ECLI:NL:RBDHA:2026:12382

ECLI:NL:RBDHA:2026:12382

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-05-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer NL24.41595
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Somalië / onderzoek adequate opvang – de beslissing of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld is een besluitonderdeel van de beslissing op de asielaanvraag en de rechtmatigheid van deze beslissing wordt dus door de asielrechter in dezelfde procedure beoordeeld – de rechtbank heeft daarom de stukken opgevraagd die betrekking hebben op het onderzoek naar adequate opvang. Verweerder vindt dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang en verleent daarom geen ‘buiten schuld-vergunning’. Eiser heeft dit gemotiveerd betwist en stelt onder meer dat IOM en het Rode Kruis geen tracingsverzoeken doen als dit onderdeel is van een juridische procedure. Indien het Rode Kruis geen opsporingsverzoek uitvoert zolang er een procedure om een verblijfsvergunning aanhangig is, kan van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen niet worden gevergd dat zij zich in het kader van de plicht om mee te werken aan het onderzoek naar adequate opvang tot het Rode Kruis wenden. Dit kan relevant zijn voor verlening van de ‘buiten schuld-vergunning'. De rechtbank zal zich daarom tot het Rode Kruis wenden om te zien of door het Rode Kruis schriftelijk dan wel mondeling ter zitting een nadere toelichting kan worden gegeven over de toepassing van haar richtlijnen en uitgangspunten. De rechtbank heeft verweerder voorts gevraagd of er gegevens beschikbaar zijn over tracingsverzoeken van IOM en het Rode Kruis die zich op Somalië richten en met name of bekend is hoe vaak deze verzoeken tot positief resultaat hebben geleid en op grond hiervan kon worden vastgesteld dat de minderjarige vreemdeling kan terugkeren omdat adequate opvang bij de opgespoorde familieleden beschikbaar is. De rechtbank zal verweerder opdragen om na te gaan of deze gegevens beschikbaar zijn en indien dat het geval is, deze gegevens aan het dossier toe te voegen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Tussenuitspraak II van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.41595 T2

geboren op [geboortedatum] 2007, Somalische nationaliteit,

V-nummer: [v-nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. P.Th. van Alkemade),

en

(gemachtigden: mr. J. Visschers en mr. I.A.G. Lodders).

Procesverloop

Eiser heeft op 9 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Bij besluit van 27 september 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Dit besluit omvat geen terugkeerbesluit.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift uitgebracht.

De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld.

De rechtbank heeft op 20 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan en onder meer partijen opgedragen om alle stukken die verband houden met het onderzoek naar adequate opvang zoals dat door verweerder en de DT&V is verricht te overleggen (ECLI:NL:RBDHA:2026:6005).

Eiser heeft op 23 maart 2026 het voornemen van verweerder van 18 februari 2026 om ‘geen verblijfsvergunning op grond van het buitenschuld beleid voor amv’ te verlenen, de ‘Nota Beoordeling onderzoek Adequate Opvang van 14 oktober 2025 en de verslagen van de door DT&V met eiser gehouden vertrekgesprekken overgelegd. Eiser heeft op 23 maart 2026 tevens zijn zienswijze van 17 maart 2026 op het voornemen van 18 februari 2026 overgelegd.

Op 2 april 2026 heeft verweerder een bericht met onder meer de navolgende inhoud aan het dossier toegevoegd:

(…)

Verweerder zal geen gevolg geven aan de opdracht van uw rechtbank om alle

stukken uit het DT&V-traject over het onderzoek naar adequate opvang in

deze procedure te brengen en op basis daarvan binnen vier weken een besluit

te nemen.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling)

heeft namelijk reeds bij uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1553,

r.o. 17, geoordeeld dat een terugkeerbesluit kan worden genomen los van de

afwijzing van de asielaanvraag indien nader onderzoek noodzakelijk is:

(…)

De Afdeling heeft bovendien expliciet bepaald dat de terugkeerrichtlijn de

lidstaten niet dwingt tot het nemen van een meeromvattende beschikking, noch tot het gelijktijdig nemen van het afwijzende asielbesluit en het terugkeerbesluit.

