ECLI:NL:RBDHA:2026:1221

ECLI:NL:RBDHA:2026:1221

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer SGR 24/9414
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beroep tegen een omgevingsvergunning voor het veranderen van een voormalige huisartsenpraktijkruimte naar vier appartementen in Bergambacht. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat participatie niet naar de tevredenheid van eiser is verlopen, betekent niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het college heeft het aantal parkeerplaatsen goed vastgesteld. De impact van het bouwplan is niet zo groot dat het woon- en leefklimaat van eiser onevenredig wordt aangetast. Er is geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Omdat het – wat bouwactiviteit betreft – om een inpandige verbouwing gaat, behoefde het college geen welstandsadvies te vragen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/9414

en

(gemachtigde: mr. M.E.C. Zwanenburg).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [woonplaats] (vergunninghouders).

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het veranderen van een voormalige huisartsenpraktijkruimte naar vier appartementen in Bergambacht. Eiser is een omwonende en is het niet eens met het verlenen van deze omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 30 april 2024 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een voormalige praktijkruimte naar vier appartementen in Bergambacht. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [naam 1] , en namens het college:

[naam 2] en de gemachtigde van het college, en vergunninghouders.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 21 december 2023 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen van een bestaande huisartsenpraktijkruimte naar vier appartementen aan de Tussenlanen 1a, b, c, en d, in Bergambacht.

Met het besluit van 30 april 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Het college heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van de Bouwverordening en het Bouwbesluit 2012. Omdat het plan alleen betrekking heeft op inpandige wijzigingen is het niet ter beoordeling voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het bouwplan is wel in strijd met het bestemmingsplan “Dorpsgebied” (bestemmingsplan), omdat het bouwplan voorziet in het aanleggen van parkeerplaatsen in de bestemming “Tuin” en omdat door het bouwplan het aantal woningen in het plangebied wordt vermeerderd, waarbij het type woning wordt gewijzigd van ‘vrijstaand’ naar ‘gestapeld’.

Vanwege de geconstateerde strijdigheid met het bestemmingsplan, heeft het college de omgevingsvergunning, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), in afwijking van het bestemmingsplan verleend voor het realiseren van parkeerplaatsen in de bestemming “Tuin”. Hierover heeft het college in de omgevingsvergunning overwogen dat dit op basis van de ‘Beleidsregels buitenplanse afwijkingsbevoegdheid’ voor vergunningverlening in aanmerking komt, omdat de parkeerplaatsen het woon- en leefklimaat niet onevenredig aantasten.

Verder heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1º, van de Wabo en de afwijkingsmogelijkheid die in het bestemmingsplan is geboden, ook een omgevingsvergunning verleend voor het vermeerderen van het aantal woningen in het plangebied en het wijzigen van het woningtype. Het college heeft daarbij van belang geacht dat het aantal verkeersbewegingen dat het plan genereert, gering zal zijn en de afwikkeling past op de bestaande weg. Ook een ontsluiting kan op deze locatie overzichtelijk worden ingericht en past in de situatie, mits de zichtlijnen voldoende vrijgehouden worden. Verder sluit het plan aan bij de Omgevingsvisie Krimpenerwaard omdat het voorziet in het realiseren van woningen door herontwikkeling, transformatie en herbestemming in bestaand bebouwd gebied.

In het bestreden besluit op de bezwaren van eiser heeft het college een aanvullende motivering opgenomen en overwogen dat de toename van het aantal bewoners in de omgeving de belangen van de omwonenden niet onevenredig schaadt.

Alleen [eiser] is eiser in deze zaak

4. Eiser heeft in het beroepschrift geschreven dat hij het beroep ook heeft ingediend namens [naam 1] . Zij hebben eerder afzonderlijk van elkaar bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning en het college heeft op ieder bezwaar een afzonderlijke beslissing op bezwaar genomen. In beroep hebben eiser en [naam 1] echter alleen het besluit op het bezwaar van eiser bestreden. Op de zitting heeft de rechtbank dit met partijen besproken. Eiser heeft desgevraagd te kennen gegeven dat de rechtbank het beroepschrift zo moet lezen dat [naam 1] het beroep van eiser ondersteunt. De rechtbank merkt [naam 1] in deze uitspraak daarom niet aan als eiser.

