Nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 21 augustus 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.B. Doganer in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Kocabas in Zoetermeer.
Procedure
Bij beschikking van 11 september 2025 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, en de behandeling met betrekking tot de nevenvoorzieningen en de proceskostenveroordeling pro forma aangehouden tot 15 december 2025.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 6 maart 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door waarnemend advocaat mr. A Sarioglu, de man bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Verzoek en verweer
De nog openstaande verzoeken van de vrouw, na aanvulling, betreft nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig:
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft het verzoek tot toedeling van het huurrecht op de zitting ingetrokken.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen, nu zij sinds de geboorte van de kinderen de dagelijkse zorg voor hen heeft gedragen. De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, en de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepalen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vrouw was in eerste instantie van mening dat er structureel contact moest zijn tussen de man en de kinderen. In het verzoekschrift heeft zij daarom verzocht om te bepalen dat de kinderen iedere week van zaterdagochtend tot zondag 18:00 uur bij de man zouden zijn, alsmede tijdens de vakanties en de feestdagen. Op 28 januari 2025 heeft er echter een schietincident plaatsgevonden bij garagebedrijf van de man waarbij een medewerker is geraakt. De man is vervolgens voor twee maanden vertrokken naar [land]. De vrouw maakt zich veel zorgen om de veiligheid van de kinderen en heeft daarom het fysieke contact tussen de man en de kinderen stopgezet.
Tegen deze achtergrond is de Raad bij beschikking van 9 mei 2025 van deze rechtbank verzocht onderzoek te doen of, en zo ja op welke manier het contact tussen de man en de kinderen op een veilige en ontspannen manier kan plaatsvinden, en welke zorgregeling dan in het belang van de kinderen is. Uit het raadsrapport van 21 november 2025 volgt dat na politieonderzoek is gebleken dat de man het doelwit was in plaats van de medewerker van het garagebedrijf. Deze conclusie is door de recherche getrokken op basis van de voorbereidingen die zijn getroffen door de schutter. Verder loopt er een onderzoek naar een corrupte ambtenaar die de persoonsgegevens van de man heeft opgezocht en gedeeld met mogelijk het criminele circuit. De recherche heeft een stevig gesprek met de man gevoerd omdat het lang heeft geduurd om tijdens het onderzoek contact te krijgen met hem. De man geeft op zijn beurt aan niet te weten waar de dreiging vandaan komt en ontkent in de criminele wereld te zitten. De recherche kan moeilijk inschatten of er nog sprake is van een dreiging voor de man en zijn naaste familie omdat de man geen openheid van zaken geeft. Uit het raadsrapport volgt verder dat ondanks alles wat er speelt rondom de scheiding en het schietincident, de kinderen het goed doen op school en op de peuteropvang. Gelet op hun jonge leeftijd hebben de kinderen wel extra behoefte aan duidelijkheid en voorspelbaarheid, met name ten aanzien van het contact met beide ouders. Ondanks de onduidelijkheid rondom het schietincident vindt de Raad het belangrijk dat het contact tussen de man en de kinderen hersteld wordt. De Raad denkt hierbij aan een begeleide setting zodat gemonitord kan worden of de man zich aan de afspraken houdt en de veiligheid van de kinderen gewaarborgd kan worden. De Raad adviseert daarom dat de ouders zich zullen aanmelden voor begeleide omgang. Tot dit kan starten is het belangrijk dat de huidige contactregeling blijft doorlopen, in die zin dat de man twee keer per week zal videobellen met de kinderen.
De vrouw kan zich vinden in het raadsrapport, en wil dat via begeleide omgang het fysieke contact tussen de man en de kinderen wordt hersteld. De man is het daar niet mee eens. Hij mist de kinderen enorm, en als hij moet wachten op de hulpverlening kan het nog lang duren voordat hij weer de kinderen fysiek kan zien. Daarnaast is het volgens de man veilig bij hem.
