RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41137
geboren op [datum],
van Indiase nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
(gemachtigde: mr. A.J. Rossing).
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een terugkeerbesluit aan een zogeheten derdelander uit Oekraïne, die facultatieve tijdelijke bescherming had op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (de Richtlijn).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister aan eiser een terugkeerbesluit mocht opleggen. De hem toegekende facultatieve tijdelijke bescherming is op 4 maart 2024 geëindigd.
Procesverloop
2. Bij het bestreden besluit van 31 juli 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser is, met voorafgaande kennisgeving in het dossier NL25.41444, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht, omdat hij geen inkomen of vermogen heeft. De rechtbank ziet, gelet op wat met betrekking tot het verzoek is aangevoerd, aanleiding om het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe te wijzen.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser had een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne toen de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is naar Nederland gekomen en heeft facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit. In dit verband heeft eiser een asielaanvraag ingediend.
Bij besluit van 21 augustus 2023 heeft de minister eiser bericht dat zijn facultatieve tijdelijke bescherming eindigt per 4 september 2023. Bij brief van 1 maart 2024 heeft de minister bericht dat eiser facultatieve tijdelijke bescherming krijgt tot 4 maart 2024, en dat hij zal worden uitgenodigd voor zijn asielprocedure. De minister heeft eiser bij brief van 1 mei 2024 bericht over de bevriezingsmaatregel, waarbij is aangegeven dat eiser tijdelijk langer gebruik mag blijven maken van de rechten die hij onder de Richtlijn had. Nadien heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken bij brief van 21 oktober 2024.
Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft herhaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd en heeft aangegeven dat de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt op 4 september 2025. Eiser mag vanaf 4 september 2025 niet meer werken en heeft vanaf deze datum vier weken de tijd om te vertrekken uit Nederland.
Eiser kan zich hier niet mee verenigen. Hierna gaat de rechtbank in op wat namens hem is aangevoerd in dit verband.
Artikel 3 van het EVRM
5. Eiser heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft gesteld dat beoordeeld moest worden of terugkeer naar Nigeria verantwoord is en dat parallel een asielprocedure loopt.
De beroepsgrond slaagt niet. Anders dan namens eiser is gesteld ziet de terugkeer en beoordeling op India en niet Nigeria. De rechtbank is niet gebleken dat eiser een asielprocedure aanhangig heeft gemaakt, nadat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken bij brief van 21 oktober 2024. In deze brief is bovendien aangegeven dat geen noodzaak tot bescherming bestaat in relatie tot India. De minister heeft zich in het bestreden besluit dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar India een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is ambtshalve evenmin gebleken van dergelijke gronden in het dossier.
Hoorplicht en belangenafweging
6. Eiser heeft verder aangevoerd dat het besluit in strijd is met de beginselen van zorgvuldigheid, rechtszekerheid en gewekt vertrouwen. Dit betekent volgens eiser dat de minister hem had moeten horen. Ook heeft de minister ten onrechte geen belangenafweging gemaakt, waarin het economische voordeel voor Nederland is betrokken.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser rechtsgeldig per 4 maart 2024 is geëindigd. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025. Nu in het geval van eiser niet is gebleken van rechtmatig verblijf, was de minister gehouden om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. In wat namens eiser is gesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit in strijd is met de beginselen van zorgvuldigheid, rechtszekerheid of gewekt vertrouwen. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister eiser niet hoefde te horen voordat hij een terugkeerbesluit oplegde. De minister heeft eiser de mogelijkheid gegeven om door het indienen van een zienswijze zijn standpunt hierover naar voren te brengen. Eiser heeft van deze mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Verder heeft eiser niet onderbouwd of toegelicht op grond van welke toepasselijke rechtsregel de minister gehouden was een belangenafweging te maken, waarin het gestelde economische voordeel betrokken had moeten worden.
Terugkeerrichtlijn
7. Tot slot heeft eiser gesteld dat het terugkeerbesluit niet overeenkomstig de Terugkeerrichtlijn tot stand is gekomen.
De beroepsgrond slaagt niet, omdat eiser de stelling niet nader heeft onderbouwd.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank ziet in het door eiser gevoerde betoog geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.