Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/088331-22
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in [instelling] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 16 juli 2024, 14 oktober 2024, 7 januari 2025, 4 april 2025, 17 juni 2025, 15 september 2025, 10 december 2025, 27 februari 2026 (telkens pro forma), 21 april 2026 (inhoudelijke behandeling) en 6 mei 2026 (sluiting onderzoek ter terechtzitting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mrs. E.J. van Drongelen en I. Hoek en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman
mr. J.C. Reisinger naar voren is gebracht.
De officieren van justitie hebben op de terechtzitting van 21 april 2026 medegedeeld dat zij voornemens zijn een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzittingen van 7 januari 2025 en 4 april 2025. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Inleiding
De zaak tegen de verdachte is onderdeel van een groter strafrechtelijk onderzoek, genaamd Bieslook.
Naar aanleiding van veiliggestelde SkyECC-berichten uit het onderzoek Argus, die aan het onderzoek Bieslook ter beschikking werden gesteld, is het vermoeden ontstaan dat de verdachte zich, al dan niet samen met anderen, schuldig zou hebben gemaakt aan de (internationale) handel in harddrugs in georganiseerd verband. De verdachte werd door de politie geïdentificeerd als de gebruiker van de Sky-ID’s [account 1] , [account 2] , [account 3] , [account 4] en [account 5] .
Na onderzoek is de verdachte op 8 april 2024 in zijn woning aan de [adres 1] aangehouden. Tijdens een doorzoeking van voornoemde woning is in een wastafelkastje een verborgen ruimte aangetroffen met daarin een geldbedrag van in totaal
€ 46.300,-, drie Rolex horloges en één Audemars Piguet horloge, die in sokken waren gedaan.
De verdachte wordt in onderhavige strafzaak - kort samengevat - verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
- het (mede)plegen van het exporteren van in totaal 909 kilogram cocaïne in de periode
van 1 december 2019 tot en met 8 maart 2021 (feit 1);
- het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in cocaïne in de periode van 1 december 2019 tot en met 8 maart 2021 (feit 2);
- het (mede)plegen van witwassen van een geldbedrag van € 46.300,-, drie Rolex horloges en één Audemars Piguet horloge op 8 april 2024 (feit 3);
- het (mede) plegen van gewoontewitwassen van een totaalbedrag van ongeveer 16,4 miljoen euro in de periode van 16 augustus 2019 tot en met 8 maart 2021 (feit 4).
4. Bewijsuitsluiting
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft - overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnota en kort samengevat - ter terechtzitting betoogd dat de SkyECC-data van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat dit bewijs onrechtmatig verkregen en verwerkt zou zijn en onbetrouwbaar bewijs oplevert. Verder heeft het Openbaar Ministerie volgens de verdediging bij herhaling verkeerde en onvolledige informatie verstrekt, terwijl de verdediging zelf geen nader onderzoek heeft kunnen verrichten. Daardoor is de procespositie van het Openbaar Ministerie niet gelijk aan die van de verdachte en als gevolg daarvan is geen sprake van een eerlijk proces. Tot slot heeft de raadsman een aantal voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek geformuleerd, omdat een overtuigende identificatie van zijn cliënt als (enige) gebruiker van genoemde accounts ontbreekt.
De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunten ten aanzien van de bewijsuitsluiting wetenschappelijke literatuur en nationale en Europese jurisprudentie aangehaald.
Het standpunt van de officieren van justitie
Volgens de officieren van justitie kunnen de SkyECC-data worden gebruikt voor het bewijs, mede gelet op eerdere uitspraken van verschillende rechterlijke instanties, waaronder de Hoge Raad. Het vertrouwensbeginsel is van toepassing en in deze zaak moet als uitgangspunt worden genomen dat het onderzoek onder buitenlandse (Franse) verantwoordelijkheid zodanig is verricht dat de resultaten van dat onderzoek naar het recht van dat buitenland rechtmatig zijn verkregen en betrouwbaar zijn. Dat is slechts anders indien er concrete aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Van dergelijke concrete aanwijzingen is in de onderhavige zaak geen sprake, zodat de resultaten van de SkyECC-operatie voor rechtmatig en betrouwbaar moeten worden gehouden.
Het oordeel van de rechtbank
Algemene overwegingen
De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet om uit te gaan van een wezenlijk andere vaststelling van de gang van zaken rondom de vergaring en verwerking van de SkyECC-data in dit onderzoek, dan zoals weergegeven in de beslissing van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913). In die beslissing heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord in verband met het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken en het toetsingskader geformuleerd voor het gebruik van dergelijke berichten voor de bewijsbeslissing. De inhoud en omvang van die toets hangt onder meer af van het antwoord op de vraag onder wiens verantwoordelijkheid de inzet van die opsporingsbevoegdheden in het buitenland heeft plaatsgevonden.
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in het onlangs gewezen arrest van 14 april 2026 (ECLI:HR:NL:2026:650) uiteengezet wat de gevolgen zijn van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak C-670/22 (M.N. (EncroChat)) voor het genoemde toetsingskader. De Hoge Raad heeft in de beslissing van het HvJEU aanleiding gezien het toetsingskader als volgt bij te stellen:
“dat de regeling van artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU niet uitsluitend verband houdt met, kort gezegd, de soevereiniteit van de betrokken landen en het daaraan verbonden uitgangspunt dat het aan de autoriteiten van een land is om te bepalen welke opsporingsactiviteiten op het eigen grondgebied plaatsvinden. Deze regeling beoogt mede de rechten van gebruikers op wie een interceptiemaatregel is gericht, te beschermen. Het gaat daarbij om het recht op eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft. Dit betekent dat als sprake is van interceptie van telecommunicatie zonder dat daarbij de voorschriften van artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU worden nageleefd, de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, wordt aangetast in zijn rechten, en dat dit een relevant gezichtspunt kan vormen bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de niet-naleving van die voorschriften. In dit verband kan van belang zijn of het – in het licht van de feiten en omstandigheden van het concrete geval – te verwachten zou zijn geweest dat, als de intercepterende lidstaat wel tijdig de autoriteit van de andere lidstaat in kennis
had gesteld van de interceptie, door die autoriteit tegen die interceptie bezwaar zou zijn gemaakt.” (r.o. 4.13).