De rechtbank stelt voorop dat zij van oordeel is dat begeleide omgang noodzakelijk is om het contact tussen de man en de kinderen te herstellen. Zoals de Raad op de zitting heeft aangegeven, is er bij beide ouders sprake van veel stress door de lopende procedure en op het gebied van financiën. Zo heeft de vrouw schuldhulpverlening en is de man net met een nieuwe baan begonnen omdat hij zijn garage al dan niet tijdelijk heeft moeten sluiten. De rechtbank overweegt dat deze stress zijn impact heeft op de kinderen. Daarnaast is gebleken dat tijdens het raadsonderzoek het erg moeilijk was om contact te krijgen met de man. Ondanks verschillende verzoeken daartoe heeft de man niet gereageerd en toestemming gegeven om informanten te raadplegen. Verder worden de afspraken rondom het videobellen niet altijd goed nagekomen, wat voor teleurstelling en onzekerheid bij de kinderen zorgt. De rechtbank acht het van belang dat het fysieke contact tussen de man en de kinderen wordt hersteld, maar is gelet op het bovenstaande met de Raad van mening dat dit wel onder professionele begeleiding moet gebeuren.
Nadat de situatie uitgebreid met de ouders is besproken, hebben zij op de zitting beiden de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Omgangsbegeleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank zal de zaak niet aanhouden in afwachting van de resultaten van de Omgangsbegeleiding, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient. De rechtbank overweegt hiertoe dat de verwijzing naar het hulpverleningstraject is bedoeld om het vertrouwen dat de kinderen bij de man veilig zijn, bij de vrouw te laten groeien, en de kinderen op een rustige en veilige manier (opnieuw) in contact te brengen met de man. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen daarna in staat zijn om samen vorm te geven aan een vaste onbegeleide zorgregeling.
De rechtbank zal ten aanzien van het videobellen bepalen dat de kinderen en de man met elkaar bellen op dinsdag en zondag om 17:00 uur. De rechtbank merkt daarbij op dat het belangrijk is dat deze afspraken door beide ouders worden nagekomen. In onderling overleg kunnen zij altijd afspraken maken over een extra of andere dag.
Kinderalimentatie
De vrouw verzoekt een kinderalimentatie vast te stellen van € 179,- per kind per maand. De man voert verweer, en stelt onvoldoende draagkracht te hebben om kinderalimentatie te betalen. Op de zitting heeft de man toegelicht dat hij sinds 2 maart 2026 een arbeidsovereenkomst heeft voor 28 uur per week. Uit de overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt dat zijn bruto-uurloon € 14,72 bedraagt. Daarnaast heeft de man zeven kinderen voor wie hij allen onderhoudsplichtig is. Uitgaande van een zorgkorting van 5% heeft de man een minimale draagkracht voor het betalen van kinderalimentatie. Bij deze stand van zaken zijn de ouders overeengekomen dat de man € 25,- per kind per maand zal betalen, te weten € 75,- per maand, met ingang van de datum van de beschikking. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, en het meer of anders verzochte afwijzen.
Partneralimentatie
De rechtbank overweegt dat bij de hierboven genoemde stand van zaken het aan draagkracht ontbreekt bij de man om partneralimentatie te betalen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daartoe daarom afwijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2018 in [plaats 1]. Omdat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt en zij na 1 januari 2018 met elkaar zijn gehuwd, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding ontbonden huwelijksgoederengemeenschap op grond van artikel 1:94, tweede en zevende lid, BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de beperkte gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de beperkte gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
De peildatum voor de bepaling van de omvang van de te verdelen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is 21 augustus 2024, te weten de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen bestanddelen geldt in beginsel de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of tenzij daarvan op basis van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken. Dit laatste is gesteld noch gebleken.
Omvang
De vrouw stelt zich op het standpunt dat het voor haar niet mogelijk is om een voorstel te doen tot verdeling van de huwelijksgemeenschap omdat veel informatie nog ontbreekt. De vrouw verzoekt daarom de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan te houden en op een later moment te behandelen. De man heeft op de zitting bevestigd dat veel onduidelijk is met betrekking tot de omvang van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Hij is echter van mening dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen omdat partijen na deze procedure hier samen afspraken over kunnen maken.
De rechtbank overweegt dat de vrouw vanaf het begin van de procedure in augustus 2024 de tijd heeft gehad om nadere informatie te verstrekken over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Zij heeft dit tot op heden nagelaten. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen, en de verdeling van de huwelijksgemeenschap niet nader aanhouden. Het is aan partijen zelf om – eventueel met behulp van hun advocaten – vermogensbestanddelen onderling te verdelen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarigen:
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de man en de kinderen iedere week op dinsdag en zondag om 17:00 uur met elkaar zullen videobellen;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vrouw] , wonende aan [adres 1] in [plaats 2],
en
[de man] ,
wonende aan de [adres 2] in [plaats 1],
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen moet betalen van € 75,- per maand, te weten € 25,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.