RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20120
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en
Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet het beroep vereenvoudigd af zodat een mondelinge behandeling van het beroep achterwege blijft.
Beoordeling
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1992 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Zij heeft op 22 februari 2026 in Nederland om asiel gevraagd. Verweerder heeft vastgesteld dat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek van eiseres om internationale scherming. Zwitserland heeft een verzoek om terugname van eiseres op 9 maart 2026 aanvaard. Bij het bestreden besluit is daarom besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en eiseres over te dragen aan Zwitserland.
2. Eiseres heeft in beroep tegen het bestreden besluit aangevoerd dat dit ten onrechte is voorbereid met een standaardvoornemen. Verweerder heeft verder ten onrechte niet de zienswijze heeft gevolgd dat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure in Zwitserland. Daarnaast stelt eiseres dat verweerder heeft nagelaten om te benoemen welke op eiseres betrekking hebbende feiten en omstandigheden zijn betrokken bij de beslissing om de asielaanvraag niet onverplicht inhoudelijk te behandelen. Eiseres wijst in het bijzonder op wat zij tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard over haar psychische staat in Zwitserland. Dit is door verweerder enkel betrokken bij de vraag of eiseres aan Zwitserland kan worden overgedragen, zo stelt zij.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. De omstandigheid dat verweerder een gestandaardiseerd voornemen heeft uitgebracht ter voorbereiding van het bestreden besluit, leidt als zodanig niet tot een geslaagd beroep. Ter beoordeling is of het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd. Het ter voorbereiding uitgebrachte voornemen heeft geen zelfstandige rechtsgevolgen en is geen voorwerp van toetsing door de bestuursrechter. Vaststaat dat eiseres in de gelegenheid is geweest om op het voornemen haar zienswijze te geven. Hiermee is het bestreden besluit procedureel zorgvuldig voorbereid.
4. Niet in geschil is dat Zwitserland op grond van de Dublinverordening in beginsel verantwoordelijk is voor het behandelen van het asielverzoek van eiseres. Zwitserland voert de Dublinverordening uit op grond van een overeenkomst met de Europese Unie. Zoals bij de lidstaten van de Europese Unie wordt ook in het geval van Zwitserland op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel aangenomen dat het internationale verplichtingen en ook voor Zwitserland geldende verplichtingen uit het Unierecht naleeft. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit onder meer bevestigd in de uitspraken van 24 januari 2025 en 10 oktober 2025.
5. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht geconcludeerd dat eiseres het tegendeel in haar geval niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij is verweerder ingegaan op wat eiseres in de zienswijze heeft opgemerkt.
6. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland zodanige, systematische tekortkomingen kent dat eiseres bij overdracht terecht zal komen in omstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Verweerder heeft terecht overwogen dat de enkele omstandigheid dat slechts weinig Eritreeërs in Zwitserland asiel krijgen als zodanig niet onderbouwt dat sprake is van een systeemfout. Ook heeft verweerder terecht overwogen dat in het kader van een Dublinoverdracht geen ruimte bestaat voor een onderzoek naar het risico op indirecte refoulement als er geen systeemfouten zijn vastgesteld. Het bestaan van inhoudelijke verschillen tussen lidstaten bij de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming is niet op voorhand voldoende om te twijfelen aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De gestelde omstandigheid in dit geval, dat een illegale uitreis uit Eritrea in Zwitserland niet automatisch leidt tot asiel, is hiervoor onvoldoende. Niet is gebleken dat asielaanvragen van Eritreeërs in Zwitserland niet individueel worden onderzocht op het risico op refoulement. Verweerder heeft verder gemotiveerd overwogen dat het systeem van rechtsbijstand in Zwitserland voldoet aan de Procedurerichtlijn. Ook de omstandigheid dat Eritreeërs zonder Zwitserse verblijfsvergunning feitelijk niet vanuit Zwitserland kunnen worden uitgezet, betekent nog niet dat zij daarmee worden blootgesteld aan omstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Eiseres heeft met de verwijzing naar het AIDA-landenrapport over Zwitserland niet onderbouwd dat sprake is van een situatie van verregaande materiële deprivatie waartegenover de Zwitserse autoriteiten onverschillig staan.
7. Verweerder heeft in zijn beoordeling betrokken dat eiseres medische klachten heeft en dat uit de door haar overgelegde documenten blijkt dat zij in Zwitserland behandeling heeft gehad. Verweerder heeft onbestreden overwogen dat uit de door eiseres overgelegde documenten niet blijkt dat zij nu een medisch-specialistische behandeling krijgt en evenmin dat zij voor behandeling aan Nederland is gebonden. Verweerder heeft hieruit mogen afleiden dat er geen medische beletselen zijn om eiseres aan Zwitserland over te dragen en heeft kunnen oordelen dat hiermee niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan hij de asielaanvraag - onverplicht - alsnog inhoudelijk zou behandelen. Dat verweerder de medisch-psychische omstandigheden van eiseres aldus te beperkt heeft beoordeelt, volgt de rechtbank niet, gelet op het discretionaire karakter van verweerders bevoegdheid. Eiseres heeft niet geconcretiseerd welke op haar betrekking hebbende feiten of omstandigheden overigens niet dan wel onvoldoende in verweerders beoordeling zijn betrokken.
8. De aanvraag is terecht niet in behandeling genomen.
9. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.