wel een schadevergoeding toe voor één dag onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 120,- per gezinslid. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 240,-.
12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Vanwege de samenhang van de zaken blijft de hoogte van de proceskostenveroordeling beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend (artikel 3 van het Bpb).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 240,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 mei 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.