Overgangsrecht Omgevingswet

5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo, zoals dat gold vóór

1 januari 2024, van toepassing blijft.

Juridisch kader

6. De voor de beoordeling van dit beroep relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.

Participatie en het convenant

7. Eiser betoogt dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld omdat geen participatie heeft plaatsgevonden. Volgens eiser blijkt niet dat het college de belangen van de omwonenden zorgvuldig heeft afgewogen. In dat verband wijst eiser erop dat tijdens een beroepsprocedure tegen een eerder verleende omgevingsvergunning – op 10 juli 2023 – een Akte vestiging erfdienstbaarheden (hierna: het convenant) is getekend. Eiser heeft daarna zijn beroep tegen die eerder verleende omgevingsvergunning ingetrokken. Eiser was in de veronderstelling dat in het convenant afspraken waren gemaakt waardoor het realiseren van het bouwplan zoals het nu is vergund, niet mogelijk zou zijn. Dat het college vlak daarna toch een omgevingsvergunning heeft verleend voor het realiseren van vier appartementen vindt eiser onzorgvuldig, temeer omdat het college eerder schriftelijk had toegezegd dat participatie met omwonenden en stakeholders een prominente rol zou krijgen. Als alle partijen om de tafel hadden gezeten had een voor de omwonenden aanvaardbaar alternatief afgesproken kunnen worden, aldus eiser.

Het college stelt zich op het standpunt dat participatie onder de Wabo niet verplicht is en dat draagvlak bij de omwonenden geen voorwaarde is om een ontwikkeling mogelijk te maken. Eiser heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid bezwaar te maken en beroep in te stellen en in dat kader heeft hij zijn zorgen en standpunten naar voren gebracht. Het bestreden besluit is daarom, ook wat participatie betreft, zorgvuldig tot stand gekomen. Het college vat de verwijzing naar het convenant op als een betoog dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die zou voortvloeien uit het convenant. Het vergunde bouwplan is volgens het college echter niet in strijd met de in deze akte neergelegde rechten, die specifiek en ondubbelzinnig zijn beschreven. Er kan dan ook geen sprake zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering, aldus het college.

De rechtbank overweegt het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is in het stelsel van de Wabo geen plaats voor een beslissing over een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Uitgangspunt van de Wabo is dat het, behoudens de situatie als bedoeld in artikel 2.7 van die wet, de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is (Kamerstukken II, 2006-07, 30 844, nr. 3, blz. 37). Dat betekent onder meer dat, als het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarbij is het zo dat het aan degene is die stelt dat er alternatieven zijn, om deze alternatieven te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert.

Eiser merkt op zichzelf terecht op dat het college heeft toegezegd dat participatie met stakeholders en omwonenden een prominente rol zou krijgen. Dit betekent echter niet dat – zoals eiser lijkt te veronderstellen – het college gehouden was om voorafgaand aan het indienen van de aanvraag door vergunninghouder inspraak door of overleg met omwonenden te faciliteren of daar toezicht op te houden. Het is immers, zoals hiervoor overwogen, aan de aanvrager om te bepalen wat de omvang van het project is. Gelet op de algemene bewoordingen van de toezegging van het college, strekt deze naar het oordeel van de rechtbank niet verder dan dat er aandacht moet zijn voor de belangen van de omwonenden. Dat participatie niet naar de tevredenheid van eiser is verlopen, betekent niet dat het bestreden besluit alleen al daarom onzorgvuldig tot stand is gekomen. Dat een alternatief met minder appartementen en een aansluiting op de bestaande inrit op de Hoofdstraat voor eiser wel acceptabel zou zijn geweest, betekent – gelet op het toetsingskader voor alternatieven zoals beschreven in overweging 7.2 – evenmin dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank kan het door eiser bedoelde alternatief met minder woningen niet als een gelijkwaardig resultaat worden gezien.