Vooropgesteld wordt dat de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2026 het toetsingskader dat in de prejudiciële beslissing van 13 juni 2023 omtrent - onder andere - het interstatelijke vertrouwensbeginsel is geformuleerd in stand laat, met inachtneming van de bovengenoemde bijstelling.
Beoordeling van de verweren
Onrechtmatig verkregen bewijs
De rechtbank stelt vast dat bij de interceptie van zowel EncroChat- als SkyECC-gegevens sprake is geweest van opsporing in Frankrijk, onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612, overwogen dat bij het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam, waar hier ook sprake van was, het nationale recht van de lidstaat waar de opsporingsbevoegdheid ten behoeve van een gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt uitgeoefend leidend is en dat - kort gezegd - het verlenen van (technische) bijstand vanuit de Nederlandse politie bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een andere deelnemende lidstaat niet meebrengt dat de verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek alsnog op Nederland is komen te rusten. Van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geen sprake geweest.
Door de verdediging zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor doorbreking van het hiervoor genoemde vertrouwensbeginsel. Wat de verdediging heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de uitvoering van het onderzoek heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt in dat geval met zich dat van de rechtmatigheid van die interceptie (en de daarop volgende verstrekking) moet worden uitgegaan.
Het behoort dan ook niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de daarvoor in Frankrijk geldende rechtsregels noch of de Franse rechter hiervoor een machtiging heeft kunnen verlenen. De taak van de Nederlandse strafrechter is in dit geval ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Artikelen 6 en 8 EVRM
De rechtbank ziet in het dossier geen aanwijzingen waaruit zou kunnen blijken dat in de Franse onderzoeken sprake is geweest van een evidente schending van artikel 6 EVRM dan wel van een schending van artikel 8 EVRM, die zodanig ernstig is dat deze tevens een schending van artikel 6 EVRM oplevert.
De rechtbank volgt de verdediging evenmin in haar standpunt over de vermeende bulkinterceptie. Niet alleen staat het vertrouwensbeginsel in de weg aan toetsing van de rechtmatigheid van de interceptie, maar ook overigens treft het verweer geen doel. Het verkrijgen van de EncroChat- en SkyECC-gegevens richt zich immers tot een afgebakende groep gebruikers, van één specifieke telecomdienst, terwijl er een concrete verdenking bestond dat deze dienst gebruikt zou worden door criminelen die zich (in georganiseerd verband) met zeer ernstige strafbare feiten hebben beziggehouden.
Artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU en artikel 20 EU-Rechtshulpovereenkomst
Door de verdediging is gesteld dat artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU van toepassing is in het onderhavige geval en de bevoegde autoriteit in Nederland - de rechter-commissaris - dus had moeten worden genotificeerd door de Franse autoriteiten over de hack.
In artikel 30 en 31 Richtlijn 2014/41/EU staan regels geformuleerd voor Europese onderzoeksbevelen (EOB’s) voor de interceptie van telecommunicatie in een andere lidstaat. Artikel 30 bepaalt dat een EOB kan worden uitgevaardigd voor de interceptie van telecommunicatie in de lidstaat van waaruit technische bijstand nodig is. Indien de intercepterende lidstaat telecommunicatie wenst te intercepteren van een persoon van wie het communicatieadres in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, moet de intercepterende lidstaat op grond van artikel 31 de bevoegde autoriteiten van die lidstaat in kennis stellen van de interceptie door middel van een formulier dat als bijlage C bij de richtlijn is gevoegd.
De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 3 Richtlijn 2014/41/EU en het daarmee samenhangende artikel 5.4.1 lid 3 Sv volgt dat onderzoeksactiviteiten van een joint investigation team (JIT) (zoals hier aan de orde) nadrukkelijk niet onder het bereik van Richtlijn 2014/41/EU vallen.
Betrouwbaarheid
De verdediging heeft onvoldoende concrete aanwijzingen naar voren gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat aan de betrouwbaarheid van het buitenlandse onderzoek moet worden getwijfeld. Verder is, mede in het licht van het dossier, onvoldoende onderbouwd dat aan de betrouwbaarheid van de gegevens die zijn verkregen en in het dossier aanwezig zijn, zou moeten worden getwijfeld. De rechtbank gaat dan ook uit van de betrouwbaarheid van die gegevens en verwerpt dit verweer.
Equality of arms en misleiding door het Openbaar Ministerie
De rechtbank concludeert dat niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie moedwillig een onjuiste en onvolledige voorstelling van zaken heeft gegeven over de omvang van de betrokkenheid van de Nederlandse opsporingsautoriteiten bij de interceptie van de SkyECC-gegevens met als doel te voorkomen dat de opsporingsmethodes in Nederland op rechtmatigheid zouden kunnen worden getoetst. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aan de verdediging verstrekte stukken voldoende inzicht geven in en transparantie bieden over de wijze van onderzoek aan de SkyECC-data in Nederland en dat de verdediging voldoende de mogelijkheid heeft gehad om de resultaten van het onderzoek te onderzoeken en te betwisten.
