RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51098
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de opdracht die deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft gegeven in de uitspraak van
17 april 2025. De minister heeft het relaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het procesverloop en de besluitvorming
De procedure
2. Eiser heeft op 15 mei 2021 een asielaanvraag ingediend. In het besluit van 6 juni 2023 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 17 april 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juni 2023 vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen.
De minister heeft op 30 juni 2025 een nieuw voornemen uitgebracht en heeft in het bestreden besluit van 23 september 2025 de aanvraag opnieuw afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser, zelf moslim, heeft verklaard dat hij een relatie had met een christelijke vrouw. Met haar heeft eiser twee zonen gekregen. Eisers familie was tegen deze relatie en hij werd door hen gedwongen om te trouwen met zijn islamitische nichtje. Dat gebeurde met name door eisers oom, die ook imam is. Omdat eiser niet deed wat van hem verlangd werd en zijn relatie met de christelijke vrouw voortzette, ontstond een conflict. Eisers oom heeft de hulp van een islamitische groep ingeschakeld. Toen deze groep eiser voor de tweede keer eiser opzocht heeft zijn broertje geprobeerd hen tegen te houden. Eisers broertje is hierbij mishandeld en als gevolg daarvan om het leven gekomen. Eiser heeft verklaard dat hij hierop wraak heeft genomen door de moskee waar deze mannen kwamen, en de busjes die daar geparkeerd stonden, in brand te steken. Hierdoor zijn volgens eiser twee doden en een gewonde gevallen. Eisers moeder is met zijn twee kinderen naar Guinee gegaan. Eiser zelf is met zijn christelijke vriendin uit Ivoorkust gevlucht. Eisers vriendin is tijdens de oversteek met de boot naar Europa om het leven gekomen. Eiser heeft in Nederland asiel aangevraagd omdat hij vindt dat Ivoorkust niet veilig voor hem is. Eiser vreest bij terugkeer naar zijn land van herkomst voor zijn oom, de familie van zijn omgekomen vriendin en de familie van de slachtoffers van de brand die hij heeft aangestoken.
Wat aan het bestreden besluit voorafging
4. De minister heeft in het besluit van 6 juni 2023 het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig geacht. Het gaat hierbij om eisers verklaringen over de door eiser gestelde problemen vanwege zijn relatie met een christelijke vrouw en over zijn verklaringen over eisers brandstichting in een moskee naar aanleiding van de dood van zijn broer. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij vreest voor de familie van zijn verdronken christelijke vriendin, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat deze gestelde gebeurtenis buiten het land van herkomst heeft plaatsgevonden en daarom niet inhoudelijk wordt beoordeeld.
5. De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 april 2025 geoordeeld dat de minister het besluit van 6 juni 2023 op een aantal punten onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. De rechtbank heeft daarbij allereerst geoordeeld dat de minister eiser inzage had moeten geven in de vragen en antwoorden van TOELT, waarnaar wordt verwezen in het voornemen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser daadwerkelijk te vrezen heeft dat de vader van zijn overleden christelijke vriendin wraak zal nemen, omdat eiser samen met haar is gevlucht. De rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juni 2023 vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit moet nemen.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege eisers relatie met een christelijke vrouw;
3. Problemen vanwege brandstichting in moskee naar aanleiding van de dood van eisers broer;
4. Dat eisers vriendin is omgekomen tijdens de boottocht naar Europa.
De minister gaat uit van eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Verder stelt de minister vast dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn asielmotieven te onderbouwen. De minister vindt dat eiser met zijn verklaringen zijn relaas niet alsnog geloofwaardig heeft gemaakt. Eisers verklaringen met betrekking tot zijn asielmotieven vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiser de asielaanvraag zonder goede reden niet zo spoedig mogelijk ingediend. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft de minister zijn standpunt over asielmotief 4 voldoende zorgvuldig voorbereid?
7. Eiser stelt dat de minister zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de verdrinkingsdood van zijn vriendin tijdens de reis naar Europa onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 april 2025 aan de minister opgedragen de gestelde problemen met de vader van de verdronken christelijke vriendin alsnog te beoordelen. In de bestreden beschikking beoordeelt de minister dit afzonderlijke asielmotief echter niet, maar overweegt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij het land van herkomst verliet. De minister heeft bovendien in het nader gehoor nagelaten eiser te confronteren met de afwijkende verklaring over zijn vertrek in het Dublingehoor. Nu dit asielmotief voor het eerst in het huidige besluit door de minister wordt beoordeeld, had de minister eiser in de gelegenheid moeten stellen deze tegenstrijdigheid in een gehoor te verklaren dan wel zich daarover uit te laten.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers relaas, ook voor wat betreft het overlijden van zijn vriendin, zorgvuldig is beoordeeld. De minister meent dat daarmee op dit punt is voldaan aan de opdracht van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft geen opdracht gegeven tot het nader horen van eiser. Bovendien heeft de rechtbank ook in de uitspraak van 17 april 2025 geconcludeerd dat eiser niet is benadeeld doordat eiser in het gehoor niet met alle tegenstrijdigheden is geconfronteerd, omdat eiser in de aanvulling en correcties en in zijn zienswijze alsnog heeft kunnen reageren op mogelijke tegenstrijdigheden.
De rechtbank is van oordeel dat de minister wel degelijk en voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat ongeloofwaardig is dat eiser heeft te vrezen voor de familie van zijn overleden christelijke vriendin. De minister heeft in dit kader niet ten onrechte overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser een relatie had met deze christelijke vrouw en dat het daarom niet aannemelijk is dat hij daadwerkelijk met deze vrouw is uitgereisd en dat zij daarbij zou zijn overleden. Daarbij heeft de minister op goede gronden overwogen dat ook het feit dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij het land heeft verlaten zijn reisverhaal ongeloofwaardig maakt. In tegenstelling tot wat eisers beroepsgrond impliceert, is asielmotief 4 dan ook niet enkel ongeloofwaardig geacht vanwege eisers tegenstrijdige verklaringen over het moment waarop hij zou zijn vertrokken. Daarbij komt dat de rechtbank Amsterdam zich in haar uitspraak al heeft uitgelaten over de vraag of eiser met de tegenstrijdigheden in zijn gehoren geconfronteerd had moeten worden en welke gevolgen daaraan verbonden zouden moeten worden. Deze beroepsgrond is dan ook al beoordeeld en het oordeel daarover staat in rechte vast. De rechtbank ziet in het feit dat motief 4 voor het eerst in dit besluit is beoordeeld geen aanleiding om daarover ten aanzien de verklaringen over dit motief anders te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.
TOELT-onderzoek
8. Verder stelt eiser dat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank om het TOELT-onderzoek naar de brandstichting in de moskee met eiser te delen. Eiser weet nog altijd niet welke vraag aan TOELT is gesteld en wat de uitkomst van het onderzoek is geweest. Eiser vindt dat de minister in het nieuwe besluit niet kan volstaan met een verwijzing de bevindingen uit een eigen onderzoek. Bij dit eigen onderzoek lijkt de minister bovendien door een spelfout te zijn uitgegaan van een verkeerde naam van de moskee. Het eigen onderzoek door de minister neemt het belang van het overleggen van het TOELT-onderzoek niet weg.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij van de rechtbank het onderzoek van TOELT met eiser moest delen, omdat de besluitvorming daarop was gebaseerd doordat daarnaar was verwezen in een voetnoot in het vorige besluit. De minister geeft aan dat hij het nieuwe voornemen en besluit echter niet op dit TOELT-onderzoek heeft gebaseerd. De minister heeft zich in het voornemen op het standpunt gesteld dat nu eisers verklaring over de gebeurtenis waarbij eisers broertje zou zijn overleden niet geloofwaardig wordt geacht, ook zijn verklaring over zijn brandstichting uit wraak vanwege de dood van zijn broertje niet geloofwaardig wordt geacht. De minister heeft hierbij aangegeven dat met verschillende zoekmachines is gezocht naar brand in deze moskee, maar dat daarover niets is gevonden. Volgens de minister betekent dat niet dat de gebeurtenis per definitie niet heeft plaatsgevonden, maar is eiser er met zijn verklaringen over de aanleiding voor de brandstichting niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij een brand heeft gesticht. Ook heeft eiser verklaringen afgelegd die verder afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van dit asielmotief. Zo heeft eiser wisselend verklaard over de naam van de islamitische groep die op het op hem voorzien had. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij niet weet of de brand in het nieuws is geweest en heeft hij hier ook niet naar gezocht, terwijl dit wel van eiser mag worden verwacht nu eiser juist vanwege zijn vrees voor de gevolgen van de brandstichting zou zijn gevlucht. Ten slotte heeft eiser in het aanmeldgehoor en het nader gehoor tegenstrijdig verklaard over het moment van vertrek uit het land van herkomst. Ook dit bevestigt de ongeloofwaardigheid van dit asielmotief.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldaan aan de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 april 2025. De rechtbank stelt vast dat de minister voorafgaand aan het bestreden besluit een nieuw voornemen heeft uitgebracht. In dit voornemen en ook in het bestreden besluit wordt ter motivering van de ongeloofwaardigheid van de brand in de moskee niet langer verwezen naar het onderzoek van TOELT, maar naar onder meer het onderzoek door de beslismedewerker zelf. Bovendien heeft de minister op de zitting terecht benadrukt dat het aan eiser zelf is om zijn relaas aannemelijk te maken en heeft eiser zelf evenmin stukken overgelegd waaruit blijkt dat de moskee daadwerkelijk in brand is gestoken. Eiser heeft dit ook niet betwist. Eiser heeft evenmin de overige hierboven genoemde argumenten om zijn relaas op dit punt ongeloofwaardig te achten betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister niet ten onrechte tot ongeloofwaardigheid heeft geconcludeerd. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het niet overleggen van het onderzoek door TOELT niet kan leiden tot een ander oordeel. Omdat het stuk van TOELT niet langer aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd bestond er ook geen aanleiding voor de minister om dit stuk aan eiser te verschaffen.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag blijft staan. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.