RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10642
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn onaangekondigd niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser vindt dat verweerder had moeten afzien van een terugkeerbesluit nu eiser met een Bulgaars visum het Schengengebied is nagereisd. Eiser vindt dat hij een aanzegging had
moeten krijgen om zich te begeven naar Bulgarije nu Bulgarije dit visum had afgegeven. Hierbij komt dat eiser op 16 februari 2026 asiel heeft aangevraagd, en dat is binnen 6 maanden nadat het visum is verlopen. Op grond van artikel 12, vierde lid van de Dublin-verordening is Bulgarije dan verantwoordelijk en is het aan Bulgarije om een eventueel terugkeerbesluit en inreisverbod op te leggen.
Allereerst merkt de rechtbank op dat eiser pas na het opleggen van het bestreden besluit op 11 februari 2026 een asielaanvraag heeft ingediend, en dat de werking van het bestreden besluit daarmee voor de duur van eisers asielprocedure is opgeschort. Voor zover eiser heeft willen betogen dat hij naar Bulgarije overgedragen dient te worden, overweegt de rechtbank dat Nederland voor zijn asielaanvraag verantwoordelijk is geworden door deze in behandeling te nemen. De stelling dat eiser een aanzegging had moeten krijgen om zich te begeven naar Bulgarije, volgt de rechtbank dit niet. Eiser had ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit immers geen rechtmatig verblijf meer. De beroepsgrond slaagt niet.
2. Eiser stelt dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod onrechtmatig zijn, omdat ten onrechte geen informatiefolder aan hem is uitgereikt in een taal die hij begrijpt. Eiser verwijst in dit verband naar artikel 12, tweede en derde lid, van de Terugkeerrichtlijn.
De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod volgt dat de redenen waarom deze aan eiser zou worden opgelegd (de zware en de lichte gronden) met hem zijn besproken met een beëdigde Oezbeekse tolk. Eiser gaf aan alles wat de tolk had gezegd te begrijpen. Daarnaast blijkt uit het terugkeerbesluit zelf dat deze is uitgereikt aan eiser en dat de betekenis en de gevolgen van het inreisverbod mondeling in de Oezbeekse taal zijn toegelicht. Voor zover eiser heeft willen betogen dat een informatiefolder voorhanden had moeten zijn in de Oezbeekse taal, is de rechtbank van oordeel dat dit niet volgt uit artikel 12, tweede en derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
3. Eiser stelt dat het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod in zijn geval
buitenproportioneel is, nu hij nooit eerder in aanraking is gekomen met verweerder, geen strafbare feiten heeft gepleegd, en niet op de hoogte was dat hij in strijd met het vreemdelingenrecht in Nederland was.
In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
Deze onbestreden gronden zijn, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende om op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw aan eiser een vertrektermijn te onthouden. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank wijst verder nog naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 27 februari 2026 (met zaaknummers (NL26.8402 & NL26.9205 ) waarin de gronden van de maatregel van bewaring die tegelijk met dit terugkeerbesluit is opgelegd zijn getoetst en rechtmatig zijn bevonden. Gelet hierop was verweerder op grond van artikel 66, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw gehouden aan eiser een inreisverbod op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. De reden hiervoor is dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van het inreisverbod geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht om van het inreisverbod af te zien. De stelling dat eiser geen strafbare feiten heeft gepleegd, niet eerder met verweerder in aanraking is gekomen en er - omdat hij de taal niet beheerst - niet van op de hoogte was dat hij onrechtmatig in Nederland was, leidt niet tot een ander oordeel. Het onrechtmatig verblijf na het verlopen van zijn visum komt bovendien voor eisers eigen rekening en risico. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.