RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30869
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. Aansluitend op strafrechtelijke heenzending op last van de Officier van Justitie, is eiser op 3 juli 2025 overgenomen en opgehouden door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM).
Bij besluit van 3 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Hierbij heeft de minister eiser tevens een vertrektermijn van 4 weken verleend. Ook wordt eiser gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Gronden opleggen terugkeerbesluit
3. In het bestreden besluit heeft de minister vermeld dat eiser op grond van artikel 62 Vw verplicht is terug te keren naar Oezbekistan. De minister heeft daarbij opgemerkt dat eiser niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij, zich niet, dan wel niet onmiddellijk heeft gehouden aan het bepaalde krachtens en bij de Vw, omdat eiser in aanraking is gekomen met de politie voor strafbare feiten zoals genoemd in artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij beschikt eiser volgens de minister niet over voldoende middelen van bestaan omdat hij geld verdient met illegale arbeid.
4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De minister kon het terugkeerbesluit niet baseren op de daarin vermelde gronden. Eiser voert hiertoe aan dat de minister niet heeft toegelicht waaruit blijkt dat eiser in aanraking is gekomen met de politie en dat de juistheid hiervan daardoor niet vaststaat. Verder stelt eiser dat voor de beoordeling of hij beschikt over voldoende middelen van bestaan, niet relevant is hoe hij zijn geld ontvangt.
5. De rechtbank overweegt dat eiser de juistheid van de in het terugkeerbesluit genoemde gronden betwist, maar uitsluitend in het kader van de veronderstelde bevoegdheid van de minister tot het opleggen van het terugkeerbesluit. Voor het opleggen van een terugkeerbesluit is vereist dat de minister vaststelt dat eiser niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijft. De door eiser betwiste lichte gronden dienen ter onderbouwing van de vaststelling van de vertrektermijn en niet ter onderbouwing van de vaststelling dat eiser (niet) meer rechtmatig in Nederland verblijft. Op basis van de lichte gronden is aan eiser een standaard vertrektermijn van vier weken opgelegd. Nu uit de beroepsgronden en ter zitting niet is gebleken dat eiser het niet eens is met deze vertrektermijn, zal de rechtbank de juistheid van de lichte gronden daarom buiten bespreking laten. De rechtbank zal hierna toetsen of de minister op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijft.
6. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Ter zitting heeft de minister het HV12 proces-Verbaal van het verhoor van 3 juli 2025 overgelegd. Hieruit blijkt dat de minister aan eiser heeft gevraagd wat zijn verblijfstitel in Nederland of Europa is, waarop eiser heeft geantwoord: “(…). Niks, geen een (…)”. Ook heeft eiser verklaard dat hij zijn paspoort is kwijtgeraakt, maar dat hij hier geen aangifte van heeft gedaan omdat hij illegaal is en bang is voor de politie. Verder heeft eiser verklaard dat hij naar Nederland is gereisd op 30 augustus 2022 met een toeristenvisum geldig voor de duur van 26 dagen verstrekt door Hongarije. De rechtbank overweegt dat de minister uit de verklaringen van eiser mocht afleiden dat het aan eiser verleende toeristenvisum inmiddels was verlopen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en dat eiser op dat moment geen andere vorm van rechtmatig verblijf had. Ter zitting heeft eiser ook niet betwist dat hij op het moment van het gehoor geen rechtmatig verblijf had. De stelling van eiser ter zitting dat daarmee nog niet vaststaat dat eiser gedurende de gehele periode die hij in Nederland heeft verbleven geen rechtmatig verblijf had, is niet relevant voor de beoordeling, nu het relevante toets moment de datum van het bestreden besluit is. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister ten tijde van het bestreden besluit op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijft. De beroepsgrond slaagt niet.
Zienswijze
7. Eiser voert verder aan dat hij niet in staat is gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Uit het proces-verbaal van het gehoor bij het terugkeerbesluit blijkt in zijn geheel niet dat eiser is gevraagd naar redenen waarom van de oplegging van het terugkeerbesluit zou moeten worden afgezien.
8. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Uit het M110 proces-verbaal van gehoor blijkt dat de minister aan eiser heeft gevraagd of hij kinderen heeft in Nederland of in de EU, waarop eiser heeft geantwoord: ‘Ik heb geen kinderen, ik heb ook geen vrouw.’ Ook is gevraagd naar eisers familie- en gezinsleven waarop hij heeft geantwoord dat zijn vader en moeder samen met zijn zus en broer in Oezbekistan wonen en dat hij verder helemaal niemand in Nederland heeft. Voorts heeft de minister naar eisers gezondheidssituatie gevraagd en of eiser vreest voor een onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Oezbekistan. De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat de minister voldoende invulling heeft gegeven aan zijn onderzoekplicht en eiser voldoende gelegenheid heeft geboden om zijn persoonlijke omstandigheden en belangen naar voren te brengen. Uit eisers verklaringen is niet gebleken dat de minister had moeten afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Overname verklaringen in terugkeerbesluit
9. Eiser voert vervolgens aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat onder het kopje ‘Zienswijze’ in het bestreden besluit wezenlijk andere verklaringen staan dan wat eiser daadwerkelijk in zijn gehoor heeft verklaard.
10. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Ter zitting heeft de minister erkend dat in het bestreden besluit ten onrechte is opgenomen dat eiser wil terugkeren via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) omdat uit de proces-verbalen van gehoor niet blijkt dat eiser dit heeft verklaard. Verder heeft de minister erkend dat eiser slechts heeft verklaard dat hij geen vrouw en kinderen heeft en dat in het bestreden besluit ten onrechte is aangevuld dat eiser geen vrouw en kinderen heeft waarvoor hij moet zorgen én dat hij daarom weg kan uit Nederland. Het voorgaande laat volgens de minister onverlet dat het terugkeerbesluit terecht aan eiser is opgelegd omdat uit zijn verklaringen niet is gebleken van redenen om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. De rechtbank kan de minister hierin volgen. Kern is dat eiser geen vrouw en kinderen in Nederland en in de EU heeft en dat hierin dus geen reden is gelegen om af te zien van het opleggen van het terugkeerbesluit. De weergave van eisers verklaring in het bestreden besluit is niet identiek aan zijn verklaring zoals gedaan tijdens het gehoor, maar dat de verklaring wezenlijk anders zou zijn, volgt de rechtbank niet. De vraag of eiser al dan niet zou willen terugkeren via de IOM doet aan de oplegging van het terugkeerbesluit evenmin af. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.R.R. Nortier, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 april 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.