Voorwaardelijke verzoeken/onderzoekswensen
De verdediging heeft op de terechtzitting (nogmaals) verzocht om verstrekking van de volledige ruwe (meta)data, alle (leesbare) (meta)data van de SkyECC-accounts die in het dossier voorkomen, alle verslaglegging van de (digitale) chain of evidence van de data, de Nederlandse onderzoeksdossiers ‘Werl’, ‘Yucca’ en ‘Argus’, het dossier van het JIT en het dossier van het Operational Task Force ‘Limit.’ Tevens is verzocht om een aantal betrokkenen bij het JIT als getuigen te horen.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in voldoende mate in staat is geweest het bewijsmateriaal te betwisten dat zich in het dossier bevindt. Dit geldt ten aanzien van de accounts die aan de verdachte worden toegeschreven, de inhoud van de berichten die aan die accounts worden gekoppeld evenals ten aanzien van de bewijsvergaring in het opsporingsonderzoek. In hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank onvoldoende concrete aanleiding om te veronderstellen dat op basis van het voorliggende dossier geen, althans onvoldoende, inzicht kan worden verkregen in de wijze waarop het opsporingsonderzoek is vormgegeven. Hetzelfde heeft te gelden voor de vraag naar de betrouwbaarheid van de (inhoud van) de aan de verdachte toegeschreven berichten. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding om het onderzoek te heropenen ter aanhouding van de zaak om zich nader te laten voorlichten. De rechtbank acht zich op basis van het voorliggende dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende voorgelicht om tot een beslissing te komen. De verzoeken zullen daarom worden afgewezen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande worden alle verweren van de raadsman die zien op de verkrijging en verwerking van gegevens van SkyECC verworpen. De rechtbank acht de SkyECC-berichten bruikbaar voor het bewijs en ziet geen aanleiding om de SkyECC-data van het bewijs uit te sluiten.
5. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officieren van justitie hebben - overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir - gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich - overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnota - namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Identificatie verdachte als gebruiker van de SkyECC-accounts
De rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of de verdachte kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van de SkyECC-accounts. De verdediging heeft betwist dat de verdachte de gebruiker is geweest van de verschillende accounts. De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat de gebruiker van de SkyECC-accounts [account 1] , [account 2] , [account 3] , [account 4] en [account 5] in de periode van 19 december 2019 tot en met 8 maart 2021 één persoon is geweest.
Zij overweegt daartoe dat onder deze accounts aan elkaar verwante nicknames worden gebruikt en dat ze via overeenkomende unieke wachtwoorden toegankelijk zijn. Daarnaast maken de accounts gebruik van dezelfde basisstations in de voor de nachtrust bestemde uren. Ook hebben de accounts veel zelfde tegencontacten. Zo worden alle contacten van het ene account naar het andere account doorgestuurd, waarna het oude account niet meer actief is. Ook volgen de SkyECC-accounts elkaar (voor wat betreft actieve periode) op in gebruik. Uit al deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de accounts aan elkaar gelinkt kunnen worden en door dezelfde persoon zijn gebruikt.
De rechtbank overweegt voorts dat er meerdere feiten en omstandigheden zijn die - in onderlinge samenhang bezien - maken dat ieder account op zich, te herleiden is tot de verdachte.
[account 1]
Het IMEI-nummer gekoppeld aan dit Sky-ID maakte in de voor nachtrust bestemde tijd tussen 22:00 en 07:00 uur het meest gebruik van één basisstation, te weten de zendmast [adres 2] . Het adres [adres 1] , het adres waar verdachte met zijn vriendin en kinderen woont, valt binnen het theoretische zendbereik van deze zendmast. Dit geldt overigens ook voor de IMEI-nummers gekoppeld aan de vier andere SKY-ID’s.
[account 4]
Uit chatberichten volgt dat [account 4] op 7 maart bij [account 6] thuis is ( [adres 3] ). Inmiddels is bekend dat [naam 1] de gebruiker is van het account [account 6] . Hij is woonachtig aan de [adres 3] . Tijdens een observatie op 7 maart 2020 is gezien dat een man die later werd herkend als de verdachte, net voordat de politie de woning van [naam 1] inging, de woning binnentrad en weer vertrok. Verder stuurt de gebruiker van het account [account 4] in een chat van 8 maart 2021 aan een tegencontact dat [account 6] is gepakt door de politie. Hij vraagt aan zijn tegencontact dit account te verwijderen. Overigens wordt in meerdere chatberichten door [account 4] (en [account 2] en [account 3] ) gesproken over kinderen. De verdachte heeft twee kinderen.
[account 2]
Uit chatberichten van account [account 2] blijkt dat de gebruiker van dit account van 4 maart tot en met 7 maart 2020 verbleef in Spanje. Uit de vluchtgegevens van de verdachte blijkt dat hij op 4 maart om 06:50 uur naar Spanje is gevlogen en op 7 maart 2020 om 23:55 uur weer aankwam in Nederland. Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat het IMEI nummer waar het account [account 2] gebruik van heeft gemaakt op 4 maart 2020 om 06:37 uur van een zendmast bij Schiphol gebruik maakte en om 09:20 uur buiten Nederland. Op 7 maart 2020 om 21:09 uur maakte het account nog geen gebruik van een zendmast in Nederland en op 8 maart 2020 om 00:35 uur van een zendmast in Zoeterwoude en hierna om 08:35 uur in Pijnacker. Ter terechtzitting heeft de verdachte aangegeven dat hij in die periode in Spanje kan hebben verbleven, maar dat dit was om onroerend goed te bekijken of aan te kopen. Verder stuurt de gebruiker van het account [account 2] in een chatbericht van 19 februari 2020 om 22:04 uur dat hij voor zijn tegencontact ‘2x 15 pieces’ heeft geregeld en dat hij in die haast ‘1k fines’ heeft opgelopen. Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte op 19 februari 2020 als bestuurder van een witte Volkswagen Golf om 20:53 uur en 20:55 uur twee verkeersovertredingen heeft begaan.
