RECHTBANK DEN HAAG
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser],
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.33178
V-nummer: [v-nummer]
geboren op [geboortedag] 1983, van Chinese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. T. Mustafazade),
en
de minister van Asiel en Migratie , de minister
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
1. Bij besluit van 20 maart 2024 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit, een inreisverbod voor de duur van tien jaar en een besluit tot signalering in het SIS opgelegd.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 maart 2026. De minister heeft het bezwaar van eiser, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, op 25 april 2024 doorgestuurd aan de rechtbank omdat tegen deze onderdelen van het besluit rechtstreeks beroep openstaat. De rechtbank heeft het bezwaarschrift van eiser tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod als beroepschrift geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/7422.
Op 4 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank verzocht zaaknummer AWB 24/7422 af te sluiten, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat dit ten overvloede was aangemaakt. Toen zij later tot de realisatie kwam dat dit niet het geval was, heeft de rechtbank de behandeling dit beroep op verzoek van de gemachtigde van eiser voortgezet onder het nieuwe zaaknummer AWB 25/18935.
Bij besluit van 26 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister beslist op het bezwaar van eiser tegen het besluit tot signalering. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij besluit van 7 januari 2025 (het opheffingsbesluit) heeft de minister het inreisverbod opgeheven en de signalering van eiser in SIS gewijzigd naar een signalering in het systeem E&S. De rechtbank heeft (de gemachtigde van) eiser daarop verzocht om een reactie op het opheffingsbesluit.
Op 9 februari 2025 heeft de gemachtigde van eiser het beroep tegen het bestreden besluit ingetrokken. Op 27 februari 2026 heeft de gemachtigde aan de rechtbank laten weten dat het niet haar bedoeling was om het beroep tegen het bestreden besluit in te trekken en de rechtbank verzocht deze intrekking als niet-verzonden te beschouwen.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. De gemachtigden van partijen hebben hieraan deelgenomen.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
2. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij met de intrekking van zaak NL24.33178 het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod had ingetrokken. Na het opheffingsbesluit was het ook logisch om dat beroep in te trekken. Doordat het opheffingsbesluit en het verzoek van de rechtbank om een reactie hierop waren opgevoerd in het digitale dossier van zaaknummer NL24.33178, dat betrekking had op het besluit tot signalering, heeft de gemachtigde van eiser de intrekkingsverklaring per abuis in dat dossier verstuurd. Daarnaast stond in het systeem van de rechtbank bij dit zaaknummer de vermelding ‘terugkeerbesluit en inreisverbod’, wat de gemachtigde van eiser verder in verwarring bracht. Zij stelt zich daarom op het standpunt dat bij het bericht tot intrekking sprake was van dwaling.
3. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van dwaling. Het opheffingsbesluit is opgevoerd in het digitale dossier dat betrekking heeft op het besluit tot signalering omdat dit opheffingsbesluit ook gevolgen had voor de signalering van eiser. Uit het opheffingsbesluit volgt immers dat eisers signalering is gewijzigd van een SIS-signalering naar een E&S-signalering. Daarom heeft de rechtbank, zoals gebruikelijk is, ook in die zaak om een reactie op het opheffingsbesluit gevraagd. Dat de gemachtigde van eiser hierover in verwarring is geraakt en vervolgens een intrekkingsverklaring heeft verstuurd, komt voor haar eigen rekening en risico. Van een professionele gemachtigde mag worden verwacht dat deze zorgvuldig omgaat met het intrekken van zaken. Dat in het systeem van de rechtbank bij dit zaaknummer de vermelding ‘terugkeerbesluit en inreisverbod’ staat, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat verwarring is ontstaan over de zaaknummers van enerzijds het rechtstreekse beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod en anderzijds het beroep tegen het bestreden besluit, is vooral ook het gevolg van de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser zelf aanvankelijk niet het juiste rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod. Van een professioneel gemachtigde mag worden verwacht dat die de rechtsmiddelenclausule goed leest en opvolgt. Daarnaast stond het de gemachtigde van eiser vrij om bij twijfel contact op te nemen met de rechtbank. De rechtbank had haar kunnen helpen duidelijkheid te scheppen over de vraag welk zaaknummer bij welke procedure hoorde, op het moment dat het intrekkingsbesluit in het digitale dossier in zaaknummer NL24.33178 werd geplaatst en haar om een reactie daarop werd gevraagd. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser immers ook geaccommodeerd door het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod opnieuw in te voeren in het systeem.
4. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van dwaling en dat de intrekking van het beroep voor rekening en risico van de gemachtigde van eiser komt. Aangezien het beroep is ingetrokken, is het niet-ontvankelijk.
5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.