[naam] , eiser,V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.A. Koning),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving van afwezigheid niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.Eurodac en het claimakkoord
5. Eiser voert aan dat uit het feit dat het besluit van 9 december 2025 is ingetrokken volgt dat de informatie uit Eurodac niet altijd juist is. De minister heeft in het voornemen verder ten onrechte overwogen dat uit Eurodac volgt dat eisers asielaanvraag in Duitsland is afgewezen. In het bestreden besluit is vervolgens overwogen dat niet uit Eurodac, maar uit het claimakkoord volgt dat eisers asielaanvraag is afgewezen. Het voornemen is op dit punt dan ook onjuist en het claimakkoord is ten onrechte niet als bijlage aan het bestreden besluit toegevoegd. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister op 15 december 2025 het besluit van 9 december 2025 heeft ingetrokken, zodat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank stelt verder vast dat de Duitse autoriteiten het verzoek om terugname hebben geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Dit volgt uit het claimakkoord dat zich in het dossier bevindt. De rechtbank ziet in het feit dat in het voornemen is verwezen naar Eurodac in plaats van naar het claimakkoord geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig is genomen, dan wel onvoldoende gemotiveerd is. In het bestreden besluit is immers alsnog verwezen naar het claimakkoord. De rechtbank stelt verder vast dat in het bestreden besluit is verwezen naar het claimakkoord als bijlage bij het besluit. Op zitting heeft de gemachtigde van de minister aangevoerd dat het claimakkoord met het bestreden besluit naar eiser is verstuurd. De gemachtigde van de minister heeft een screenshot overgelegd, waaruit zou moeten volgen dat het claimakkoord op dezelfde datum als het bestreden besluit naar eiser is toegezonden. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde screenshot volgt dat de status van de beschikking staat op definitief en dat de richting van de poststroom staat op uitgaand. De rechtbank stelt verder vast dat uit de screenshot volgt dat de status van het claimakkoord eveneens staat op definitief, maar dat de richting van de poststroom staat op inkomend. De rechtbank kan uit de screenshot dan ook niet afleiden dat het claimakkoord daadwerkelijk naar eiser zou zijn verstuurd, nu de poststroom staat op inkomend. Nu het claimakkoord als bijlage onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit en de rechtbank niet kan vaststellen dat het claimakkoord daadwerkelijk naar eiser is verstuurd, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek te passeren, omdat niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad en het claimakkoord zich in het dossier bevindt. Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eiser voert aan dat de Duitse autoriteiten onjuiste en/of onvolledige informatie in Eurodac zetten, wat aantoont dat Duitsland zich niet aan internationale regels houdt.
8. Voor zover eiser aanvoert dat uit de onjuiste gegevens in Eurodac volgt dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, overweegt de rechtbank als volgt. De minister mag in beginsel ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige, systematische tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Artikel 17 Dublinverordening
9. Eiser stelt dat er in zijn geval sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, waardoor de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Overdracht aan Duitsland zou getuigen van een onevenredige hardheid nu eiser heeft verklaard dat de Duitse politie hem tot drie keer toe heeft geprobeerd te elimineren en eiser daardoor vreest voor de Duitse autoriteiten. De minister heeft ten onrechte niet alle relevante omstandigheden in de beoordeling betrokken.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling heeft betrokken. Door eiser is niet nader onderbouwd welke relevante omstandigheden niet zouden zijn meegewogen. De minister heeft in dit kader overwogen dat eiser zijn verklaringen niet nader heeft onderbouwd en dat de verklaringen gebaseerd zijn op vermoedens. Verder kan eiser bij problemen met de politie klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan of dat klagen bij voorbaat zinloos is.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand kan blijven.
11. De rechtbank ziet vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bbp voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.