De opdracht van uw rechtbank gaat dus tegen deze vaste jurisprudentie van de Afdeling in. Afstappen van de werkwijze van verweerder om (indien nodig) separaat te onderzoeken of er opvangmogelijkheden zijn, zou betekenen dat verweerder in alle gevallen het onderzoek naar adequate opvang in de asielprocedure moet integreren. Dit is niet wenselijk in zaken waarbij er sprake is van tijdrovend onderzoek.

Wat uw rechtbank eigenlijk diende te beoordelen is of verweerder inzichtelijk heeft gemaakt dat nader onderzoek noodzakelijk was. Overigens is dat in het bestreden besluit inzichtelijk gemaakt.

Gelet op vorenstaande, verzoekt verweerder uw rechtbank om uitspraak te doen op het beroep.

(…)

De rechtbank heeft op 3 april 2026 het navolgende bericht aan het dossier toegevoegd:

(…)

De rechtbank heeft kennisgenomen van de reactie van verweerder en wijst verweerder op

het navolgende. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het door eiser

ingediende beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging

of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven een voornemen te hebben uitgebracht

waarin wordt medegedeeld dat aan eiser geen 'buiten schuld-vergunning' wordt verleend.

Indien verweerder na kennisname van de zienswijze niet alsnog tot vergunningverlening

overgaat, moet verweerder zich beraden of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld.

Dit (mogelijke) terugkeerbesluit is een aanvulling op het besluit waarin de asielaanvraag van

eiser is afgewezen. Verweerder is op grond van artikel 6:19, derde lid, van de Awb verplicht

om dit terugkeerbesluit onverwijld ter beschikking te stellen aan de rechtbank. De rechtbank

verwacht dan ook dat verweerder het genomen, dan wel te nemen terugkeerbesluit zal

toevoegen aan het dossier zodat de rechtbank de rechtmatigheid hiervan kan beoordelen.

Indien verweerder meer tijd nodig heeft om na te gaan of een terugkeerbesluit kan worden

vastgesteld, kan hij een daartoe strekkend gemotiveerd verzoek om aanhouding doen. Dit

geldt ook voor eiser indien eiser meer tijd nodig heeft om gronden tegen het

terugkeerbesluit te formuleren. De rechtbank gaat er van uit dat verweerder begrijpt dat bij

het rechtmatigheidsonderzoek van het terugkeerbesluit, het noodzakelijk is dat de

rechtbank kennis kan nemen van de stukken die betrekking hebben op het onderzoek naar

adequate opvang.

(…)

Verweerder heeft op 22 april 2026 het op 17 april 2026 vastgestelde terugkeerbesluit en alle stukken die verband houden met het onderzoek naar adequate opvang zoals dat door verweerder en de DT&V is verricht aan het dossier toegevoegd.

Eiser heeft op 24 april 2026 zijn beroepschrift van nadere gronden voorzien.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 11 mei 2026. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

De rechtbank heeft partijen op 18 mei 2025 medegedeeld dat het onderzoek wordt heropend omdat de rechtbank nader onderzoek noodzakelijk acht om uitspraak te kunnen doen en het geschil te kunnen beslechten.