[account 5]
Uit een chatbericht van de gebruiker van het account [account 5] van 3 september 2020 blijkt dat twee van zijn chauffeurs door de politie zijn gepakt, waarbij een grote hoeveelheid cocaïne in beslag is genomen. In de periode dat de verdachte van dit account gebruik maakte zijn twee chauffeurs van hem aangehouden en zijn de verdovende middelen die ze transporteerden in beslag genomen.
[account 3]
De gebruiker van het account [account 3] stuurt in een chat het verzoek om een geldbedrag over te maken naar een bankrekeningnummer ten name van [naam 2] en om de transactie te omschrijven als ‘ [omschrijving] .’ [naam 2] is de vriendin van de verdachte.
Al deze aanwijzingen, in onderling verband bezien, maken dat de rechtbank ervan overtuigd is dat de verdachte de gebruiker was van de betreffende vijf SkyECC-accounts. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat iemand anders dan de verdachte (mede) gebruik heeft gemaakt van deze accounts.
De inhoud van de chatberichten en welke strafrechtelijk verweten gedragingen blijken uit de chats?
5.4.2.1. Feiten 1 en 2 (handel in/aanwezigheid van cocaïne en het treffen van voorbereidingshandelingen)
De rechtbank stelt vast dat de verdachte gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar samen met anderen internationale handel heeft gedreven in cocaïne.
In het dossier is een overzicht opgenomen waaruit volgt dat de verdachte in de periode waarin hij gebruik maakte van de hiervoor genoemde Sky-ID's, actief was in de handel in verdovende middelen, waaronder de export van cocaïne naar het buitenland en het verhandelen van blokken cocaïne in Nederland. Uit dit overzicht volgt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode 885 blokken cocaïne naar het buitenland zou hebben geëxporteerd.
Er zijn meerdere SkyECC-gesprekken waaruit blijkt dat sprake is van voltooide transacties. Zo wordt in deze gesprekken informatie uitgewisseld over hoeveel blokken cocaïne er afgegeven zijn of moeten worden, in ruil voor ‘pap’ (geld). In de SkyECC-gesprekken is terug te zien dat na een overdracht van cocaïne een foto van een zogenoemde ‘token’ wordt gestuurd. Een geldbriefje met daarop een uniek nummer, aan de hand waarvan kan worden gecontroleerd of er een overdacht is met de juiste persoon. De verdachte vraagt steeds bij zijn tegencontacten na of een transactie goed is gegaan, of bevestigt dit zelf aan zijn tegencontacten.
Verder blijkt uit verschillende SkyECC-gesprekken dat de verdachte zelf over blokken cocaïne heeft beschikt en heeft afgegeven, maar dat hij ook een aansturende rol had en opdrachten gaf aan derden om cocaïne af te geven en ‘pap’ op te halen. Zo gaf hij instructies over de wijze van verpakken (dubbel vacuüm), onderhield hij nauw contact met chauffeurs, en instrueerde hij zijn chauffeurs en andere loopjongens. Het was de verdachte die de in- en verkoop regelde van drugs, die prijsafspraken maakte en die transportlijnen opzette met andere handelaren.
De rechtbank merkt op er niet aan te twijfelen dat gehandeld wordt in cocaïne. Door de verdachte zijn verschillende malen foto’s van blokken met een stempel erop verstuurd. Voorts wordt gesproken over prijzen die passen bij de prijs van een kilo cocaïne. Tevens wordt gesproken over ‘colo’ en ‘boli.’ Algemeen is bekend dat met die termen cocaïne uit Colombia dan wel Bolivia wordt bedoeld. Mede gelet daarop en op de andere gebruikte begrippen en de context waarbinnen de gesprekken hebben plaatsgevonden, concludeert de rechtbank dat het hier gaat om cocaïne.
In het verlengde van het voorgaande stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte in vereniging voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor het buiten het grondgebied brengen van de verdovende middelen. Uit een aantal SkyECC-gesprekken blijkt bijvoorbeeld dat de verdachte met de gebruikers van onder andere SkyECC-accounts [account 7] , [account 8] en [account 9] praat over transporten richting het Verenigd Koninkrijk. Er zijn concrete gesprekken gevoerd waarbij informatie is uitgewisseld over de beschikbaarheid, hoeveelheden, prijzen en de manier van transporteren. Zo wordt gesproken over het inzetten van een privévliegtuig en het kopen van een eigen vrachtauto met een verborgen ruimte om meer transporten mogelijk te maken.
Eendaadse samenloop feiten 1 en 2
Met de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot de feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop, voor zover de voorbereidingshandelingen (feit 2) zien op de in het feit 1 bewezen verklaarde hoeveelheden cocaïne die zijn vervoerd, verkocht en uitgevoerd.