Verder heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de Wabo geen participatieplicht kent. De rechtbank begrijpt dat het frustrerend is voor eiser dat in de ‘Ruimtelijke motivering’ van 19 december 2023 is gesteld dat alle omwonenden positief staan tegenover de beoogde bouwplannen terwijl dat niet het geval was en is. Uit het dossier blijkt echter dat het college wel degelijk op de hoogte was van het gegeven dat niet alle omwonenden positief waren. Daarin heeft het college echter geen belemmering gezien om medewerking te verlenen aan het bouwplan zoals door vergunninghouder aangevraagd. Dat er in de omgeving onvoldoende draagvlak voor het realiseren van vier appartementen is, los van de vraag of dat zo is, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat het college hieraan niet heeft kunnen meewerken. Of het college in de besluitvorming voldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van eiser zal de rechtbank verderop in de uitspraak beoordelen.

Ook in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht over het convenant ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen. Dat eiser ervan uitging dat op grond van het convenant het realiseren van meerdere appartementen was uitgesloten, vindt geen steun in de tekst van het convenant. Daarin staat immers slechts dat “het de eigenaar van het dienend erf niet is toegestaan om gedurende een periode van twintig jaar na heden bij eventuele verbouwing van de op het dienend erf staande opstallen of, na sloop van de op het dienend erf staande opstallen bij nieuwbouw de nokhoogte van de op dienend staande opstallen hoger te laten zijn dan zes meter vijftig centimeter en de goothoogte van bedoelde opstallen hoger te laten zijn dan drie meter dertig centimeter.” Verder is de inhoud van het convenant ook betrokken in het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit. De rechtbank ziet met het college niet in dat het bestreden besluit in strijd is met het convenant. Daar kan dus evenmin een evidente privaatrechtelijke belemmering in worden gelezen, voor zover eiser dat betoogt.

De beroepsgrond slaagt niet.

Parkeren

8. Eiser betoogt dat het college geen omgevingsvergunning voor het realiseren van de parkeerplaatsen heeft kunnen verlenen met toepassing van artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Bor. Het bebouwde oppervlak wordt volgens eiser aanmerkelijk vergroot, en dit artikel kan volgens eiser niet worden aangewend als het aantal woningen toeneemt. Eiser betoogt verder dat het college bij het berekenen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. De verkeerskundige is immers uitgegaan van vier koopwoningen in het goedkope segment, terwijl het gaat om vier appartementen voor verhuur in de vrije sector. Zelfs al zou het aantal van zeven parkeerplaatsen kloppen, dan nog is er volgens eiser niet of nauwelijks ruimte om deze op het perceel van vergunninghouder te realiseren. In ieder geval is het te weinig om het nog een tuin te noemen. Door de beperkte ruimte zal het snel rommelig worden en zal er in de praktijk niet worden voldaan aan de eisen van het Inrittenbeleid Krimpenerwaard. Daarin staat immers dat er niet voor het huis geparkeerd mag worden. Dat de inrit al vergund is, maakt dat volgens eiser niet anders.

Het college stelt zich op het standpunt dat artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Bor ook van toepassing is op een gebruikswijziging van het aansluitend terrein, en niet alleen op de gebruikswijziging van een bouwwerk. Het college stelt zich verder op het standpunt dat terecht is uitgegaan van een parkeerbehoefte van zeven parkeerplaatsen. Daarnaast blijkt uit de positieve adviezen van de verkeersdeskundige dat deze parkeerplaatsen allemaal op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd. Eiser heeft geen tegenadvies of contra-expertise overgelegd waaruit blijkt dat het college het advies van de verkeersdeskundigen niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen, aldus het college.