Overwegingen

1. De rechtbank blijft bij al hetgeen de rechtbank heeft overwogen in haar uitspraak van 20 maart 2026.

2. De rechtbank heeft verweerder bij aanvang van zitting gevraagd om zijn proceshouding ten aanzien van het aanvankelijk niet willen overleggen van het terugkeerbesluit en de stukken die betrekking hebben op het onderzoek naar adequate opvang toe te lichten. Verweerder heeft daarop aangegeven dat de brief van 2 april 2026 niet verzonden had moeten worden. De rechtbank leidt hieruit af dat het verweerder duidelijk is dat indien hij beslist dat aan een niet-begeleide minderjarige derdelander die een asielaanvraag heeft ingediend geen internationale beschermingsstatus hoeft te worden verleend, vervolgens moet worden onderzocht of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld en het onderzoek naar adequate opvang hiervan deel uitmaakt. Anders dan verweerder eerder heeft aangenomen is er dus geen sprake van dat dit ‘zou betekenen dat verweerder in alle gevallen het onderzoek naar adequate opvang in de asielprocedure moet integreren’ omdat reeds uit de systematiek van richtlijn 2008/115 voortvloeit dat de verplichting om een terugkeerbesluit vast te stellen, behoudens omstandigheden die hieraan in de weg staan, deel uitmaakt van de procedure die is ingeleid met een verzoek om internationale bescherming.

3. Verweerder heeft beslist dat aan eiser geen zogenoemde ‘buiten schuld-vergunning AMV’ wordt verleend omdat eiser volgens verweerder onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Eiser heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij wel voldoende medewerking heeft verleend aan dit onderzoek. Eiser heeft de rechtbank in zijn beroepsgronden verzocht om het besluit met inbegrip van het terugkeerbesluit te vernietigen, verweerder op te dragen binnen twee weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en hieraan een hogere dan gebruikelijk vast te stellen dwangsom te koppelen. Ter zitting is namens eiser aan de rechtbank verzocht om te bepalen dat aan eiser een vergunning op grond van het buitenschuld-beleid wordt verleend met de datum van de asielaanvraag als ingangsdatum en met een geldigheid tot aan de dag dat eiser 18 jaar is geworden en om verweerder op te dragen een aanvullend besluit te nemen waarin wordt beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor voortgezet verblijf dan wel een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM na het bereiken van de meerderjarigheid en ‘de procedure open te houden’ met een bestuurlijke lus zodat de rechtbank regie kan voeren op de gehele procedure.

4. De rechtbank doet wederom een tussenuitspraak en motiveert dit als volgt.

5. De rechtbank overweegt allereerst dat het aan verweerder is om na te gaan of hij een terugkeerbesluit kan vaststellen. Verweerder moest, gelet op de leeftijd van eiser ten tijde van de asielaanvraag en ten tijde van de afwijzing van deze asielaanvraag, om dit na te gaan onder meer onderzoeken of adequate opvangvoorzieningen voor eiser beschikbaar en toegankelijk zouden zijn geweest indien eiser voorafgaand aan het bereiken van de meerderjarigheid zou zijn teruggekeerd naar Somalië. Als eiser voldoende meewerkt aan dit onderzoek en er kan niet worden vastgesteld dat sprake is van adequate beschikbare en toegankelijke opvang, komt eiser in beginsel in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

6. Het onderzoek naar adequate opvang is stopgezet op het moment dat eiser meerderjarig is geworden. Voorafgaand aan de dag waarop eiser 18 jaar werd, is niet vastgesteld dat in Somalië adequate opvangvoorzieningen voor eiser beschikbaar en toegankelijk waren. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser voldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang en of eiser dus in aanmerking had moeten worden gebracht voor een verblijfsvergunning ‘buiten schuld AMV’. Partijen verschillen ook van mening over de vraag of DT&V voldoende voortvarend heeft onderzocht of sprake was van adequate opvang en of verweerder, nu eiser niet vreest voor de Somalische autoriteiten, eerder dan na afwijzing van de asielaanvraag met dit onderzoek had moeten beginnen.

7. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd of verweerder in het kader van zijn onderzoeksverplichting méér of andere activiteiten heeft verricht dan het maandelijks voeren van in totaal acht vertrekgesprekken. Verweerder heeft deze vraag ontkennend beantwoord.

