Beschikking op het op 20 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Celikkal te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te [geboorteplaats 2].
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1],
de minderjarige, hierna: [minderjarige 1],
in rechte vertegenwoordigd door mr. G.B. van de Bunt,
advocaat te Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
Op 23 maart 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
Verzoek en verweer
De man verzoekt:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man tot vervangende toestemming erkenning van [minderjarige 1] toe te wijzen.
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Juridisch kader Artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Standpunt van de man
De man stelt dat [minderjarige 1], net als zijn broer en zus, dient te weten wie zijn vader is. Dat moet ook officieel worden geregistreerd. Volgens de vader zullen de belangen van [minderjarige 1] door de erkenning niet geschaad worden. Ook zal de erkenning niet leiden tot een inbreuk op het gezinsleven van [minderjarige 1] en de moeder. Weliswaar verzet de moeder zich inmiddels niet meer tegen de erkenning, maar de man handhaaft het verzoek toch om er zeker van te zijn dat de erkenning tot stand zal komen.
Standpunt van de moeder
Hoewel uit de stukken volgt dat de moeder voor de indiening van het verzoek bezwaren heeft geuit tegen de erkenning omdat zij vreesde dat dat zou leiden tot gezag en omgang en zij dat voor [minderjarige 1] belastend vond, stemt zij inmiddels in met het verzoek. De moeder en de kinderen hebben nu ook weer contact met de man.
Standpunt van de bijzondere curator
De bijzondere curator adviseert het verzoek toe te wijzen. [minderjarige 1] heeft een eigen belang bij vastlegging van zijn afstamming en bij toegang tot zijn volledige familiegeschiedenis. Dit temeer omdat zijn oudere broer en zus wel erkend zijn door de man. Volgens de bijzondere curator doen de uitzonderingsgronden zich hier niet voor.
Inhoudelijke beoordeling
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige 1]. Hoewel de moeder zich inmiddels niet meer verzet tegen de erkenning, zal de rechtbank daarvoor toch vervangende toestemming verlenen. De rechtbank overweegt daartoe dat de moeder over de erkenning een wisselend standpunt heeft ingenomen en dat het partijen vooralsnog niet is gelukt de erkenning zelf te regelen. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 1] dat hij weet van wie hij afstamt en dat dit ook op de geboorteakte wordt aangegeven. De rechtbank wijst dit verzoek daarom toe.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige 1] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253c BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
Standpunt van de man
De man stelt dat het in het belang van de kinderen is dat de ouders worden belast met het gezamenlijk gezag over alle drie de kinderen.
Standpunt van de moeder
De moeder verzet zich niet tegen gezamenlijk gezag.
Inhoudelijke beoordeling
Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal de rechtbank het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag toewijzen. De rechtbank overweegt daartoe dat het uitgangspunt van de wet is dat de ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Omdat de man en de moeder inmiddels weer contact met elkaar hebben en zij ook een omgangsregeling zijn overeengekomen, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dat de ouders met het gezamenlijk gezag over hen worden belast.
Over [minderjarige 1] overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel de overweging hiervoor ook geldt voor hem, kan de rechtbank pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van vijf maanden om de erkenning van [minderjarige 1] bij de gemeente te laten registreren.
De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven en zal het verzoek tot gezamenlijk gezag met betrekking tot [minderjarige 1] ook worden toegewezen. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning aanhouden tot 15 september 2026 pro forma. De rechtbank overweegt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Omgang c.q. zorgregeling
Op de zitting is gebleken dat partijen het ook eens zijn geworden over de omgang c.q. zorgregeling. Zij zijn het eens over een regeling waarbij de kinderen bij de man zijn het ene weekend van zaterdag na de sport tot zondag 18.00 uur dan wel een tijdstip in onderling overleg te bepalen, en het andere weekend op zaterdag na de sport tot diezelfde dag 18.00 uur dan wel een tijdstip in onderling overleg te bepalen. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen. Niet gebleken is dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Proceskosten
Nu de rechtbank nog geen eindbeschikking zal afgeven zal het verzoek met betrekking tot de proceskosten worden aangehouden.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent [de man], geboren op [geboortedatum 4] 1998 te [geboorteplaats 3], [land], toestemming, die de toestemming van [de moeder], geboren op [geboortedatum 4] 1995 te [geboorteplaats 2], vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1];
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat voortaan de man, gezamenlijk met de moeder, het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
*
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 1] bij de man zullen zijn:
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag met betrekking tot de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te ’[geboorteplaats 1], en het verzoek met betrekking tot de proceskosten wordt aangehouden tot 15 september 2026 pro forma;
*
bepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.