ECLI:NL:RBDHA:2026:12361

ECLI:NL:RBDHA:2026:12361

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-05-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer NL24.8804 en NL24.26367
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bob tegen kennisgeving leeftijdswijziging, geen procesbelang, beroep tegen leeftijdsvaststelling, gegrond, nieuwe Afdelingslijn interstatelijk vertrouwensbeginsel, rechtsgevolgen in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.8804 en NL24.26367

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),

en

(gemachtigde: mr. D. Gigengack)

en de Staat der Nederlanden (namens deze: de Minister van Asiel en Migratie), de Staat.

Procesverloop

Eiser heeft op 15 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) ingediend.

Op 19 juni 2023 heeft verweerder de leeftijd van eiser aangepast van 1 januari 2008 naar 1 januari 2004. Eiser is hier door middel van een kennisgeving van op de hoogte gesteld. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingediend.

Bij besluit van 7 februari 2024 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de aanpassing van zijn leeftijd van minderjarig naar meerderjarig niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld (NL24.8804).

Bij besluit van 26 juni 2024 (bestreden besluit 2) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld voor zover dat ziet op zijn leeftijdsvaststelling (NL24.26376). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om in de zaak NL24.26376 onderzoek te verrichten naar eisers inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) en het onderzoek van Bureau Documenten. Eiser is vervolgens in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. In de zaak NL24.8804 zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het procesbelang in die zaak.

De rechtbank heeft het onderzoek in de zaak NL24.26376 op 23 maart 2026 gesloten. Het onderzoek in de zaak NL24.8804 is op 16 april 2026 gesloten.

Totstandkoming van de bestreden besluiten

Eiser heeft de Syrische nationaliteit en stelt te zijn geboren op 1 januari 2008. Op 15 mei 2023 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.

Op 23 mei 2023 heeft verweerder, met toepassing van artikel 34 van de Dublinverordening, informatie over eiser opgevraagd bij de autoriteiten van Griekenland. Uit de door de Griekse autoriteiten verstrekte informatie blijkt dat eiser in Griekenland is geregistreerd met de geboortedatum 1 januari 2004. Naar aanleiding hiervan is op 19 juni 2023 eisers geboortedatum in de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV) gewijzigd van 1 januari 2008 naar 1 januari 2004. Eiser is door middel van een kennisgeving op de hoogte gesteld van deze leeftijdswijziging.

Eiser heeft op 21 september 2023 bezwaar ingediend tegen deze kennisgeving. Dit bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit 1 van 7 februari 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De leeftijdsaanpassing brengt volgens verweerder namelijk geen wijziging in de rechtspositie teweeg en kan daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft hiertegen beroep ingediend. Over dit beroep gaat zaak NL24.8804.

Bij bestreden besluit 2 van 26 juni 2024 heeft verweerder eisers asielaanvraag ingewilligd. Verweerder volgt eiser niet in zijn gestelde leeftijd en gaat uit van 1 januari 2004 als geboortedatum. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingediend voor zover dat ziet op de leeftijdsvaststelling. Over dit beroep gaat zaak NL24.26367.

Beoordeling door de rechtbank: bestreden besluit 1 (NL24.8804)

Procesbelang

2. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij een oordeel over zijn beroep gericht tegen de kennisgeving van zijn leeftijdswijziging. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 1 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1565), volgt dat bij de vraag of er sprake is van procesbelang het erom gaat of het doel dat eiser voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Procesbelang is er niet als elk belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.

Eiser stelt zich hierover op het standpunt dat hij vanwege zijn verzoek om proceskosten en zijn verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn procesbelang heeft. Daarnaast meent eiser dat hij procesbelang heeft omdat er tijdens het nader gehoor geen rekening is gehouden met zijn minderjarigheid.

De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep gericht tegen de kennisgeving. Zij overweegt hiertoe allereerst dat het verzoek om een proceskostenvergoeding (uitzonderingen daargelaten) en een verzoek om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn geen procesbelang met zich brengen. Van een uitzonderingssituatie, waarin de beslissing over de bezwaarkosten toch moet worden beoordeeld, is in dit geval geen sprake. Daarnaast is eiser al gehoord en is hij inmiddels, ook wanneer wordt uitgegaan van de door hem gestelde geboortedatum van 1 januari 2008 meerderjarig, zodat hij niet meer kan bereiken dat hij nog als minderjarige wordt gehoord of behandeld. Gelet op dit alles kan eiser met een beoordeling van zijn beroep gericht tegen de kennisgeving niet in een gunstigere positie komen. De rechtbank geeft daarom in het beroep gericht tegen de kennisgeving en geregistreerd onder zaaknummer NL24.8804 geen inhoudelijk oordeel over het beroep en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn

3. Eiser heeft verzocht om hem een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Vanwege dit verzoek is de Staat aangemerkt als partij in deze zaak.