Medeplegen
Uit de SkyECC-gesprekken blijkt dat de verdachte bij zijn handel in cocaïne en bij het treffen van voorbereidingshandelingen nauw en bewust samen heeft gewerkt met anderen en dat sprake is van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel van de verdachte zich, tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 19 december 2019 tot en met 8 maart 2021 schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne van ruim 885 blokken cocaïne. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in diezelfde periode samen met anderen voorbereidende handelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet heeft verricht voor de export van en handel in meerdere partijen cocaïne. De rechtbank acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Anders dan betoogd door de officieren van justitie heeft de rechtbank de bewezenverklaring bij feit 1 beperkt tot de hoeveelheden zoals genoemd in de tenlastelegging. Alhoewel uit het dossier aanwijzingen volgen dat mogelijk grotere hoeveelheden zijn verhandeld, zal de rechtbank niet verder gaan dan de in de tenlastelegging opgenomen hoeveelheden, zodat de verdachte door het hoger uitvallen van de hoeveelheden niet in zijn belangen wordt geschaad.
5.4.2.2. Feit 3 (witwassen geldbedrag en vier horloges)
Beoordelingskader witwassen
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een dergelijk vermoeden rechtvaardigen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo een verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast. Op 8 april 2024 zijn bij een doorzoeking in de woning van de verdachte op de [adres 1] een contant geldbedrag van € 46.000,-, drie Rolex horloges en één Audemars Piguet horloge aangetroffen.
De hoogte van de aangetroffen contante geldbedragen en de grote waarde van de horloges en de manier waarop die zijn aangetroffen, maken dat sprake is van een gerechtvaardigd witwasvermoeden. Het contante geldbedrag en de horloges werden immers in een verborgen ruimte van een wastafelkastje aangetroffen. Bovendien werden coupures van € 200,- aangetroffen. Dergelijke coupures zijn in het normale economische niet gebruikelijk.
De verdachte heeft tijdens zijn verhoren bij de politie en ter terechtzitting verklaringen afgelegd over de aangetroffen geldbedragen en horloges. Over het aangetroffen contante geldbedrag heeft de verdachte verklaard dat het spaargeld betrof dat hij de afgelopen jaren heeft verdiend met zijn vaste dienstverband, maar ook uit klusjes die hij weleens tussendoor deed waarbij hij contant werd uitbetaald. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring onaannemelijk is. De verdachte heeft zijn verklaring niet geconcretiseerd, bijvoorbeeld door opdrachtgevers te benoemen of betaalbewijzen te overleggen. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het onderzoek van de politie naar de inkomstengegevens van de verdachte en de informatie over de omzetgegevens van zijn bedrijven. In de periode 2020 tot en met 2021 genoot de verdachte een loon uit dienstbetrekking dat lag tussen de € 9.000,- en € 29.000,- per jaar. Daarnaast blijkt uit de gegevens van de Kamer van Koophandel dat de verdachte in de periode van 1 december 2014 tot 28 januari 2019 eigenaar is geweest van [bedrijf 1] en sinds 8 december 2020 directeur en enig aandeelhouder was van [bedrijf 2] B.V. In 2018 was sprake van een winst uit onderneming van € 28.700,-, terwijl de totale omzet volgens de aangifte omzetbelasting € 18.300,- was. Daarnaast zou de verdachte door zijn aanmerkelijk belang in [bedrijf 2] B.V. loon uit aanmerkelijk belang moeten genieten. De verdachte heeft echter geen loon opgegeven.
Over de horloges heeft de verdachte in eerste instantie verklaard dat het zijn horloges waren, maar is daar later op terugkomen door te verklaren dat de horloges van zijn vader zijn.
Omdat de verdachte en zijn vader geen concrete en verifieerbare verklaring over de horloges hebben afgelegd, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden geacht dat het niet anders kan zijn dan dat deze goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Al het voorgaande in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte geen aannemelijke en verifieerbare verklaring heeft afgelegd. De rechtbank komt om die reden tot de slotsom dat het niet anders kan dan dat het volledige geldbedrag en de horloges afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het ten laste gelegde geldbedrag van € 46.300,-, drie Rolex horloges en één Audemars Piguet horloge.
5.4.2.3. Feit 4 (gewoontewitwassen groot geldbedrag)
De verdachte wordt gewoontewitwassen verweten, namelijk dat hij samen met anderen een geldbedrag van in totaal 16,4 miljoen euro afkomstig van (eigen) misdrijf gedurende langere periode heeft witgewassen.
18 augustus 2019 tot en met 26 augustus 2019
Uit de chatberichten, die zijn gestuurd op 18 augustus 2019, blijkt dat de verdachte een bedrag van € 1.000.000,- voorhanden heeft gehad. Dit heeft hij laten overdragen aan [account 10] , vermoedelijk één van zijn chauffeurs. Vervolgens blijkt uit de chatberichten dat de verdachte op 22 augustus 2019 een bedrag van € 1.400.000,- voorhanden heeft gehad, waarvan hij een bedrag van € 900.000,- bij een geldwisselaar en € 500.000,- direct zelf in bezit heeft gehad. Het bedrag wordt op 23 augustus 2019 door middel van een token overgedragen aan [account 11] . Tenslotte blijkt uit de berichten dat de verdachte voornemens is om op 26 augustus 2019 nogmaals een bedrag van € 500.000,- over te dragen aan [account 12] en/of [account 13] . Hieruit kan worden geconcludeerd dat de verdachte tussen 18 augustus 2019 tot en met 26 augustus 2019 een bedrag van € 2.400.000,- voorhanden heeft gehad.
1 september 2020 tot en met september 2020
Uit de chatberichten, die zijn gestuurd op 7 september 2020, blijkt dat de verdachte
Sky-ID [account 7] twee afbeeldingen stuurt met een overzicht van een administratie.