Ter verduidelijking overweegt de rechtbank in dit verband allereerst het volgende. De omgevingsvergunning voor het vermeerderen van het aantal woningen en het wijzigen van het woningtype, heeft het college vergund via de afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en die hieronder in rechtsoverweging 8.3 zijn weergegeven (de zogeheten binnenplanse afwijking). Ook het aantal voor de woningen benodigde parkeerplaatsen is vastgesteld op grond van het bestemmingsplan. Voor zover het college artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Bor heeft toegepast, ziet dat alleen op het realiseren van de parkeerplaatsen op gronden met de bestemming “Tuin”, en dus niet op het aantal parkeerplaatsen.

Planregel 20.2.1., onder b en d, van het bestemmingsplan “Dorpsgebied” luidt als volgt:

[…]

b. het aantal woningen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van dit plan, mag niet worden vermeerderd;

[…]

d. hoofdgebouwen worden gebouwd in de volgende vorm:

1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand': vrijstaand, met een maximum oppervlakte van 120 m²;

2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneengebouwd': twee-aaneengebouwd met een maximumoppervlakte van 100 m² of vrijstaand met een maximum oppervlakte van 120 m²;

3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd': aaneengebouwd, met een maximumdiepte van 12 m;

4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld': gestapeld;

[…]

Planregel 20.3.1. luidt als volgt:

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 20.2.1 onder b om extra woningen toe te staan, met dien verstande dat:

a. er op eigen terrein in parkeergelegenheid wordt voorzien aan de hand van de volgende normering:

b. indien de toename aan verhard oppervlak meer dan 250 m² bedraagt, 10% van de toename aan verhard oppervlak gecompenseerd wordt in de vorm van nieuw oppervlaktewater.

Planregel 20.3.2 luidt als volgt:

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 20.2.1, onder d, om afwijkende woningtypen toe te staan, met dien verstande dat uitsluitend van het type woningen kan worden afgeweken en dat wel voldaan wordt aan de genoemde maatvoeringen uit lid 20.2.1 onder d behorend bij de mogelijk te maken type woningen.

De rechtbank overweegt verder dat niet alleen het bestemmingsplan “Dorpsgebied” een parkeernorm voor het toevoegen van woningen bevat. In het bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard” (hierna: het parapluplan parkeren) is over parkeren opgenomen: “het bevoegd gezag kan slechts een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig het bepaalde in de CROW-publicatie 317 (oktober 2012) en diens rechtsopvolger(s)”. De rechtbank constateert dat in de verkeersadviezen van

13 februari 2024 en 30 april 2024 de parkeerbehoefte is berekend aan de hand van

CROW-publicatie 381, en dat de verkeerskundige op basis daarvan tot de conclusie is gekomen dat zeven parkeerplaatsen benodigd zijn. In de omgevingsvergunning (p. 5) heeft het college zich weliswaar op het standpunt gesteld dat het plan in overeenstemming is met het parapluplan parkeren, maar heeft het college vervolgens (p. 7) de norm uit het bestemmingsplan “Dorpsgebied”, namelijk 1,7 parkeerplaatsen per woning (goedkoop segment) verder uitgewerkt. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het in dit geval niet uitmaakt aan welke norm wordt getoetst, aangezien zowel op basis van CROW-publicatie 381 als op basis van de norm uit het bestemmingsplan “Dorpsgebied” wordt uitgekomen op een parkeerbehoefte van zeven parkeerplaatsen. De rechtbank kan het college hierin volgen. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat het college, mede gelet op het aantal vierkante meters per appartement, heeft kunnen uitgaan van de parkeernorm voor het goedkope segment. Voor zover eiser betoogt dat het college bij de berekening op basis van CROW-publicatie 381 is uitgegaan van de verkeerde norm omdat de appartementen niet zijn verkocht maar worden verhuurd, overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd dat vanwege de verhuur van de woningen en de huurprijs een hogere parkeernorm zou gelden. Verder blijkt uit de adviezen van de verkeerskundige dat er op het perceel van vergunninghouders voldoende ruimte is om de vergunde parkeerplaatsen te realiseren. Dit heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd betwist. De enkele stelling dat de sloot schuiner wegloopt dat op de tekening is aangegeven, is daartoe niet voldoende.

Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van gronden met de bestemming “Tuin” voor het parkeren, zelfstandig kan worden vergund met toepassing van artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Bor. Anders dan eiser stelt, wordt bij het realiseren van de parkeerplaatsen de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroot. Voor zover eiser betoogt dat op grond van artikel 5 van bijlage II bij het Bor het aantal woningen gelijk moet blijven, overweegt de rechtbank dat het toevoegen van de woningen niet is vergund via artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Bor, maar via een binnenplanse afwijking. Daar komt bij dat artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Bor, op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c van bijlage II bij het Bor, juist is uitgezonderd van de eis dat het aantal woningen gelijk blijft.

Verder is de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bestreden besluit niet ziet op het aanleggen van een inrit. Daar is immers een afzonderlijke omgevingsvergunning voor aangevraagd en verleend. Het college behoefde in het kader van deze aanvraag daarom niet te toetsen aan het Inrittenbeleid. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd dat deze reeds vergunde uitweg niet geschikt is voor de in het bestreden besluit vergunde ontwikkelingen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Impact op de omgeving

9. Eiser betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan geen impact op de omgeving heeft. In dit verband wijst hij erop dat de impact van het beoogde gebruik wezenlijk anders is dan het bestaande gebruik. Daarbij komt dat de tuin wordt vervangen door een groot versteend parkeerterrein. Ook de bezwaarschriftencommissie heeft de motivering van het college onvoldoende bevonden. De in het bestreden besluit alsnog gegeven aanvullende motivering vindt eiser onvoldoende. Van een deugdelijke belangenafweging is geen sprake. Het college heeft immers niet getoetst aan de criteria geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid. Ook heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de extra verkeersbewegingen gering zullen zijn en goed inpasbaar op de weg.

Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan niet wezenlijk anders is dan de bestaande situatie nu het gaat om een inpandige verbouwing en een relatief kleinschalig project, waarbij de parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein. Er komen weliswaar appartementen bij, maar zowel het perceel als de directe omgeving heeft al een woonbestemming en kan dan ook getypeerd worden als woongebied. Verder heeft het college toegelicht dat het aantal verkeersbewegingen juist zal afnemen, omdat het pand eerder in gebruik was als huisartsenpraktijk. Volgens het college was er in de oude situatie gedurende de dag een constante stroom van patiënten, personeel en leveringen, terwijl de verkeersbewegingen in de nieuwe situatie veelal aan het begin en einde van de dag plaatsvinden. Op basis van het onderzoek van de verkeerskundige, stelt het college zich op het standpunt dat het aantal verkeersbewegingen gering is en past op de weg, zodat niet voor een verkeersonveilige situatie hoeft te worden gevreesd. Eiser heeft deze beoordeling van de verkeerssituatie niet gemotiveerd betwist.

Gelet op deze motivering ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de impact van het bouwplan zo groot is, dat het woon- en leefklimaat van eiser onevenredig wordt aangetast. Evenmin is er een aanknopingspunt voor het oordeel dat het college de gevolgen van het bouwplan voor de verkeersveiligheid onjuist heeft gewogen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Privacy / privaatrechtelijke belemmering

10. Eiser betoogt dat het bouwplan in strijd is met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat er vanuit de dakkapellen zicht is op belendende percelen en deze op minder dan twee meter van de erfgrens van een van de omwonenden staat. Dat is een directe weigeringsgrond voor de omgevingsvergunning. Dat deze dakkapellen al aanwezig waren, maakt niet dat deze niet in de beoordeling kan worden betrokken, aangezien het gebruik van het pand voor appartementen, anders is dan het gebruik als dokterspraktijk. Het college heeft de belangen van de omwonenden op dit punt onvoldoende betrokken.

Het college stelt zich op het standpunt dat de dakkapellen deel uitmaken van het bestaande gebouw en het bouwplan daar geen verandering in brengt.