In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven om de overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

De redelijke termijn vangt aan met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder, in dit geval op 22 september 2023. Dit betekent dat de redelijke termijn op 22 september 2025 was overschreden. Dat, zoals verweerder stelt, de kennisgeving van 18 juni 2023 geen besluit in de zin van de Awb is, laat onverlet dat de redelijke termijn in acht moet worden genomen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn ruim vier maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven om de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Eiser heeft daarom recht op € 500,- schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de behandeling van het bezwaar niet meer dan een half jaar in beslag heeft genomen, maar dat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus alleen aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank zal daarom de Staat veroordelen tot betaling van de schadevergoeding aan eiser.

De rechtbank veroordeelt de Staat verder tot betaling van een vergoeding aan eiser voor de door hem gemaakte kosten voor het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift/verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Conclusie ten aanzien van NL24.8804

Het beroep gericht tegen het bestreden besluit 1 en geregistreerd onder zaaknummer NL24.8804 is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn toe en veroordeelt de Staat tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-. Ook veroordeelt de rechtbank de Staat in de proceskosten die eiser voor het schadevergoedingsverzoek heeft gemaakt tot een bedrag van € 467,-.

Beoordeling door de rechtbank: bestreden besluit 2 (NL24.26367)

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser stelt zich kort samengevat op het standpunt dat verweerder ten onrechte uitgaat van de in Griekenland opgegeven meerderjarige leeftijd. Eiser heeft namelijk uitgelegd dat hij in Griekenland een meerderjarige leeftijd heeft opgegeven omdat hij niet in de minderjarigen opvang wilde komen. Daarnaast is hij door de gemeente in het BRP ingeschreven met [geboortedatum 1] 2008 als geboortedatum. Dit is volgens eiser leidend. Verder heeft eiser ook meerdere documenten overgelegd, welke door Bureau Documenten echt zijn bevonden. Dat uit landeninformatie blijkt dat er in Syrië valse documenten in omloop zijn doet hier volgens eiser niet aan af. Hieruit blijkt namelijk niet dat zijn documenten ook vals zijn.

Beoordeling door de rechtbank

5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraken van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992 en ECLI:NL:RVS:2024:4086), volgt dat het in beginsel aan de vreemdeling is om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum aannemelijk te maken. Als verweerder twijfels heeft over de minderjarigheid van de vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. Verweerder moet dan uitgaan van het vermoeden dat de betrokken vreemdeling minderjarig is. Het is aan verweerder om dat vermoeden te ontzenuwen en nader onderzoek te doen, waarbij alle feiten en omstandigheden moeten worden meegewogen. In dit kader mag verweerder niet onverkort op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat. Wel mag verweerder een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.

Naar aanleiding van de uitgevoerde leeftijdsschouwen is er bij verweerder twijfel ontstaan over de door eiser in Nederland opgegeven geboortedatum ([geboortedatum 1] 2008). Verweerder heeft daarom nader onderzoek gedaan naar de leeftijd van eiser door navraag te doen bij de Griekse autoriteiten. Hieruit is gebleken dat eiser in Griekenland is geregistreerd met geboortedatum [geboortedatum 2] 2004. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit daarom op het standpunt dat hij op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de in Griekenland opgegeven leeftijd. Eiser is er volgens verweerder niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij minderjarig is.

Gelet op de onder 5 genoemde lijn van de Afdeling mocht verweerder niet onverkort uitgaan van de juistheid van de leeftijdsregistratie in Griekenland en is het aan verweerder om de presumptie van de minderjarigheid te ontzenuwen. In zoverre omvat het bestreden besluit een gebrek en is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden vernietigen voor zover dat ziet op de leeftijdsbepaling wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Mogelijkheid definitieve geschilbeslechting

6. De rechtbank onderzoekt hierna de mogelijkheid van definitieve geschilbeslechting. In de eerste plaats onderzoekt zij of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank zal hierbij beoordelen of verweerder met de overige overwegingen in het bestreden besluit, zijn verweerschrift, zijn toelichting ter zitting en na de zitting en de na de zitting nog overgelegde stukken alsnog voldoende gemotiveerd het vermoeden van minderjarigheid heeft ontzenuwd.