Deze administratie correspondeert met de chatberichten over twee specifieke contante geldbedragen. Op 29 augustus 2020 vraagt verdachte aan [account 7] of hij £ 348.510,- gaat afgeven. Op 30 augustus 2020 stuurt verdachte dat er de dag ervoor 300 is afgegeven gevolgd door een foto van pakken geld. Later op die dag stuurt de verdachte naar [account 7] of ze de £ 48.510,- kunnen sluiten zodat de rekening weg kan. Op 31 augustus 2020 start de verdachte een groepsgesprek en stuurt dat het papier geregeld moet worden. De overdracht van het geld vindt plaats in Londen. Op 3 september 2020 blijkt dat het om een bedrag van 232.5 gaat wat is overgedragen. De datum 3 september 2020 en het bedrag van 232.5 komt terug in het overzicht van de administratie. Het geld wordt overgedragen in Londen, in de administratie is te zien dat het bedrag in ponden is opgenomen en daarna omgerekend is naar euro's. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de gehele bijgehouden administratie waarheidsgetrouw is en dat de verdachte tussen 1 september 2020 en 5 september 2020 een bedrag van ongeveer € 1.000.000,- voorhanden heeft gehad.
2 december 2020 tot en met 24 december 2020
Uit de chatberichten, die zijn gestuurd op 29 december 2020, blijkt dat de verdachte
Sky-ID [account 14] een overzicht stuurt met een opsomming van de betalingen die hij heeft ontvangen. De verdachte zou tussen 2 december en 24 december 2020 meerdere betalingen hebben ontvangen voor een totaalbedrag van £ 1.252.945,-. Daarnaast wordt in het overzicht rekening gehouden met de wisselkoers en een marge voor de chauffeurs in het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank leidt hier uit af dat de verdachte op 29 december 2020 (omgerekend) in ieder geval een bedrag van ongeveer € 1.418.000,- voorhanden heeft gehad.
2 december 2020 tot en met 7 maart 2021
Uit chatberichten, die zijn gestuurd tussen 5 december 2020 en 7 maart 2021, blijkt dat de verdachte bijna dagelijks contact had met [account 6] ( [naam 1] ) over het in ontvangst nemen en tellen van contante geldbedragen. Daarbij zijn verschillende overzichten meegestuurd met een opsomming van verschillende transacties. De rechtbank leidt hier uit af dat de verdachte in de periode van 2 december 2020 tot en met 7 maart 2021 een bedrag van ongeveer € 11.859.860,- voorhanden heeft gehad.
Juridische kwalificatie
De rechtbank stelt vast dat de verdachte grote geldbedragen voorhanden heeft gehad in de periode van 18 augustus 2019 tot en met 7 maart 2021. De bedragen variëren van
€ 100.000,- tot miljoenen. Zulke bedragen contant voorhanden hebben, rechtvaardigt zonder meer een vermoeden van witwassen. De verdachte heeft geen verklaring gegeven, aangezien hij stellig ontkent de gebruiker van genoemde Sky-ID’s te zijn geweest.
Gelet op de frequentie waarmee en de periode waarin de verdachte deze geldbedragen voorhanden heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van het witwassen van geldbedragen een gewoonte heeft gemaakt. De verdachte werkte samen met anderen, zodat ook het in vereniging plegen bewezen kan worden verklaard.
Conclusie ten aanzien van feit 4
De rechtbank is gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat het gewoontewitwassen van grote geldbedragen wettig en overtuigend is bewezen.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht bij de bewezenverklaring geldoverdrachten mee te nemen die geen onderdeel uitmaken van de expliciet in de tenlastelegging genoemde 16,4 miljoen euro, maar wel vallen binnen de tenlastelegde periode. De officier van justitie komt op een totaalbedrag van € 24.400.000,-.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier aanwijzingen volgen dat mogelijk een hoger bedrag aan gelden door de verdachte is witgewassen dan het in de tenlastelegging genoemde bedrag. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in zijn belangen wordt geschaad, omdat het door de term ‘enig geldbedrag’ gedekte geldbedrag een stuk hoger uitvalt dan de in de tenlastelegging genoemde bedragen. De rechtbank zal daarom niet verder gaan dan het in de tenlastelegging opgenomen bedrag.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.hij in de periode van 19 december 2019 tot en met 8 maart 2021, te Pijnacker, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht;- 51 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk & Ierland en;- 13 kilogram cocaïne naar Italië en;- 107 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en;- 30 kilogram cocaïne naar Italië en;- 200 kilogram cocaïne naar België en het Verenigd Koninkrijk en;- 57 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en;- 30 kilogram cocaïne naar België en;- 102 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en;- 24 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en;- 85 kilogram naar het Verenigd koninkrijk en;- 24 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en;- 24 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en;- 28 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en;- 102 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk & Ierland en;- 14 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk,heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad, telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij in de periode van 19 december 2019 tot en met 8 maart 2021 te Pijnacker althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, immers heeft hij, verdachte - afspraken gemaakt met en onderhandelingen gevoerd met en inlichtingen en aanwijzingen en opdrachten gegeven aan zijn mededaders, om verdovende middelen te verkopen en te exporteren en te transporteren en betreffende de wijze waarop die verdovende middelen zouden worden verkocht en geleverd en verder vervoerd en - aan de kopende partij informatie verstrekt over de prijzen, omvang en samenstelling van de partijen verdovende middelen en- inlichten uitgewisseld en afspraken gemaakt met [account 7] over het starten van een transport met een privévliegtuig en de frequentie van dit transport en het volume wat ze hiermee kunnen vervoeren en de prijzen hiervan [ [prijs 1] ] en - inlichten uitgewisseld met [account 7] over het regelen van een chauffeur en het kopen van een (stash)auto om op die manier verdovende middelen te transporteren [ [prijs 1] ] en - inlichtingen uitgewisseld en gesprekken gevoerd over de administratie van de verkoop en export van cocaïne en de hoeveelheden verkochte cocaïne en de data voor de transporten van deze cocaïne en de daarbij behorende betalingen en daarbij foto’s van excel bestanden met daarin financiële en voorraad/verkoop gegevens via SKY te sturen (aan [account 8] en [account 9] ) en - foto’s van verdovende middelen gemaakt en laten maken en deze foto’s (vervolgens) verzonden aan de kopende partij en - geld verstrekt en betalingen gedaan en laten doen ten behoeve van de aanschaf van verdovende middelen;