8. De rechtbank heeft verweerder gewezen op het verslag van het op 14 augustus 2025 gevoerde vertrekgesprek voor zover hierin het navolgende is opgenomen:

(…)

De regievoerder legt uit dat ze nu een onderwerp met betrokkene gaat bespreken wat betrokkene wellicht moeilijk kan vinden. Ze vraagt of betrokkene zich het LP-formulier nog kan herinneren. Betrokkene vraagt of de het formulier bedoelt wat de advocaat niet wilde tekenen. De regievoerder bevestigt dat ze dat formulier bedoelt.

Betrokkene vraagt waarom het nu al moet, aangezien hij nog niet naar de rechter is geweest. De regievoerder legt uit dat het in het belang van het onderzoek naar adequate opvang is en ter vaststelling van identiteit en nationaliteit. De regievoerder geeft verder uitleg over het formulier en de doelen hiervan aan de waarnemend voogd.

De regievoerder legt uit dat de presentatie plaatsvindt in Brussel op woensdag 20 augustus a.s. om 10.00. (…) Ze legt verder uit dat zolang er geen toegewezen voorlopige voorziening is, de presentatie blijft staan. Ze legt uit dat indien er een toegewezen voorlopige voorziening is, die bepaalt dat de presentatie geannuleerd dient te worden, dit ook zal gebeuren.

(…)

9. De rechtbank heeft benoemd dat het evident onjuist is dat het indienen van een LP-aanvraag in het belang van het onderzoek naar adequate opvang geschiedt. Een LP-aanvraag is namelijk een verzoek aan de Somalische autoriteiten om een vervangend reisdocument voor eiser te verkrijgen. Deze handeling ziet dus op de terugkeer en daarmee op het uitvoeren van een terugkeerbesluit. Het onderzoek naar adequate opvang ziet echter op de vraag of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. De rechtbank overweegt dat de regievoerder te allen tijde de vreemdeling correct moet informeren en transparant moet zijn in zijn beweegredenen om eiser te verzoeken om medewerking te verlenen. Zolang er geen sprake is van een in rechte vaststaand terugkeerbesluit, is eiser niet verplicht om mee te werken aan zijn terugkeer. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 20 augustus 2025 de op die dag geplande presentatie van eiser bij de Somalische autoriteiten dan ook verboden (ECLI:NL:RBDHA:2025:15472). De rechtbank overweegt dat daargelaten dat de Afdeling inmiddels ook heeft geoordeeld dat er geen presentaties mogen plaatsvinden zolang niet is beslist op het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag (uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5547), van eiser dus niet kon worden gevergd dat hij medewerking verricht aan de presentatie zolang het onderzoek naar adequate opvang niet was afgerond. Dat het verzoek om afgifte van een LP en de in dat kader georganiseerde presentatie tevens tot doel heeft om de door eiser gestelde en door verweerder geloofwaardig geachte identiteit en nationaliteit te bevestigen, betekent dus niet dat de gevraagde medewerking van eiser ziet op het onderzoek naar adequate opvang.

10. Het onderzoek naar adequate opvang ziet niet primair op terugkeer, maar op de vraag of een terugkeerbesluit en daarmee een verplichting tot terugkeer naar Somalië, kan worden opgelegd. Dat onderzoek naar adequate opvang moest worden verricht volgt uit de uitlegging die het Hof van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest, heeft gegeven in het arrest van 14 januari 2021 in de zaak TQ (arrest van het Hof van 14 januari 2021 in de zaak TQ tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9). Richtlijn 2008/115 ziet niet op vergunningverlening, maar op grond van nationaal beleid kan eiser wel voor vergunningverlening in aanmerking komen als er niet kan worden vastgesteld dat er adequate opvang is en er om die reden geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld.