De rechtbank stelt vast dat eiser meerdere documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn gestelde leeftijd. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij minderjarig is. Weliswaar zijn deze documenten door Bureau Documenten onderzocht en echt bevonden, maar uit het rapport van Bureau Documenten volgt dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de opmaak, afgifte of inhoud van de documenten. Verweerder verwijst in dit kader ook naar landeninformatie waaruit blijkt dat het gebruik van valse documenten of vervalste documenten gangbaar is in Syrië en dat documenten door omkoping of met smeergeld verkregen kunnen worden. Volgens verweerder kan daarom niet worden vastgesteld of de documenten inhoudelijk juist zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verwijzing naar het rapport van Bureau Documenten en de genoemde landeninformatie op zichzelf onvoldoende om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Dat Bureau Documenten niets kan zeggen over de juistheid van de vermelde leeftijd in de documenten en dat het gebruik van vervalste/valse documenten gangbaar is in Syrië, betekent immers – zoals eiser terecht aanvoert - niet dat de inhoud van de overgelegde documenten onjuist is. Verweerder heeft echter naast deze omstandigheden ook gewezen op andere tegenwerpingen in deze zaak (zoals hierna besproken) en zich gelet op alle feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde documenten onvoldoende bewijswaarde hebben en eisers gestelde minderjarigheid niet aannemelijk maken. De rechtbank licht dit oordeel hierna verder toe.

Verweerder heeft er allereerst op kunnen wijzen dat de overgelegde documenten (op het paspoort na) geen identificerende gegevens bevatten en daarom een zwakkere bewijswaarde hebben.6.4. Verder heeft verweerder kunnen overwegen dat de overgelegde documenten pas na eisers vertrek uit Syrië en na zijn asielaanvraag zijn afgegeven en dat eiser bij geen enkele aanvraag of uitgifte van deze documenten aanwezig is geweest. Alhoewel het over het algemeen mogelijk is om documenten vanuit het buitenland te verkrijgen, heeft verweerder dit niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten wegen. Hierbij heeft verweerder er op kunnen wijzen dat eiser weinig heeft kunnen verklaren over hoe de documenten zijn aangevraagd en verkregen. Zo verklaart eiser dat hij niet weet hoe zijn familie de documenten heeft gekregen, behalve dat het via een overheidsinstantie is gegaan (p. 5 nader gehoor). Ook weet eiser niet welke documenten er bij de aanvraag van zijn paspoort moesten worden overgelegd en wanneer zijn paspoort is aangevraagd (p. 3 nader gehoor). Verder wijst verweerder er terecht op dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft gegeven over hoe hij in Syrië een identiteitskaart heeft aangevraagd. Eiser heeft verklaard dat hij voor zijn vertrek een identiteitskaart heeft aangevraagd en vingerafdrukken heeft afgegeven (p. 4 schouwgehoor), dat hij een aanvraagstrookje van de identiteitskaart had, maar dat hij dit is verloren (p. 3 aanmeldgehoor) en dat hij de identiteitskaart samen met zijn moeder heeft aangevraagd (p. 4-5 nader gehoor). In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor stelt eiser echter dat hij geen vingerafdrukken heeft afgegeven en geen ontvangstbewijs heeft gekregen, terwijl uit landeninformatie weer blijkt dat er bij de aanvraag van een identiteitskaart wel vingerafdrukken worden afgenomen en dat de aanvrager een ontvangstbewijs ontvangt. Verweerder stelt terecht dat eisers verklaringen niet stroken met de correcties en aanvullingen en met landeninformatie. Verweerder stelt niet ten onrechte dat deze tegenstrijdigheden en de omstandigheid dat zijn documenten pas na zijn vertrek uit Syrië zijn aangevraagd en afgegeven twijfels doet oproepen over de overgelegde documenten en in het verlengde daarvan, eisers gestelde leeftijd. Dat, zoals eiser stelt, van hem niet kan worden verwacht dat hij gedetailleerd verklaard over de wijze waarop de documenten zijn verkregen omdat dit door zijn ouders is geregeld en dat onwetendheid niks over de juistheid van de gestelde gegevens op de documenten, acht de rechtbank onvoldoende verklarend. Hieruit blijkt immers niet waarom eiser in eerste instantie heeft verklaard dat hij wel vingerafdrukken heeft afgegeven en een ontvangstbewijs had.

