RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9278
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
(gemachtigde: mr. I. Vugs ).
Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit onder het kopje ‘Zienswijze’ ten onrechte heeft vermeld dat eiser omtrent het bestreden besluit in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken en dat hierbij door eiser geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd. In het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het bestreden besluit stelt eiser immers uitdrukkelijk dat hij verblijfsrecht heeft in Spanje en dat zijn verblijfsdocument door de Duitse autoriteiten in beslag is genomen. Verweerder heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke positie van eiser in Spanje. Daarnaast heeft verweerder niet gemotiveerd waarom eiser dient terug te keren naar Marokko.
De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan het bestreden besluit blijkt dat verweerder op basis van de verklaringen van eiser onderzoek heeft gedaan naar zijn verblijfsrecht in Spanje, door dit bij de Koninklijke Marechaussee (Kmar) na te vragen. De Kmar heeft dit vervolgens bij de Spaanse autoriteiten nagevraagd, waarna deze bevestigden dat eiser geen verblijfsrecht (meer) heeft in Spanje. De uitdraai uit het systeem is aan het dossier toegevoegd. Dit werd ook aan eiser meegedeeld tijdens het gehoor. Nu eiser tijdens het gehoor alleen naar voren heeft gebracht dat hij hier niet van op de hoogte was, heeft verweerder terecht in de zienswijze aangegeven dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd en dat eiser dient terug te keren naar zijn land van herkomst, Marokko. De beroepsgrond slaagt niet.
2. Eiser voert aan dat verweerder niet kenbaar heeft beoordeeld of het opleggen van een terugkeerbesluit in de gegeven omstandigheden proportioneel is.
De rechtbank overweegt als volgt. Het opleggen van een lichter middel speelt bij een terugkeerbesluit geen rol. Uit artikel 62a, eerste lid, van de Vw, volgt dat aan de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf een terugkeerbesluit wordt opgelegd. Hiervan kan alleen worden afgeweken in geval de in artikel 62a, eerste lid, onder a, b en c, genoemde uitzonderingen zich voordoen. Eiser heeft niets aangevoerd in het kader van deze uitzonderingen, wat maakt dat dit geen afbreuk kan doen aan het terugkeerbesluit. Ten aanzien van de stelling ter zitting dat het inreisverbod een te zware maatregel is, merkt de rechtbank op dat niet is gebleken dat een inreisverbod is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.