RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12568
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft nagelaten een individuele en volledige beoordeling te maken van de persoonlijke omstandigheden van eiser en zijn mogelijke verblijfsrecht in andere lidstaten, in dit geval Spanje. Volgens eiser is hij voorafgaand aan het terugkeerbesluit niet in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen.
2. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder is in dat geval op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gehouden een terugkeerbesluit op te leggen.
3. De rechtbank is verder van oordeel dat uit het proces-verbaal van het gehoor dat voorafgaand aan het uitvaardigen van het terugkeerbesluit heeft plaatsgevonden, blijkt dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaren tegen het voorgenomen terugkeerbesluit naar voren te brengen. Eiser is er bij aanvang van het gehoor op gewezen dat verweerder van plan is om een terugkeerbesluit op te leggen en dat het aan eiser is om individuele omstandigheden naar voren te brengen die ertoe kunnen leiden dat van het terugkeerbesluit kan worden afgezien. Tijdens het gehoor zijn vervolgens gerichte vragen aan eiser gesteld over relevante onderwerpen, zoals zijn verblijfsstatus in de Europese Unie, zijn familie- en gezinsleven en zijn medische omstandigheden. Op de vraag ten aanzien van zijn verblijfsrecht heeft eiser geantwoord dat hij in Spanje het een en ander in gang heeft gezet. Verweerder heeft vervolgens onderzoek gedaan in Eurodac en EU-Vis. Daaruit is gebleken dat eiser een toeristenvisum had aangevraagd voor Spanje en deze aanvraag is afgewezen. Niet is gebleken dat hij een verblijfsrecht heeft in Spanje. Het ter zitting ingenomen standpunt dat verweerder had moeten doorvragen, nu het zo had kunnen zijn dat eiser op korte termijn wel over verblijfsrecht zou beschikken, leidt niet tot een ander oordeel. In dat geval had het op de weg van eiser gelegen om dit naar voren te brengen en te onderbouwen. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.