11. De rechtbank heeft verweerder ter zitting voorgehouden dat ook indien de rechtbank tot de conclusie zou komen dat het niet hebben kunnen vaststellen van adequate opvang in Somalië niet in de weg staat aan het vaststellen van een terugkeerbesluit, dit niet zonder meer betekent dat er dus een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 20 maart 2026, en dus vóór de vaststelling van het terugkeerbesluit, hierover het navolgende overwogen:

(…)

9.(…) De rechtbank heeft hierbij reeds opgemerkt dat de beoordeling of aan eiser een zogenoemde ‘buitenschuldvergunning AMV’ moet worden verleend niet betekent dat er geen verderstrekkende beoordeling moet worden verricht ten aanzien van de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen. Richtlijn 2008/115 ziet niet op de voorwaarden voor verblijf. Dat verweerder beleid heeft vastgesteld en een verblijfsvergunning wordt verleend als niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 10, tweede lid, van richtlijn 2008/115, verschilt dus van de vraag of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen aan de vaststelling van een terugkeerbesluit in de weg staan. Deze laatste beoordeling houdt geen verband met de vraag of aan eiser een verblijfsvergunning moet worden verleend.(…)

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft beoordeeld of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen aan de vaststelling van het terugkeerbesluit in de weg staan. Dit had wel gemoeten reeds omdat eiser inmiddels drie jaar in Nederland verblijft wat gelet op zijn leeftijd relatief lang is. Het terugkeerbesluit is, ongeacht of de rechtbank tot de conclusie komt of het niet vaststellen van beschikbare en toegankelijke adequate opvang aan de vaststelling van het terugkeerbesluit in de weg staat, reeds hierom onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd.

13. In het terugkeerbesluit is voorts onder meer het navolgende overwogen:

(…)

Zoals in het voornemen overwogen hebt u de onderzoeksmogelijkheden van het Rode Kruis en het IOM niet aangewend. Het aanwenden van deze mogelijkheden om te onderzoeken of er voor u adequate opvang aanwezig zou zijn, is geen misbruik hiervan. Het onderzoek naar het bestaan van adequate opvang is immers een onderdeel van het onderzoeken of vrijwillige terugkeer naar Somalië voor u mogelijk was als minderjarige. Enkel contact opnemen met het Rode Kruis en dan besluiten geen gebruik te maken van de tracingsmogelijkheden wordt bovendien niet gezien als meewerken aan het onderzoek naar adequate opvang. Aangezien uw problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn geacht, wordt niet ingezien dat de vriend van uw vader en uw zusje gevaar zouden lopen door uw pogingen contact met hen te leggen.

(…)

14. Gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat zowel het IOM als het Rode Kruis niet bereidwillig zijn om een tracings-onderzoek te verrichten als dit onderdeel is van een juridische procedure en een verzoek daartoe daarom niet op vrijwillige basis geschiedt. De rechtbank heeft ter zitting besproken dat indien dit het geval is, het dan de vraag is of het niet gebruik maken van tracingsmogelijkheden kan worden tegengeworpen. Gemachtigde heeft aangegeven dit zo van beide organisaties te hebben begrepen. Verweerder heeft daarop aangegeven hiermee niet bekend te zijn. Het Rode Kruis heeft op haar website onder meer vermeld dat ‘Restoring Family Links’ van het Rode Kruis zich niet mengt in juridische procedures en dat geen enkele informatie op schrift wordt gedeeld. De rechtbank heeft ook kennis genomen van ‘de richtlijnen en uitgangspunten’ van het Rode Kruis. De rechtbank begrijpt deze uitgangspunten, maar overweegt tegelijkertijd dat het in de onderhavige procedure van belang is om te weten of indien eiser wel een opsporingsverzoek zou hebben ingediend, het Rode Kruis de medewerking zou laten afhangen van de fase waarin de procedure van eiser zich bevindt en of dit onderzoek naar familieleden plaatsvindt om na te gaan of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld of dat het verzoek uitsluitend betrekking heeft op daadwerkelijke en vrijwillige terugkeer. Dit kan op grond van de informatie die is vermeld op de website van het Rode Kruis niet worden vastgesteld. Indien het Rode Kruis geen opsporingsverzoek uitvoert zolang er een procedure om een verblijfsvergunning aanhangig is, kan van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen niet worden gevergd dat zij zich in het kader van de plicht om mee te werken aan het onderzoek naar adequate opvang tot het Rode Kruis wenden. Dit kan relevant zijn voor verlening van de ‘buiten schuld-vergunning'. De rechtbank zal zich daarom tot het Rode Kruis wenden om te zien of door het Rode Kruis schriftelijk dan wel mondeling ter zitting een nadere toelichting kan worden gegeven over de toepassing van de richtlijnen en uitgangspunten. De rechtbank zal de brief met daarin de vraagstelling nadat deze is verzonden in het digitale dossier plaatsen zodat partijen hiervan kennis kunnen nemen.

15. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat eiser zich ook tot IOM kon wenden om contact met zijn zus en de vader van zijn vriend te zoeken en zo mee te werken aan het onderzoek naar adequate opvang. De rechtbank overweegt dat IOM op haar website weliswaar vermeldt dat IOM kan helpen bij het traceren van familieleden samen met het IOM-kantoor in het land van herkomst. Somalië is ook vermeld als een van de landen waarvoor ondersteuning bij terugkeer kan worden geboden. IOM vermeldt echter ook dat een van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor hulp bij terugkeer, het beschikken over een geldig reisdocument of het kunnen verkrijgen van een geldig reisdocument is. Eiser beschikt thans niet over zo’n document. Verweerder zal dan ook nader moeten motiveren dat als verweerder niet bevoegd is om eiser te presenteren bij de ambassade zolang niet is beslist op het beroep tegen de afwijzing, van eiser wel kan worden gevergd dat hij zich in deze fase van de procedure zelf tot de Somalische autoriteiten wendt om een reisdocument te verkrijgen.

16. Dat een van de andere voorwaarden om in aanmerking te komen voor hulp van IOM bij terugkeer blijkens de website van het IOM is, dat eiser akkoord moet gaan met het zich terugtrekken uit de procedure voor een verblijfsvergunning voordat hij Nederland verlaat, acht de rechtbank geen belemmering om bijstand van IOM te vragen in de procedurefase voorafgaand aan het vaststellen van een terugkeerbesluit. Indien het door IOM verrichte onderzoek geen resultaat oplevert en daardoor geen terugkeerbesluit wordt vastgesteld, is de minderjarige vreemdeling niet verplicht om de Unie te verlaten en dus ook niet verplicht om zich terug te trekken uit de procedure voor een verblijfsvergunning.

17. De rechtbank heeft verweerder voorts gevraagd of er, gelet op eerdere onderzoeken naar adequate opvang in Somalië, gegevens beschikbaar zijn over tracingsverzoeken van IOM en het Rode Kruis die zich op Somalië richten en met name of bekend is hoe vaak deze verzoeken tot positief resultaat hebben geleid en op grond hiervan kon worden vastgesteld dat de minderjarige vreemdeling kan terugkeren omdat adequate opvang bij de opgespoorde familieleden beschikbaar is. De rechtbank zal verweerder opdragen om na te gaan of deze gegevens beschikbaar zijn en indien dat het geval is, deze gegevens aan het dossier toe te voegen.

18. De rechtbank acht het niet opportuun om nu te beoordelen of verweerder voldoende voortvarend heeft gewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang en met ingang van welk moment een aanvang met dit onderzoek had moeten worden gemaakt. De rechtbank zal ook de andere geschilpunten in een latere fase van de procedure beoordelen. De rechtbank zal een termijn van vier weken bepalen voor verweerder om een nader standpunt in te nemen zoals bedoeld in rechtsoverweging 15 en om na te gaan of nadere informatie zoals bedoeld in rechtsoverweging 17 beschikbaar is. De rechtbank zal partijen na ommekomst van deze termijn informeren over de verdere voortgang van de procedure.

19. Beslist wordt als volgt

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open maar kan tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de einduitspraak en eerdere tussenuitspraak , hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. van Lokven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand