RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20139
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en
Procesverloop
Bij besluit van 2 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet het beroep vereenvoudigd af zodat een mondelinge behandeling van het beroep achterwege blijft.
Beoordeling
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2004 en de Soedanese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 23 december 2025 in Nederland asiel gevraagd. Verweerder heeft vastgesteld dat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale scherming. Kroatië heeft een verzoek om terugname van eiser aanvaard. Bij het bestreden besluit is daarom besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en eiser over te dragen aan Zwitserland.
2. Eiser voert in beroep tegen het bestreden besluit het volgende aan. Verweerder heeft het risico op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest onvoldoende onderzocht. Verweerder heeft ten onrechte volstaan met de overweging dat eiser zijn verklaringen niet met stukken heeft onderbouwd. Eiser verwijst naar een bij zienswijze overgelegde negatieve beschikking uit Kroatië. Eiser wijst er verder op dat hij ter toelichting op de aanvraag heeft verklaard dat hij in Kroatië onder druk is gezet om geen beroep in te stellen, dat hem daar uitzetting naar Soedan in het vooruitzicht is gesteld en dat hij niet daadwerkelijk over effectieve rechtsbijstand beschikte. Uit de aanvaarding van het terugnameverzoek volgt niet automatisch dat eisers rechten in dit verband na overdracht ook zullen worden gerespecteerd. Verweerder heeft daarnaast eisers verklaringen niet kenbaar in onderlinge samenhang gewogen in het kader van de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Kroatië op grond van de Dublinverordening in beginsel verantwoordelijk is voor het behandelen van het asielverzoek van eiser. Net als bij de overige lidstaten van de Europese Unie wordt in het geval van Kroatië op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel aangenomen dat het zijn Unierechtelijke en internationale verplichtingen naleeft Dit volgt onder andere uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 november 2025.
5. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht geconcludeerd dat eiser het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder niet volstaan met een overweging dat eiser zijn verklaringen niet met stukken heeft onderbouwd. Verweerder heeft namelijk toegelicht dat eiser onvertaalde en niet goed leesbare kopieën van Kroatische teksten heeft toegestuurd, zonder uit te leggen waarover die teksten gaan en zonder deze te laten vertalen. De enkele opmerking in de zienswijze dat een negatieve beschikking van de Kroatische autoriteiten wordt overgelegd, stelt verweerder niet in staat om het belang daarvan te beoordelen. Eiser heeft ook in beroep nagelaten om hiervan een vertaling in te dienen. Evenmin heeft eiser in beroep concreet toegelicht welke specifieke passages uit de desbetreffende beschikking volgens hem van bijzonder belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit.
6. Dat eiser na de afwijzing van zijn asielaanvraag door de Kroatische autoriteiten is meegedeeld dat hij zal worden uitgezet, is een uitvloeisel van de afwijzing van zijn asielaanvraag aldaar en als zodanig nog geen reden om te twijfelen aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk niet de mogelijkheid van een effectief rechtsmiddel heeft gehad. Nu eiser naar eigen zeggen niet in beroep is gegaan tegen de afwijzende beslissing van de Kroatische autoriteiten, is evenmin gebleken dat hij in strijd met de Procedurerichtlijn geen aanspraak heeft kunnen maken op gefinancierde rechtsbijstand. Eiser heeft dit ook anderszins niet onderbouwt. Gegeven de aanvaarding van het terugnameverzoek door de Kroatische autoriteiten, wordt aangenomen dat eisers rechten als Dublinclaimant na overdracht zullen worden gerespecteerd. Op grond van wat eiser heeft aangevoerd is er geen aanleiding om hieraan te twijfelen.
7. In het bestreden besluit is in relatie tot het voorgaande dan ook terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn overdracht aan Kroatië ertoe zal leiden dat hij terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarbij geldt dat, nu niet aannemelijk is geworden dat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure in Kroatië, verweerder terecht heeft overwogen dat geen ruimte bestaat om onderzoek te doen naar het risico van indirect refoulement.
8. Aangezien verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden niet leiden tot twijfel aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel, heeft verweerder deze omstandigheden niet nogmaals hoeven te beoordelen in het kader van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag van eiser onverplicht inhoudelijk te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
9. De aanvraag is terecht niet in behandeling genomen.
10. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.