RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.11521 en NL26.11522
[eiser 1] en [eiser 2] , eisers, V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen).
Overwegingen
Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk en gegrond?
Conclusie en gevolgen
1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
3. De minister heeft de aanvragen op 9 augustus 2024 ontvangen. De beslistermijn is zes maanden.3 Binnen die termijn heeft de minister niet beslist op de aanvragen. Eisers hebben de minister op 4 december 2025 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts hebben eisers meer
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
dan twee weken na de ingebrekestelling beroepen ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. De beroepen zijn daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4 In deze zaken is dit aan de orde.
5. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers nog niet zijn gehoord omtrent hun asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak gehoren omtrent de asielmotieven van eisers moet afnemen en binnen acht weken daarna de besluiten op de aanvragen bekend moet maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
6. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.5 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
7. In hun beroepschrift hebben eisers de rechtbank verzocht om “om een dwangsom vast te stellen”. De rechtbank leest hierin het verzoek om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
8. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.6 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaken niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.
9. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen de onder 5. genoemde termijn alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
10. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen
4 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
5 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
6 Stb. 2025, 96.
worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
11. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn samen gereisd en zijn broer en zus van elkaar. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.7 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.8
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
7 Artikel 3 van het Bpb.
8 ECLI:NL:RVS:2020:1624.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 april 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.