De rechtbank overweegt het volgende. Anders dan eiser betoogt is artikel 5:50 van het BW geen directe weigeringsgrond die aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staat. Wel kan dit artikel relevant zijn in het kader van de beoordeling of er sprake is van een zogenoemde evidente privaatrechtelijke belemmering. De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan verlening van deze omgevingsvergunning in de weg staat, aangezien de dakkapellen reeds in het pand aanwezig waren en de omgevingsvergunning niet ziet op het realiseren daarvan. Daarbij komt nog dat de dakkapellen niet binnen twee meter van het perceel van eiser staan. Omdat de rechtbank inhoudelijk van oordeel is dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, zal de rechtbank in het midden laten of in dit kader het relativiteitsvereiste aan eiser moet worden tegengeworpen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Ontbreken advies Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK)

11. Eiser betoogt dat de aanvraag – gelet op de ruimtelijke impact – ten onrechte niet is voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK), terwijl dat bij de vorige vergunningaanvraag wel het geval was. In dat kader wijst hij erop dat de Tussenlanen één van de bebouwingslinten in het buitengebied is, waar volgens de Nota Ruimtelijke Kwaliteit een bijzonder welstandsniveau geldt. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld. Dat is volgens eiser niet het geval.

Het college stelt zich op het standpunt dat een advies van de CRK niet vereist is, aangezien het om een inpandige verbouwing gaat. Verder is het aanleggen van de parkeerplaatsen volgens het college geen bouwactiviteit en behoefde het bouwplan ook wat dat betreft niet te worden voorgelegd aan de CRK.

De rechtbank overweegt het volgende. Zoals op de zitting met partijen besproken adviseert de CRK het college alleen op de welstandsaspecten van een aanvraag. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het plan – wat bouwactiviteiten betreft – voorziet in een inpandige verbouwing en dat een welstandsbeoordeling daarom niet aan de orde is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat een beoordeling van de ruimtelijke impact van het bouwplan ontbreekt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het dossier twee verkeersadviezen en een ‘Advies bestemmingsplan en RO’ bevat waarin is ingegaan op de ruimtelijke impact van het bouwplan.

De beroepsgrond slaagt niet.

Gelijkheidsbeginsel

12. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het college heeft zich immers eerder – in het kader van een bouwplan om zes kleinere woningen te realiseren op het perceel [perceel] – op het standpunt gesteld dat uitwegen op de Tussenlanen als onveilig en onwenselijk werden beschouwd.

Het college stelt zich op het standpunt dat deze beroepsgrond afstuit op het relativiteitsvereiste, nu eiser geen gelijke gevallen heeft aangevoerd die hemzelf betreffen. Ook overigens is het college niet bekend dat vergelijkbare aanvragen zijn geweigerd.

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel sprake moet zijn van gelijke gevallen, waarin verschillende partijen ongelijk worden behandeld. Nog daargelaten dat het bestreden besluit niet ziet op het realiseren van een uitweg heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet concreet gemaakt waarom het bouwplan waar hij naar verwijst een gelijk geval is. Het gaat immers om een andere locatie en om een ander aantal woningen. Het enkele gegeven dat het college mogelijk eerder een ander standpunt heeft ingenomen over uitwegen op de Tussenlanen betekent niet dat daarom sprake is van het niet gelijk behandelen van gelijke gevallen.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank geeft daarom geen oordeel meer over de toepassing van het relativiteitsvereiste op deze beroepsgrond.

Herhalen en inlassen van het bezwaarschrift

13. Waar eiser voor het overige heeft verwezen naar hetgeen hij in de bezwaarprocedure heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat uit het in algemene zin herhalen en inlassen van bezwaargronden niet is af te leiden waarom eiser zich op het standpunt stelt dat het bestreden besluit onjuist of onvolledig is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding dit besluit te vernietigen.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;

[…].

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd, in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit 2012, (b) strijd met de Bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan en (d) strijd met de redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo dient een aanvraag voor de activiteit ‘bouwen’, indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, mede aangemerkt te worden als een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo (strijdig gebruiken). De vergunning wordt slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan;

1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

[…].

Ingevolge artikel 2.7 van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II (de zogeheten Kruimelgevallenregeling).

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 9 van bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking:

het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.H. van den Ende

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?