3.hij op 8 april 2024 te Pijnacker, een geldbedrag en horloges, te weten- 46.300 euro en
- drie horloges van het merk Rolex en- één horloge van het merk Audemars Piguetvoorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;
4.hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2019 tot en met 8 maart 2021 te Pijnacker, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere (contante) geldbedragen met een totaalbedrag van ongeveer 16,4 miljoen euro voorhanden heeft gehad, overgedragen en van meerdere geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf en van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
7. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
8. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om te komen tot oplegging van een lagere straf dan geëist. De raadsman heeft gewezen op uitspraken in soortgelijke zaken waarbij lagere straffen werden opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en is gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft ernstige strafbare feiten begaan. Hij heeft zich gedurende ruim een jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan de (organisatie van de) export van een enorme hoeveelheid cocaïne. De verdachte heeft zich in diezelfde periode schuldig gemaakt aan - kort gezegd - het medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen die gericht waren op de in- en uitvoer van die cocaïne.
Met zijn handelen draagt de verdachte bij aan de (internationale) cocaïnehandel en hij is dan ook deels verantwoordelijk voor de gevolgen van deze handel. De grootschalige handel in cocaïne heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Zo zijn harddrugs zeer schadelijk voor de volksgezondheid en veroorzaakt het gebruik daarvan overlast en criminaliteit. Daarnaast gaan in de georganiseerde handel van harddrugs grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt dikwijls geweld gebruikt. Van de drugshandel gaat bovendien een ondermijnend effect uit. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer dan terecht dat er voor de georganiseerde handel in cocaïne lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting van de maatschappij waar de dader indirect aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van vrijheidsstraffen tot doel anderen ervan te weerhouden zich met deze vorm van georganiseerde criminaliteit in te laten.
Niet alleen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan grootschalige cocaïnehandel. Tegelijkertijd heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen die afkomstig waren uit deze handel. Het gaat om een bedrag van meer dan 16 miljoen euro. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en faciliteert de onderliggende (drugs)criminaliteit. Ook levert witwassen een aantasting op van de legale economie.
Alleen al gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan
Ook de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, spelen een rol in de straftoemeting. De rechtbank kent bij haar straftoemeting zwaarwegende betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode (van ruim een jaar) de leiding had over de cocaïnehandel. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte de initiator was van de cocaïnehandel. Hij sprak af met handelaren, zowel telefonisch als fysiek, zette de transportlijnen op, stuurde anderen aan, gaf uitleg en instructies en was ook betrokken bij de aflevering en ontvangst van de cocaïne. Hij is hierbij professioneel te werk gegaan door gebruik te maken van een beveiligde telefoon en contact te onderhouden met andere personen. De verdachte had daarmee een sleutelrol bij het transport en vormde een onmisbare en belangrijke schakel in het geheel.
De rechtbank acht ook strafverhogend dat de verdachte een zeer grote hoeveelheid cocaïne heeft geëxporteerd. Uit de verschillende SkyECC-berichten in het dossier leidt de rechtbank af dat de verdachte hier welbewust voor heeft gekozen en dat hij zich hier uit financiële motieven mee heeft ingelaten.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook de proceshouding van de verdachte; hij heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn strafbaar handelen en evenmin heeft hij inzicht daarin gegeven.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 juli 2024. Aangezien de verdachte weliswaar eerder is veroordeeld voor een Opiumwetdelict, maar deze veroordeling al in 2011 plaatsvond, weegt de rechtbank dit strafblad noch in het voordeel, noch in het nadeel van de verdachte mee.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 8 september 2025, inzake de voorlopige hechtenis van de verdachte. Uit dit advies volgt onder meer dat de verdachte graag wil terugkeren naar zijn werk en zijn gezin. Omdat de verdachte tijdens het gesprek met de reclassering zweeg over de ten laste gelegde feiten, was de reclassering niet in staat het recidiverisico in te schatten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden die tijdens de terechtzitting door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht. Ter terechtzitting heeft hij aangegeven dat hij het zwaar heeft in detentie en dat hij zijn leven weer op de rit wil brengen. Hoewel de ervaring en wens van de verdachte voorstelbaar zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze persoonlijke omstandigheden als strafverminderend mee te wegen in de strafmaat.
Oriëntatiepunten rechtspraak en vergelijkbare gevallen
In de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is als uitgangspunt vermeld voor het opzettelijk afleveren en vervoeren van 20 kilogram harddrugs door een dader die enige rol in een organisatie speelt, zoals een koerier, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 72 maanden. Hierbij is relevant dat de straf substantieel zal oplopen naar gelang het gewicht van de harddrugs meer is dan 20 kilogram, tot het - in dit geval - wettelijk maximum van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaren, op grond van artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet. De hoeveelheid cocaïne die ten aanzien van de verdachte bewezen wordt verklaard, was bijna het zestigvoudige van de twintig kilogram en is daarmee dermate hoog dat het ver boven de grootste hoeveelheid uitkomt die in de oriëntatiepunten is benoemd. De rechtbank heeft daarom gekeken naar wat er in vergelijkbare zaken aan straffen is opgelegd.