Verweerder heeft er verder op kunnen wijzen dat de inhoud van de door eiser overgelegde documenten afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde leeftijd. Zo volgt uit landenformatie dat men pas na registratie in de Syrische basisregistratie een nationaal nummer krijgt. Dit nationale nummer is een vereiste om een identiteitskaart aan te vragen. Uit het door eiser overgelegde individuele uittreksel volgt dat eiser pas na zijn vertrek uit Syrië en na zijn asielaanvraag is geregistreerd bij de Syrische basisregistratie. Verweerder stelt niet ten onrechte dat daarom aannemelijk is dat eiser voor vertrek geen nationaal nummer had en dat het hierdoor onmogelijk voor eiser is geweest om voor zijn vertrek al een identiteitskaart te hebben aangevraagd. Verder blijkt uit landeninformatie ook dat een familieboekje vereist is voor het aanvragen van een identiteitsbewijs van een kind. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat als eiser een identiteitsbewijs had aangevraagd of gehad, eiser naast het overgelegde familieboekje dat is afgegeven op 18 mei 2023, ook een ouder familieboekje zou hebben gehad. Verweerder heeft het niet ten onrechte vreemd gevonden dat eiser dit oudere familieboekje niet heeft overgelegd. Verder blijkt uit het familie uittreksel, familieboekje, individueel uittreksel en de geboorteverklaring dat eiser pas na zijn asielaanvraag bij de Syrische Basisregistratie is geregistreerd (18 mei 2023) terwijl eisers ouders broers en zusjes volgens het familieboekje en -uittreksel kort na hun geboorte zijn geregistreerd. Verweerder stelt zich hierover niet ten onrechte op het standpunt dat dit twijfels oproept over de wijze van opmaak en afgifte van de documenten en de inhoudelijke juistheid ervan. Dat eiser zich opnieuw moest laten registreren vanwege verwoestingen heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende verklarend kunnen vinden. Niet valt in te zien waarom enkel eisers gegevens verloren zouden zijn gegaan, maar niet die van zijn broers en zussen. Over het paspoort heeft verweerder zich tot slot op het standpunt kunnen stellen dat uit landeninformatie blijkt dat jongens onder de zeventien jaar een paspoort krijgen dat geldig is tot ze zeventien jaar worden, met een minimum van één jaar en een maximum van zes jaar. Uitgaande van eisers gestelde leeftijd zou zijn paspoort daarom geldig moeten zijn tot 24 april 2025. Het paspoort is echter geldig tot 23 oktober 2026. Ook dit roept bij verweerder niet ten onrechte twijfels op over de wijze waarop het paspoort is opgemaakt en afgegeven en of het paspoort inhoudelijk juist is.

Verder heeft verweerder er op kunnen wijzen dat eiser niet eenduidig heeft verklaard over waarom hij een andere leeftijd in Griekenland heeft opgegeven. Zo heeft eiser verklaard dat hij een meerderjarige leeftijd heeft opgegeven omdat hij anders in een opvang voor minderjarigen zou komen en niet meer weg zou mogen (p. 6 schouwgehoor), dat hij zou moeten blijven of terug zou moeten naar Turkije (p. 10 aanmeldgehoor, p. 7 nader gehoor), en in het nader gehoor verklaart eiser daarbij dat hij door anderen werd gedwongen om te zeggen dat hij meerderjarig was (p. 7 nader gehoor). Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat deze wisselende verklaringen over de leeftijdsregistratie in Griekenland afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen.

Over eisers standpunt dat hij in het BRP staat ingeschreven met geboortedatum 1 januari 2008 en dat het BRP leidend is heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het BRP in beginsel leidend is maar dat bestuursorganen niet gehouden zijn om bij de uitvoering van hun wettelijke taken gegevens uit de BRP te gebruiken als zij uit andere bronnen weten of vermoeden dat die onjuist zijn. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de door eiser overgelegde documenten heeft verweerder eisers BRP inschrijving niet ten onrechte niet doorslaggevend gevonden, temeer nu is gebleken dat eiser zich zelf bij een gemeente heeft ingeschreven en hij daarbij een Syrische geboorteakte heeft getoond.

Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser minderjarig is. Verweerder heeft het vermoeden dat eiser minderjarig is voldoende gemotiveerd ontzenuwd en niet ten onrechte meer gewicht toegekend aan de leeftijdsregistratie in Griekenland dan aan eisers verklaring in Nederland en de overgelegde documenten. Verweerder is terecht uitgegaan van de geboortedatum van 1 januari 2004.

Conclusie ten aanzien van NL24.26367

7. Gelet op wat onder 5.2. is overwogen is het beroep geregistreerd onder zaaknummer NL24.26367 gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dat ziet op de leeftijdsbepaling van eiser vanwege een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank ziet gelet op wat onder 6.1. en verder is overwogen wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder heeft met de overige overwegingen in het bestreden besluit, zijn verweerschrift en zijn toelichting ter zitting en na de zitting alsnog voldoende gemotiveerd de presumptie van de door eiser gestelde minderjarigheid ontzenuwd. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt.

8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een nadere reactie met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep geregistreerd onder zaaknummer NL24.8804 is niet-ontvankelijk. De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding tot een bedrag van € 500,-. Ook veroordeelt de rechtbank de Staat in de proceskosten die eiser voor het schadevergoedingsverzoek heeft gemaakt tot een bedrag van € 467,-.

10. Het beroep geregistreerd onder zaaknummer NL24.26367 is gegrond. De rechtbank bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 2 in stand kunnen blijven. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand