ECLI:NL:RBDHA:2026:1236

ECLI:NL:RBDHA:2026:1236

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer NL25.38881
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Asiel, AA. Gegrond. Internationale bescherming Roemenië. Vertrouwen niet geschonden nu gedurende de procedure eiser meerdere keren is gewezen op zijn status in Roemenië. Verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Geen kenbare en voldoende gemotiveerde belangenafweging levensfase van eiser en zijn binding met Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.38881

(gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek),

en

(gemachtigde: mr. C.W.M. Breda).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Verweerder heeft hiertoe besloten omdat eiser internationale bescherming heeft in Roemenië. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is daar geboren op [geboortedatum] 2006. Hij heeft hier te lande op 22 maart 2023, toen hij 16 jaar oud was, een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit deze aanvraag in de verlengde procedure nietontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader

3. In artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) staat dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000 als de vreemdeling zo’n band heeft met het betrokken andere land dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is daaraan al voldaan als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet (ECLI:NL:RVS:2019:442).

Verweerder moet echter van dit uitgangspunt afwijken als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. In artikel 3.106a, derde lid, van het Vb staat dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken moeten worden, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf.

Het bestreden besluit

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser nietontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Uit informatie van de Roemeense autoriteiten blijkt dat eiser in dat land een asielaanvraag heeft gedaan op 24 oktober 2022 en dat hij sinds 14 december 2022 internationale bescherming heeft in Roemenië. Omdat eiser in Roemenië internationale bescherming is verleend, heeft eiser een sterke(re) band met dat land. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat ten aanzien van Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Schending van het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel

5. Eiser betoogt dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hem bij het bestreden besluit niet meer zou worden tegengeworpen dat hij een asielstatus in Roemenië heeft. Verweerder heeft het Dublin onderzoek afgerond en vervolgens tijdens het nader gehoor op 14 december 2023 eiser bevraagd over zijn asielmotieven. Eiser acht het excuus van verweerder dat er sprake was van een vergissing niet toereikend om afbreuk te doen aan het gewekte vertrouwen. Bovendien is naar mening van eiser geen rekening gehouden met het feit dat eiser minderjarig is. Eiser stelt dat verweerder kennelijk heeft gewacht tot de meerderjarigheid van eiser.

De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. Verweerder heeft niet ten onrechte opgemerkt dat eiser gedurende de procedure er steeds op is gewezen dat hij een asielvergunning in Roemenië heeft gekregen. Bovendien heeft verweerder kort na het afnemen van het nader gehoor op 14 december 2023 eiser op 18 december 2023 per brief geïnformeerd dat zijn asielaanvraag verder behandeld zal worden in de Verlengde Asielprocedure. Verweerder heeft hierbij als reden opgegeven dat eiser aanvullend zal worden gehoord over zijn verblijfsvergunning in Roemenië. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen nu verweerder binnen twee werkdagen aan eiser kenbaar heeft gemaakt dat de verblijfsstatus van eiser in Roemenië van belang wordt geacht. Ook heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat het feit dat er een nader gehoor is afgenomen waarbij is gevraagd naar de asielmotieven, niet zonder meer betekent dat de aanvraag ook daadwerkelijk inhoudelijk zal worden beoordeeld.

Het is de rechtbank verder niet onbekend dat verweerder te maken heeft met grote achterstanden, waardoor de termijnen van beslissingen stelselmatig worden overschreden. Gelet daarop is er geen grond om, zoals eiser stelt, aan te nemen dat verweerder opzettelijk heeft gewacht met het nemen van het bestreden beluit tot de meerderjarigheid van eiser om aan de minderjarigheid van eiser voorbij te kunnen gaan.

De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

6. Eiser betoogd dat ten aanzien van Roemenië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat hij een reëel risico loopt op een situatie van materiële deprivatie in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest).

Verweerder mag er in beginsel van uitgaan dat de behandeling van eiser in Roemenië in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. De Afdeling heeft in de uitspraak van 7 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:902, nog bevestigd dat ten aanzien van statushouders in Roemenië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook blijkt uit verschillende recentere uitspraken van de Afdeling dat wat betreft Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is.

De door eiser ingebrachte informatie van Vluchtelingenwerk Nederland leidt niet tot een ander oordeel. Hieruit blijkt weliswaar dat eiser mogelijk niet meer kan deelnemen aan het integratieprogramma, maar uit het AIDA-rapport over Roemenië van 31 mei 2023 blijkt ook dat statushouders onder de zelfde voorwaarden als Roemeense burgers recht op een sociale huurwoning, de arbeidsmarkt, onderwijs, sociale voorzieningen en gezondheidszorg.

De beroepsgrond slaagt niet.

Binding met Roemenië

7. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met alle omstandigheden en bij heeft nagelaten een expliciete belangenafweging te maken over het gewicht dat toekomt aan de omstandigheid dat dat hij ten tijde van zijn asielaanvraag 16 jaar was, en toen in de vormende fase van zijn leven was, terwijl verweerder daarna nog bijna twee jaar en negen maanden heeft gedaan over het nemen van het bestreden besluit. Hij stelt in dat verband dat hij niet bekend is met een asielprocedure in Roemenië en dat hij daar zeer kort (één dag) is geweest. Hij heeft derhalve geen binding met Roemenië. Daarentegen heeft hij nu wel binding met Nederland. Zijn tante woont in Nederland en hij gaat naar school. In Roemenië kent hij niemand en spreekt hij de taal niet, waardoor het voor hem onmogelijk is om zich in Roemenië staande te houden. Eiser heeft kort voor de zitting aanvullende gronden ingediend, waarbij hij heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van Staten (Afdeling) van 6 oktober 2025 (202505049/1/V2).

Het betoog slaagt. Het bestreden besluit benoemt niet dat eiser in de vormende fase van zijn leven (tussen zijn zestiende en negentiende jaar) twee jaar en negen maanden heeft moeten wachten op een beslissing op zijn asielaanvraag en in die periode naar school is gegaan, Nederlands heeft geleerd en een sociaal leven heeft opgebouwd. Welk gewicht verweerder daaraan toekent in relatie tot andere wel benoemde omstandigheden blijft dan ook te raden. Dat verweerder zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld er wél enig gewicht aan toe te kennen, maar het niet zwaarwegend te vinden, overtuigt de rechtbank niet. De rechtbank vindt dat verweerder aldus geen kenbare en voldoende gemotiveerde belangenafweging heeft gemaakt tussen de worteling van eiser in Nederland sinds zijn asielaanvraag, de hechting die daardoor in ontstaan in Nederland, en wat de gevolgen zijn voor hem indien hij als jong volwassene in Roemenië een nieuw begin moet maken in een vreemde omgeving met een vreemde taal. Verweerder heeft daarom in dit geval ondeugdelijk gemotiveerd dat er sprake is van een zodanige band met Roemenië dat het voor eiser redelijk is om naar Roemenië terug te keren.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit moet wegens een motiveringsgebrek worden vernietigd. Omdat het op de weg van verweerder ligt om alsnog een beoordeling te verrichten waarbij alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 13 augustus 2025;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van diens proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van

mr. F. Horst - van Dee, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?