Voor strafbare voorbereidingshandelingen worden in de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting geen uitgangspunten vermeld.
Voor het witwassen van een geldbedrag van meer dan een miljoen euro geldt volgens de oriëntatiepunten inzake fraude als uitgangspunt een gevangenisstraf van 24 maanden. Met de onderhavige zaak vergelijkbare zaken rechtvaardigen een dergelijk uitgangspunt eveneens.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van negen jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In essentie kent de rechtbank grotere betekenis dan de officier van justitie toe aan de omstandigheid dat sprake is van een samenhangend feitencomplex, reden waarom zij tot een lagere straf komt dan de officier van justitie heeft geëist.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
9. De in beslag genomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage 3 aan dit vonnis is gehecht) genoemde horloges en geldbedragen zullen worden verbeurd verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst genoemde voorwerpen verbeurd verklaren. Deze zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het onder 3 bewezen verklaarde feit is begaan.
10. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 33, 33 a, 47, 55, 57, 420bis en 420ter Sr;
- 2, 10, 10 a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van de feiten 1 en 2:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten verschaffen en voorwerpen en vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
witwassen;
ten aanzien van feit 4:
medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de in beslag genomen goederen;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten:
13 - 46300 EUR;
17 - 1 STK Horloge (serienummer LO 8358 X4, zilver/rosekleurig, merk: Rolex);
18 - 1 STK Horloge (serienummer uurwerk K19Z7532, op de band 350501F, zilverkleurig,
merk: Rolex);
19 - 1 STK Horloge (serienummer op het uurwerk 6948 U9J2, op de band karaatmerk
AU750, zilverkleurig, merk: Rolex);
20 - 1 STK Horloge (goudkleurig, merk: Audemars Piguet).
Dit vonnis is gewezen door
mr. dr. C. Hofman, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E. Özsoy, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 mei 2026.
Bijlage I: de tenlastelegging
1.hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 december 2019 tot en met 8 maart 2021, te Pijnacker, althans in Nederland en/of België en/of het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland en/of Italië, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht;- 75 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk & Ierland en/of;- 13 kilogram cocaïne naar Italië en/of;-107 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en/of;- 30 kilogram cocaïne naar Italië en/of;- 200 kilogram cocaïne naar België en het Verenigd Koninkrijk en/of;- 57 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en/of;- 30 kilogram cocaïne naar België en/of;- 102 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en/of;- 24 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en/of;- 85 kilogram naar het Verenigd koninkrijk en/of;- 24 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en/of;- 24 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en/of;- 28 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en/of;- 102 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk & Ierland en/of;- 14 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk,en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 8 maart 2021 te Pijnacker althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, immers heeft hij, verdachte- ontmoetingen gehad met en/of afspraken gemaakt met en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten (door)gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, omverdovende middelen te kopen en/of te verkopen en/of te exporteren en/of te transporteren en/of in ontvangst te nemen en/of betreffende de wijze waarop dieverdovende middelen zou(den) worden gekocht en/of verkocht en/of geleverd en/of afgenomen en/of verder vervoerd en/of- (aan/bij) de kopende en/of verkopende partij) informatie (op)gevraagd en/of verstrekt over de prijzen, omvang en/of samenstelling van de partijen verdovende middelen en/of- Inlichten uitgewisseld en/of afspraken gemaakt met [account 7] over het starten van een transport met een privévliegtuig en/of de frequentie van dit transport en/of het volume wat ze hiermee kunnen vervoeren en/of de prijzen hiervan [ [prijs 1] ] en/of- Inlichten uitgewisseld met [account 7] over het regelen van een chauffeur en/of het kopen van een (stash)auto om op die manier verdovende middelen te transporteren [ [prijs 1] ] en/of- Inlichtingen uitgewisseld en/of gesprekken gevoerd over de administratie van de verkoop en/of export van cocaïne en/of de hoeveelheden ingekochte en/of verkochte cocaïne en/of de data voor de transporten van deze cocaïne en/of de daarbij behorende betalingen en/of daarbij foto’s van excel bestanden met daarin financiële en voorraad/verkoop gegevens via SKY te sturen (aan/met [account 8] en/of [account 9] en/of ) en/of- foto’s van verdovende middelen gemaakt en/of laten maken en/of deze foto’s (vervolgens) verzonden/doorgestuurd aan de kopende partij en/of- geld verstrekt en/of betaling(en) gedaan en/of laten doen ten behoeve van de aanschaf van verdovende middelen;
3.hij op of omstreeks 8 april 2024 te Pijnacker, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag en/of horloges, te weten- 46,300 euro en/of- drie horloges van het merk Rolex en/of- één horloge van het merk Audemars Piguetalthans één of meer geldbedragen en/of voorwerpen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededaders wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat dat/die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig en/of eigen misdrijf;
4.hij, op één of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 16 augustus 2019 tot en met 8 maart 2021 te Pijnacker, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) voorwerpen, te weten, meerdere (contante) geldbedragen met een totaalbedrag van ongeveer 16,4 miljoen euro (ongeveer 11,8 miljoen euro, [prijs 2] en ongeveer 4,6 miljoen euro, [prijs 3] ; [prijs 4] ; [prijs 5] ), althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten één of meerdere (grote) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig en/of eigen misdrijf en/of van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt;